Irakli Okroeasjvili (Georgisch: ) (Tschinvali, 6 november 1973) is een Georgisch politicus. Hij had als vertrouweling van Micheil Saakasjvili verscheidene kabinetsfuncties, maar raakte eind 2006 in onmin met de president. Daarna leidde hij verschillende oppositie-initiatieven en werd hij tijdens zowel de regering-Saakasjvili als Georgische Droom vervolgd en veroordeeld tot celstraffen.

Vroege jaren Irakli Okroeasjvili werd geboren in Tschinvali, de hoofdstad van de Zuid-Ossetische AO van de Georgische SSR. Hij studeerde in 1995 af in Internationaal Recht en Internationale Relaties aan de universiteit van Tbilisi. Tot medio 2000 was hij partner in juridische kantoren.

Politieke carrière Okroeasjvili begon zijn politieke carrière medio december 2000 als vice-minister van Justitie onder minister Micheil Saakasjvili in de regering van president Edoeard Sjevardnadze. Okroeasjvili en Saakasjvili namen uit onvrede tegelijkertijd in september 2001 ontslag. Saakasjvili richtte kort daarop de Nationale Beweging op als nieuwe oppositiebeweging. Okroeasjvili volgde Saakasjvili in die partij en werd in juni 2002 gekozen in de gemeenteraad van hoofdstad Tbilisi, waar Saakasjvili voorzitter van werd.

Voor de parlementsverkiezingen van november 2003 stond Okroeasjvili op de negende plaats van de kieslijst van de partij. Hij was tevens kandidaat in het enkelvoudige kiesdictrict van Gori. Hij won in dit district, waardoor hij via deze weg in het parlement werd gekozen. Effectief nam hij de zetel niet in. Door de tussenkomst van de Rozenrevolutie en het overdoen van de stemming van de partijlijsten in maart 2004, vond de inauguratie van het nieuwe parlement pas in april 2004 plaats, toen Okroeasjvili al een andere functie had.

Een week na de Rozenrevolutie werd Okroeasjvili op 1 december 2003 door de interim-regering onder leiding van Saakasjvili, Zoerab Zjvania en Nino Boerdzjanadze benoemd tot gouverneur van Sjida Kartli, waartoe ook het grootste deel van de afscheidingsregio Zuid-Ossetië behoorde, de geboortestreek van Okroeasjvili. miniatuur|Irakli Okroeasjvili als defensieminister op bezoek bij Donald Rumsfeld in het Pentagon in Washington (2005).

Conflictgebieden Diezelfde maand liet Okroeasjvili in Zuid-Ossetië sluiproutes opblazen, die gebruikt werden voor de smokkel van contraband vanuit Rusland naar Georgië. De aanpak van smokkel en corruptie was een van de speerpunten van de nieuwe regering. Nadat Saakasjvili in januari 2004 tot president was gekozen, werd Okroeasjvili benoemd tot procureur-generaal.

Een half jaar later werd hij tijdens een kabinetsherschikking benoemd tot minister van Binnenlandse Zaken, en later dat jaar tot minister van Defensie. In deze rollen werd hij omschreven als een 'havik', met name ten aanzien van het afscheidingsconflict met Zuid-Ossetië. Hij werd onder meer verantwoordelijk gehouden voor de escalatie van de spanningen in 2004, die bijna op een oorlog uitliepen.

Ook was hij verantwoordelijk voor een veiligheidsoperatie in juli 2006 tegen de Svanetische militie Monadire onder leiding van Emzar Kvitsiani, die in de Kodorivallei in Abchazië zat en sinds 1999 door de regering-Sjevardnadze een gedoogde status had. In 2005 eiste Okroeasjvili de ontbinding en ontwapening van de militie. Kvitsiani weigerde dit en stelde een ultimatum aan de regering, met het dreigement de toegang tot de vallei te ontzeggen voor de overheid.

De Georgische regering stuurde vervolgens troepen de vallei in en hield internationaal vol dat dit een speciale politie-operatie was. Militaire troepen waren binnen het vredesmandaat niet toegestaan. Georgië werd in VN-resolutie 1716 opgeroepen tot terughoudendheid en het respecteren van het Akkoord van Moskou. Later dat jaar werd in de Kodorivallei de gemeente Azjara opgericht en werd het dorp Tsjchalta de zetel van de erkende autonome regering van Abchazië.

Eerder in 2006 zei hij op te stappen als defensieminister als hij voor het einde van dat jaar de territoriale integriteit van Georgië niet zou hebben hersteld. Rusland vatte dit op als een dreiging met militair ingrijpen. President Saakasjvili zag hier een risico in vanwege de al gespannen verhoudingen met Rusland, en in november 2006 werd Okroeasjvili in een kabinetsherschikking gedegradeerd naar het ministerie van Economische Ontwikkeling. Hij nam na een week ontslag, en viel in onmin met Saakasjvili.

In oppositie en ballingschap miniatuur|Grote demonstratie op 2 november 2007 na de arrestatie en vrijlating van Okroeasjvili. Hij werd gedwongen het land te verlaten voor deze demonstratie, op straffe van vastzetting. Na maandenlange stilte verklaarde Okroeasjvili op 25 september 2007 de oprichting van zijn oppositionele partij Beweging voor Verenigd Georgië. Twee dagen later werd Okroeasjvili aangehouden op verdenking van afpersing, witwassen van geld en misbruik van macht toen hij minister van Defensie was. Een dag later organiseerden verschillende oppositiepartijen een demonstratie om Okroeasjvili te steunen.

Op 9 oktober 2007 werd hij vrijgelaten, na het betalen van een borgtocht van tien miljoen Georgische lari, en een schuldbekentenis van nalatigheid en grootschalige omkoping door middel van afpersing. Hij trok tevens zijn beschuldigingen jegens Saakasjvili in. Eerder had hij de president beschuldigd van het beramen van een moord op mediamagnaat Badri Patarkatsisjvili.

Okroasjvili werd min of meer gedwongen het land te verlaten en vertrok via Duitsland naar Frankrijk, waar hij in april 2008 asiel kreeg. Zijn arrestatie was het begin van een protestgolf in het najaar van 2007 tegen de regering van Saakasjvili, die culmineerden in vervroegde presidentsverkiezingen in januari 2008. In maart 2008 werd Okroeasjvili in absentia veroordeeld tot elf jaar cel voor afpersing, waardoor hij niet mee kon doen aan de parlementsverkiezingen in mei 2008.

In oktober 2010 verliet Okroeasjvili zijn Beweging voor Verenigd Georgië om samen met een drie andere prominente oppositiefiguren van dat moment de Georgische Partij op te richten. Dit initiatief stierf vrij snel een stille dood, toen Okroeasjvili zijn aangekondigde terugkeer voor de protesten in mei 2011 niet gestand deed en twee van de vier oprichters vertrokken. In november 2011 vertrok ook de derde mede-oprichter en voorzitter, de voormalige ombudsman Sozar Soebari, die zich aansloot bij Georgische Droom. Hij zou later de antiwesterse partij Volkskracht oprichten.

Terugkeer in Georgië Na de verkiezingen van 2012 en de machtsovername door Georgische Droom, keerde Okroeasjvili op 20 november 2012 terug in Georgië. Hij werd bij aankomst meteen gearresteerd vanwege zijn uitstaande gevangenisstraf. Justitieminister Tea Tsoeloekiani erkende dat Okroeasjvili op een lijst van politiek vervolgden van de vorige regering stond, maar dat dit hem niet automatisch ontsloeg van mogelijke schuld aan misdaden. Niet lang daarna werden een aantal aanklachten tegen hem ingetrokken en werd hij op vrije voeten gesteld.

In 2014 revitaliseerde Okroeasjvili de Georgische Partij om deel te nemen aan de lokale verkiezingen, onder meer voor het burgemeesterschap in de stad Gori. Dat laatste werd hem niet toegestaan, omdat hij volgens de centrale kiesautoriteiten en rechtbanken niet voldeed aan de eis van minimaal de laatste twee jaar in het land te hebben gewoond. De Georgische Partij kreeg in de stad Gori 29 procent van de stemmen en in de omliggende rurale gemeente Gori 26 procent, goed voor vijf respectievelijk zes zetels in de raden.

Twee jaar later was Okroeasjvili onafhankelijk kandidaat in het enkelvoudige kiesdistrict Gori voor de parlementsverkiezingen van 2016. Hij trof hier de partijleider van de Vrije Democraten, Irakli Alasania, die de tweede ronde behaalde ten koste van Okroeasjvili. Okroeasjvili verdween enkele jaren naar de achtergrond en liet de Georgische Partij en de lokale verkiezingen van 2017 links liggen. Op 12 juni 2019 presenteerde hij een nieuwe oppositiepartij, Zegevierend Georgië, met de intentie om in 2020 aan de parlementsverkiezingen deel te nemen en de regering van Georgische Droom uit de macht te zetten.

Nieuwe vervolgingen Acht dagen na de lancering van zijn partij vond de zogeheten "Nacht van Gavrilov" plaats, een demonstratie tegen het bezoek van een Russisch parlementslid, waartegen de politie met geweld ingreep. Okroeasjvili werd na de demonstratie tezamen met andere oppositiefiguren gearresteerd voor het aanzetten tot groepsgeweld, wat volgens de autoriteiten leidde tot de bestorming van het parlement en in hun ogen een poging tot staatsgreep. In april 2020 veroordeelde de rechtbank hem voor zijn rol hierin tot vijf jaar cel.

Een maand later pardonneerde president Salome Zoerabisjvili hem. Dit vloeide voort uit een door de Amerikanen bemiddelde deal tussen de oppositie en de regering van Georgische Droom om uit de patstelling rondom electorale hervormingen te komen. De oppositie had de vrijlating van een aantal "politieke gevangenen" geëist. Okroeasjvili's partij Zegevierend Georgië deed mee met de verkiezingen in oktober 2020, maar behaalde slechts enkele duizenden stemmen in een druk bezet veld door de verlaagde kiesdrempel. Hij was ook een gezamenlijke oppositiekandidaat in een van de districten van Tbilisi, maar werd niet verkozen. In 2022 vocht Okroeasjvili in Oekraïne als lid van het Georgisch vrijwilliggerslegioen.

In juli 2025 werd Okroeasjvili opnieuw gearresteerd. Hij weigerde voor de Commissie-Tsoeloekiani te verschijnen en werd daarvoor tot acht maanden cel veroordeeld, net als verschillende oppositieleiders, zoals Nika Melia, Giorgi Vasjadze en Zoerab Dzjaparidze. Terwijl hij deze straf uitzat werd hij daarnaast tot zeven jaar cel veroordeeld voor een oude zaak uit 2004, toen hij minister van Binnenlandse Zaken was. Dit betrof het doodschieten van een tiener door de politie. Okroeasjvili werd beschuldigd van machtsmisbruik, obstructie van het onderzoek en het verdoezelen van de omstandigheden van de dood van de tiener.

Referenties

Categorie:Georgisch minister Categorie:Minister van Defensie