Het arrest Breda/Antonius (HR 5 oktober 1990, NJ 1992/226) is een arrest van de Nederlandse Hoge Raad dat een belangrijke maatstaf geeft voor zaaksvorming.

Casus Machinefabriek Breda geeft aan machinefabriek Antonius opdracht om uit materiaal dat door Breda is aangeleverd bochten, rompen en venturies te maken. Na de productie worden ze aan Breda afgegeven. Wanneer Breda nalatig is met de betaling, wil Antonius de zaken revindiceren op grond van een eigendomsvoorbehoud. Dat voorbehoud behelst dat de verkoper zich verbindt tot de overdracht van een goed onder de opschortende voorwaarde van betaling van de koopprijs.

Rechtsvraag Over de vraag of er door het productieproces een nieuwe zaak is gevormd, bestaat geen verschil van inzicht. De vraag is of deze zaaksvorming door Antonius voor zichzelf (art. 5:16 lid 2) of (door Antonius) voor - de eigenaar van de gebruikte materialen - Breda (regel: art. 5:16 lid 1 - echter i.c. doet Breda 'voor zichzelf vormen': art. 5:16 lid 2) heeft plaatsgevonden.

Procesgang De rechtbank en het hof oordelen dat Antonius de zaken voor zichzelf heeft gevormd. Derhalve is Antonius er eigenaar van geworden en kan zij de zaken revindiceren.

Hoge Raad De Hoge Raad oordeelt:

Op grond van deze criteria komt de Hoge Raad tot de conclusie dat het hof onvoldoende heeft gemotiveerd waarom Antonius de producten voor zich had gevormd. Hij wijst de zaak terug naar het hof.

Overigens wijst de Raad erop dat in het geval Antonius geen eigenaar is geweest en dus als zodanig niet op grond van een eigendomsvoorbehoud had kunnen revindiceren, er wel andere middelen zouden openstaan. Zo kan een opdrachtnemer als Antonius die voor de opdrachtgever heeft gevormd, zich beroepen op het opschortingsrecht van art. 6:52 BW.

Belang Het belang van het arrest Breda/Antonius schuilt in de criteria die gegeven worden om te bepalen of iemand een zaak voor zich vormt of doet vormen.

Breda/Antonius