Het Georgisch-Abchazisch conflict is een territoriaal conflict om de soevereiniteit over Abchazië, een gebied dat historisch onderdeel is geweest van verschillende Georgische staten en dat zich daarvan los probeert maken. Betrokkenen in het conflict zijn Georgië, Rusland en de door Rusland gecontroleerde en feitelijk afgescheiden Republiek Abchazië, die internationaal beperkt erkend wordt. Georgië en vrijwel alle leden van de Verenigde Naties beschouwen Abchazië als soeverein grondgebied van Georgië.
Het hedendaagse conflict geldt als een van de meest gewelddadige in de voormalige Sovjetstaten en dateert uit de nadagen van de Sovjet-Unie en haar ontbinding, maar kan worden herleid tot het conflict van 1918-1921 om de controle over Abchazië, tussen de Democratische Republiek Georgië, bolsjewistisch Rusland, de Witten en Abchazische bolsjewieken. Het conflict wordt beschouwd als onderdeel van Russische geopolitiek om controle over de Kaukasus.
Historische achtergrond In de 8e eeuw maakte het koninkrijk Abchazië zich los van het Byzantijnse Rijk en slaagde erin heel West-Georgië te verenigen als Egrisi-Abchazië met Koetaisi als hoofdstad. Onder Georgiërs en Abchaziërs zijn er verschillende opvattingen over dit koninkrijk. Het gebied, dat in de oudheid deel uitmaakte van het West-Georgische koninkrijk Colchis en diens opvolger Egrisi, viel steevast onder de Georgische politiek-culturele wereld. Georgiërs zien het koninkrijk Abchazië dan ook vooral als een van de Georgische koninkrijken, temeer de fusie met Egrisi, terwijl Abchaziërs hierin hun eerste onafhankelijke staat zien. In 1008 vormde (Egrisi)-Abchazië met Tao-Klardzjeti de basis voor het verenigde koninkrijk Georgië en de Georgische "gouden eeuw".
In de late 15e eeuw viel het Georgische koninkrijk uiteen in verschillende kleinere koninkrijken en prinsdommen. Het vorstendom Abchazië was formeel onderdanig aan het koninkrijk Imeretië, maar behield autonomie onder het Ottomaanse gezag, dat vanaf de 16e tot 18e eeuw West-Georgië controleerde. In de 19e eeuw deed het keizerrijk Rusland zijn intrede in Abchazië, toen het Georgië stap voor stap annexeerde. Na ruim een halve eeuw als Russisch protectoraat werd het vorstendom Abchazië in 1864 opgeheven. Het gebied werd als okroeg Soechoemi opgenomen in de Russische bestuurlijke indeling, tot 1905 ressorterend onder het West-Georgische gouvernement Koetais, daarna direct onder het onderkoninkrijk van de Kaukasus. Na het einde van de Kaukasusoorlog emigreerden islamitische Abchaziërs massaal uit het gebied en vestigden er zich Georgiërs, Russen, Armeniërs, Grieken en Esten.
Conflict in 1918–1921
Na de Russische Revoluties van 1917 maakten mensjewistische leiders in Georgië de natie los van het Russische Rijk. Het land verklaarde zich in mei 1918 onafhankelijk als Democratische Republiek Georgië, geregeerd door de mensjewistische sociaaldemocratische partij, die de historische omvang van Georgië claimde, inclusief Abchazië. De Abchazische Volksraad, een multi-etnisch anti-revolutionair orgaan, werkte met de Georgische regering samen om de communistische krachten buiten de deur te houden voor het behoud van de Georgische onafhankelijkheid. Met succes wisten zij in 1918 Abchazische bolsjewisten onder leiding van Nestor Lakoba en een offensief van de Noord-Kaukasische Rode Garde te bestrijden. Een poging om een bolsjewistisch regime te installeren en bij Sovjet-Rusland aan te sluiten mislukte.
Een tweede communistisch, aanvankelijk succesvol, offensief in juni 1918 mislukte ook en werd in juli teruggedrongen tot aan de stad Toeapse, 75 kilometer voorbij Sotsji en ver in het gouvernement Zwarte Zee. Dit diende onder meer om historisch Abchazisch territorium onder controle te krijgen en de communistische troepen op veilige afstand terug te dringen. De Abchaziche Volksraad ging in juni 1918 akkoord met autonomie binnen de Georgische staat. In de zomer van 1918 waren de Noord-Kaukasische communisten verslagen en kwam het Witte Leger van Anton Denikin op, dat de volgende bedreiging werd voor Georgisch-Abchazië.
Sotjsiconflict miniatuur|Georgische Volksgarde onder leiding van Valike Dzjoegeli in Gagra, na herovering op het Witte Leger (1919).
In het najaar van 1918 brak het Sotsjiconflict conflict uit door een offensief van generaal Denikin en zijn Witte Leger op Toeapse en Sotsji. Denikin drong in 1919 diep Abchazië in tot het dorp Bzipi, maar de Georgische strijdkrachten wisten de Witten uit Abchazië terug te dringen tot aan de rivier Pso-oe, vlak voor Sotsji. Dit werd in 1920 afgesproken als de Russisch-Georgische grens, die nog steeds geldt, waarmee Georgië de aanspraken op Sotsji en Toeapse moest laten varen. In februari 1921 werd de Abchazische autonomie binnen de Democratische Republiek Georgië vastgelegd in de grondwet.
Op dat moment was het Rode Leger net Georgië binnengevallen, in weerwil van de erkenning van de soevereiniteit negen maanden eerder. De republiek werd omvergeworpen en de Georgische Socialistische Sovjetrepubliek werd opgericht onder een bolsjewistisch bewind, die in 1922 opgenomen werd in de Sovjet-Unie. Abchazië behield de autonomie binnen de nieuwe Georgische sovjetrepubliek. Eerst werd het in 1921 opgericht als Abchazische Socialistische Sovjetrepubliek, een aparte sovjetrepubliek, maar nog datzelfde jaar werd het als een verdragsrepubliek ondergebracht in de Georgische SSR. In 1931 werd de feitelijke status als autonome deelrepubliek van Georgië omgezet in de naam, als de Abchazische Autonome Socialistische Sovjetrepubliek.
Verhoudingen in het Sovjetsysteem miniatuur|Lavrenti Beria en Stalin (linksachter) waren verantwoordelijk voor de 'Georgificatie' van Abchazië. Rechtsachter Nestor Lakoba, Abchazisch revolutionair en leider van de Abchazische sovjetrepubliek. Hij werd in 1936 door Beria door vergiftiging vermoord. In de eerste helft van de Sovjetperiode werden veel etnisch Georgiërs door Lavrenti Beria uit andere delen van Georgië naar Abchazië verhuisd. Rond 1950 werd het Georgisch opgelegd in het onderwijs alsmede het gebruik van het Georgisch alfabet voor Abchazisch in plaats van het Cyrillisch alfabet. Deze gedwongen assimilatie, door Stalin en met name Beria opgelegd, vergrootte de Abchazische vijandigheid naar de Georgiërs. Na de dood van Stalin in 1953 volgde destalinisatie ten gunste van de Abchaziërs, wat de Abchazische overtuiging versterkte dat de Georgische nationaliteit van Stalin en Beria de oorzaak was van de gedwongen assimilatie. Nationalistische Georgiërs ontkenden dit en zagen Stalin niet als patriot gedreven door zijn afkomst, maar eerder als Russisch imperialist en landverrader.
Het Sovjetsysteem om titulaire nationaliteiten in de (autonome) republieken voor te trekken via een quotumsysteem was een andere aanjager van spanningen. Door de massale Georgische migratie waren de Abchaziërs in 1989 een minderheid van 17 procent in Abchazië. Daartegenover was 46 procent Georgisch, 15 procent Armeens en 14 procent Russisch. De wet gaf de Abchazische nomenklatoera een buitenproportionele vertegenwoordiging in machtsposities. Dit bracht ook de vrees onder Abchaziërs dat ze deze privileges wellicht konden verliezen in een zelfstandig Georgië, iets dat Georgiërs niet probeerden te ontzenuwen. De Georgische meerderheid wendde zich steeds meer tot Tbilisi voor steun, terwijl de Abchazische minderheid zich tot Moskou wendde met de roep de Abchazische autonome republiek onder de Russische SFSR te brengen.
Conflictfase 1989-1993 In het dorp Lichni, een historisch trefpunt van Abchazische dissidentie tegen overheersers, vond op 18 maart 1989 een grote volksbijeenkomst plaats, waar tienduizenden Abchaziërs bij aanwezig waren. Het teruggeven van de volwaardige status van de sovjetrepubliek (SSR) werd er besproken, waarmee de Abchaziërs zich dus buiten de Georgische sovjetrepubliek wilden plaatsen. Noch de centrale autoriteiten van de Sovjet-Unie, noch de Georgische steunden dit initiatief.
miniatuur|De eerste slachtoffers in het moderne conflict vielen in juli 1989 in Soechoemi als gevolg van de afscheiding van het Georgische deel van de universiteit. Georgiërs in het hele land protesteerden tegen deze plannen en waren aanleiding voor grote massademonstraties in Tbilisi, die op 9 april 1989 met geweld werd neergeslagen door het Rode Leger. Deze factoren zetten een dynamiek in beweging, waarbij nationalistische sentimenten aan beide zijden versterkt werden. In juli 1989 vielen de eerste doden in Abchazië, toen het tot gewelddadige botsingen kwam tussen Abchaziërs en Georgiërs, waarbij 17 doden en 448 gewonden vielen.
Aanleiding was de etnische splitsing van de Abchazische Staatsuniversiteit, waar de Abchaziërs fel gekant tegen waren, die de oprichting in 1979 als een prestigekwestie zagen en een erkenning van hun culturele identiteit. Het Georgische deel werd overgeheveld naar de nieuwe Soechoemi-afdeling van de Staatsuniversiteit van Tbilisi.
Conflict van wetten Het bleef na de rellen in Soechoemi een jaar betrekkelijk rustig, maar ontwikkelde het conflict zich in meer politieke richting met een "oorlog der wetten". Op 25 augustus 1990 verklaarde de Opperste Sovjet van Abchazië zich onafhankelijk van Georgië en gaf zichzelf de titel van een volwaardige sovjetrepubliek. De volgende dag werd dit ongeldig verklaard door Georgië en een week later draaiden de Georgische afgevaardigden in de Abchazische Opperste Sovjet de onafhankelijkheid terug.
In 1991 weigerde Georgië deel te nemen aan een referendum om de Sovjet-Unie als een vernieuwde federatie te behouden, en koos ervoor op 31 maart 1991 een onafhankelijkheidsreferendum te houden, wat op 9 april 1991 resulteerde in de Georgische onafhankelijkheidsverklaring. Op 26 mei 1991 volgde eerste Georgische presidentsverkiezing, die door nationalist Zviad Gamsachoerdia gewonnen werd. Hij was al sinds 1990 leider van de Georgische sovjetrepubliek. Abchazië negeerde de ontwikkelingen in Tbilisi, boycotte het referendum en presidentsverkiezing, en nam wel deel aan het Sovjetreferendum, dat werd geboycot door de Georgische bevolking van Abchazië.
Gewapend conflict 1992-1993 thumb|Kaart Gamsachoerdia werd acht maanden later afgezet in een gewelddadige staatsgreep, wat de situatie in Georgië instabieler maakte, ondanks de komst van Edoeard Sjevardnadze, die probeerde om met de Abchazen compromissen te sluiten. Hij wist in juni 1992 de oorlog in Zuid-Ossetië te bevriezen met een akkoord en een Russische vredesmissie, maar in Abchazië liepen de spanningen juist op.
Begin augustus 1992 werden elf Georgische regeringsfunctionarissen ontvoerd door aanhangers van Gamsachoerdia, die nog steeds grote populariteit genoot in Mingrelië, dat aan Abchazië grenst. Sjevardnadze verklaarde als antwoord hierop de oorlog aan het kamp van Gamsachoerdia, dat zich in hun bolwerk Zoegdidi ophield. Sommige gegijzelden werden na een week vrijgelaten, waaronder de Georgische minister van binnenlandse zaken.
Georgische troepen begonnen hierna met een offensief om de overige gegijzelden te bevrijden. Na het veroveren van Zoegdidi was dit hun gelukt. Ook delen van Abchazië, waaronder Soechoemi, werden onder vuur genomen door de Georgische Nationale Garde die onder leiding stond van de minister van defensie, Tengiz Kitovani. Sjevardnadze verklaarde in het begin niet op de hoogte te zijn geweest van sommige acties. Georgische soldaten plunderden volgens ooggetuigen Abchazische huizen en namen in veel door de Abchazen bewoonde dorpen en steden gewelddadig de macht over. Officieel was het doel van de interventie de bescherming van de spoorwegen naar de Zwarte Zee. Gamsachoerdia bevestigde later dat Georgië één staat zal blijven en dat Georgië het volste recht heeft om troepen te sturen naar onstabiele regio's. Rusland en ook de Verenigde Staten hadden begrip voor de Georgische acties.