Tchoiria is een geslacht van uitgestorven reptielen, waarvan de vertegenwoordigers leefden in het Vroeg-Krijt. Het geslacht wordt tot de orde Choristodera gerekend, een groep van aan het water aangepaste reptielen. De laatste vertegenwoordigers van deze orde stierven uit in het Mioceen.
Er zijn twee soorten beschreven: Tchoiria namsari en Tchoiria klauseni. Beide soorten bereikten inclusief staart een lengte van ongeveer één tot anderhalve meter en hadden een amfibische levenswijze. Het lichaam was sterk aan het leven in het water aangepast en had een bouw die vergelijkbaar was met die van de krokodilachtigen. Ze hadden een carnivoor dieet en lange smalle kaken met spijkervormige tanden.
Over de levenswijze is niet veel bekend. Waarschijnlijk werden de eieren in een nest begraven en vertoonde Tchoiria een zekere mate van broedzorg, net als de huidige krokodillen. Beide soorten stierven aan het eind van het Vroeg-Krijt uit, toen het klimaat droger en kouder werd met als gevolg dat er minder waterrijke milieus kwamen en minder geschikte prooidieren waren.Efimov M.B. 2000 p. 391 De Choristodera overleefde als groep nog tot in het Vroeg-Mioceen.Naish D., Lambert D., Wyse, E. (2002), p. 77
Vondst en naamgeving In 1975 werden in de Chinese provincie Liaoning de resten van een reptiel gevonden dat behoorde tot de orde der Choristodera en sterke gelijkenis vertoonde met de andere choristodere, Champsosaurus. Het reptiel kreeg de naam Tchoiria namsari, gebaseerd op het holotype PIN 3386/1, het enige gevonden fossiel van Tchoiria namsari. De resten bestonden uit een incompleet skelet en een schedel, waarvan kleine fragmenten ontbraken. Omdat Tchoiria namsari de eerst benoemde soort uit het geslacht Tchoiria was, werd het de typesoort.Efimov M.B., Storrs G.W. (2000), p. 393
thumb|270px|Champsosaurus vertoonde sterke gelijkenis met het in 1975 gevonden fossiel van Tchoiria namsari, maar week in verschillende opzichten sterk af, bijvoorbeeld wat betreft de constructie van de tanden en kaken. Vier jaar nadat de eerste soort van Tchoiria was ontdekt, werden in 1979 de resten van een vermeende tweede soort ontdekt, eveneens in Liaoning. Dit dier werd Tchoiria magnus gedoopt. In 1981 bleek dat het hier niet om een soort van het geslacht Tchoiria, ging, maar om een nauw verwant geslacht uit de familie der Simoedosauridae, Ikechosaurus. Van Ikechosaurus werden al eerder fossielen gevonden. Deze waren echter van de typesoort, Ikechosaurus sunailinae.Efimov M.B., Storrs G.W. (2000), p. 395
Acht jaar na de ontdekking van Tchoiria namsari meende men andermaal restanten van een nieuwe Tchoiria-soort gevonden te hebben, ditmaal in de Hühteeg-formatie bij Hüren Dukh (Mongolië). De soort kreeg aanvankelijk de naam Tchoiria egloni. Uiteindelijk werd besloten dat de nieuwe soort niet tot het geslacht Tchoiria behoort, maar een nieuw geslacht vertegenwoordigt. De soort werd herdoopt tot Irenosaurus egloni.Efimov M.B., Storrs G.W. (2000), p. 398 Irenosaurus en Tchoiria leefden weliswaar in dezelfde periode en hetzelfde gebied en waren beide leden van de orde der Choristodera, maar ze waren niet nauw verwant. Dit is een typisch voorbeeld van convergente evolutie. Tchoiria behoort tot de onderorde der Neochoristodera, terwijl Irenosaurus een veel basalere plek in de Choristodera-stamboom heeft ingenomen, vlak boven Lazarussuchus. Er dienen echter meer resten van Irenosaurus gevonden te worden om meer zekerheid over deze plaats in de cladistiek te krijgen.
Dertig jaar nadat de eerste resten van een Tchoiria-soort werden gevonden, werden in 2005 opnieuw resten gevonden van een dier dat sterk op Tchoiria namsari leek. De resten bestonden uit een onvolledig skelet en een schedel, waarvan enkele fragmenten ontbraken. Nader onderzoek toonde aan dat het hier werkelijk om een soort van het geslacht Tchoiria ging. Deze resten weken niet alleen morfologisch af van die van Tchoiria namsari, ze werden zowel in Mongolië als in China gevonden. De soort werd Tchoiria klauseni gedoopt.Ksepka, D. (2000)
Anatomie en morfologie thumb|Volledig skelet van Tchoiria in het Experimentarium in Denemarken. thumb|Voorzijde van het skelet van Tchoiria in het Experimentarium in Denemarken. De schedel is op deze foto goed te zien. thumb|Bij deze schedel van de verwante choristodere Champsosaurus laramienensis zijn de grote openingen achter de oogkassen goed te zien. Qua uiterlijk leek Tchoiria op een krokodilachtige met dunne kaken, zoals tegenwoordige gavialen, hoewel Tchoiria en andere leden van de Choristodera niet direct verwant zijn met de krokodilachtigen. Omdat beide groepen waterdieren waren met een vergelijkbare levenswijze, was sprake van convergente evolutie. Tchoiria had een gemiddelde lengte voor een lid van de familie der Simoedosauridae. Met een lengte tot anderhalve meter was Tchoiria echter klein vergeleken bij grote soorten van het verwante geslacht Champsosaurus die wel drie meter lang konden worden.
Huid De huid week af van die van krokodilachtigen en bevatte geen verbeende insluitingen, ook wel osteodermen genoemd. De huid was bedekt met kleine, niet-overlappende schubjes, zoals bij hagedissen en varanen. De staart was glad en enigszins zijwaarts afgeplat. Waarschijnlijk bevatte de huid weinig onregelmatigheden, wat ook zou gelden voor andere leden van de Choristodera.Palmer D., Cox B., Gardiner B., Harrison C., Savage R.J.G. (2000), p. 84 Dit is gebleken uit een huidafdruk van een mogelijk lid van de familie der Champsosauridae, vermoedelijk Champsosaurichnus.
Schedel De neusgaten zaten op de punt van de snuit en niet op een hoger gelegen knobbel zoals bij krokodilachtigen. Net als hedendaagse krokodilachtigen hoefde Tchoiria zijn kop slechts een klein stukje uit het water op te tillen, waardoor hij een potentiële prooi ongezien kon naderen en verrassen. Tchoiria kon gewoon ademen bij het bespieden en benaderen van de prooi.
De ogen zaten goed ingebed in de beschermende oogkassen, hoog en in het midden van de schedel, waardoor ze naar boven gericht stonden. Tchoiria had daardoor bij het kijken boven water wel een kleiner gezichtsveld dan moderne krokodilachtigen. Tchoiria zou zijn kop dan hoger uit het water hebben moeten tillen, waardoor prooien hem misschien eerder konden opmerken.
De grote gaten achter in de schedel, achter de oogkassen, lijken op het eerste gezicht de oogkassen te zijn, maar in feite zijn dit grote gaten die de schedel lichter maken. Aan de richels boven de gaten zaten zeer grote kaakspieren bevestigd, die voor een grote bijtkracht zorgden. De kaken konden ook zeer snel dichtklappen, iets dat soms moeilijk gaat in het water, zeker met de lange kaken van Tchoiria.
De kop van Tchoiria had lange kaken die voorzien waren van rijen spijkervormige tanden. De tanden waren iets breder dan spijkers en hadden geen kartelranden. Zij leken oppervlakkig op die van de nijlkrokodil, maar waren scherper en kleiner. Voor in de bek waren de tanden het grootst. Ze stonden hier iets naar achter gebogen. Dit kwam doordat de punt van de snuit naar onder wees en daardoor een hoek van zo'n honderdtwintig graden maakte. Aan het begin van de hoek gaat de kaak namelijk abrupt omhoog. De bovenkaak was een klein stukje langer dan de onderkaak en daardoor paste de onderkaak precies in deze hoek, wat ervoor zorgde dat de tanden in de bek waarschijnlijk niet zichtbaar waren als de bek gesloten was. Dit zorgde voor een kleine overbeet, iets dat wel vaker gezien wordt bij krokodilachtige roofdieren zoals leden van de orde der Phytosauria, leden van de familie der Proterosuchidae, leden van de familie der Erythrosuchidae, andere leden van de Choristodera als Champsosaurus en Simoedosaurus en bij sommige uitgestorven en levende krokodilachtigen zoals leden van de familie der Protosuchidae en de hedendaagse gangesgaviaal. Deze hoek belette het prooidier om te ontsnappen als het eenmaal gevangen was. Ook op het verhemelte zaten tanden. Deze waren in twee rijen verdeeld en waren ook bedoeld om de prooi de mogelijkheid tot ontsnapping te ontnemen. Deze tanden stonden zeer scherp naar achteren en laten zien dat Tchoiria niet tot de meer afgeleide archosauromorfen behoort. Vele primitieve geslachten hadden dit. De spijkerachtige tanden waren ideaal voor het vangen van snelle en glibberige vis. Het is niet bekend of er nieuwe tanden in de plaats kwamen als er oude tanden beschadigd waren of uitvielen, zoals bij krokodilachtigen het geval is.
De kaken van Tchoiria waren lang en dun, en hoewel ze er kwetsbaar uitzagen waren ze sterker dan ze leken. In het water waren ze zeer handig omdat ze gestroomlijnd waren, hoewel sommige verwante geslachten als Champsosaurus zulke lange kaken hadden dat deze hen afremden. Zijn lange kaken gaven Tchoiria een silhouet dat op een uitgerekte torpedo lijkt.
Ruggengraat De schedel was horizontaal bevestigd aan de ruggengraat. Dit duidt erop dat Tchoiria moeilijk of niet op twee poten kon lopen, zoals de meeste reptielen. De ruggengraat was erg lang en zeer slank. De wervels hadden geen rare uitsteeksels of oneffenheden, hoewel de wervelkolom bij de staart iets afgeplat was. De ruggengraat zat ook horizontaal aan het bekken vast, evenals de staart. De staart was iets minder lang dan het lichaam en de kop samen en lichtelijk afgeplat. Het einde van de staart was spits. Er zat geen vin aan, zoals bij walvissen, ichthyosauriërs of leden van de familie der Metriorhynchidae binnen de krokodilachtigen en ook geen peddel, zoals bij leden van de familie der Mosasauridae binnen de Squamata.
Ledematen De poten waren vrij kort en niet geschikt om te rennen of te springen. De poten waren wel aangepast aan de zwemmende levenswijze. Hierdoor liep Tchoiria vermoedelijk op een manier die ook gezien wordt bij hedendaagse krokodilachtigen. Dat wil zeggen dat het reptiel met de buik over de grond sleepte of zich net boven de bodem bewoog. De robuuste poten konden langs het lijf gevouwen worden als Tchoiria met zijwaartse golfbewegingen zwom. De voeten hadden vijf lange tenen met grote klauwen. Mogelijk zaten er tussen de tenen zwemvliezen.
Algemene opbouw van het skelet
Stofwisseling Net als andere leden van de Choristodera was Tchoiria koudbloedig en dus sneller moe dan warmbloedige dieren. Tchoiria kroop daarom 's morgens vroeg aan land om de eerste zonnestralen op te vangen en om zo op te warmen. Het dier was uitgesproken dagactief. Overdag was het even actief als warmbloedige dieren, maar 's nachts was het traag en onbeholpen. Het is daarom waarschijnlijk dat Tchoiria zijn nachten eventueel in een hol nabij het water doorbracht. Zo kon hij zich schuilhouden als er een groot roofdier naderde.
Koudbloedig zijn heeft ook voordelen. Omdat er niet constant energie wordt besteed om de lichaamstemperatuur hoog te houden, hoeft een koudbloedig dier minder te eten dan warmbloedige dieren. Sommige koudbloedige dieren kunnen wel een half jaar tot negen maanden zonder eten als het moet. Dit gold vermoedelijk ook voor Tchoiria.
Levenswijze