thumb|260px|Bevelhebbers van het Noordelijke en Zuidelijke leger tijdens de veldtocht: generaals Meade en Lee

De Gettysburgveldtocht vond plaats in juni en juli 1863 tijdens de Amerikaanse Burgeroorlog. Na de Zuidelijke overwinning in de Slag bij Chancellorsville opende generaal Robert E. Lee met zijn Army of Northern Virginia het offensief tegen Maryland en Pennsylvania. De Noordelijke Army of the Potomac onder leiding van generaal-majoor George G. Meade versloeg Lee in de Slag bij Gettysburg maar liet hem ontsnappen naar Virginia.

Op 3 juni 1863 verbrak Lees leger contact met het Noordelijke leger bij Fredericksburg, Virginia. Op 9 juni vond de grootste cavalerieslag plaats van de oorlog bij Brandy Station. De Zuidelijken trokken via de Blue Ridge Mountains en Shenandoahvallei op naar Winchester waar ze het Noordelijk garnizoen versloegen tussen 13 juni en 15 juni. Het tweede korps van Lees leger stak de Potomac over en trokken op naar Maryland en Pennsylvania. Ze bereikten de Susquehanna en bedreigden Harrisburg in Pennsylvania. De Army of the Potomac had de achtervolging ingezet en bereikte Frederick, Maryland voor Lee goed en wel besefte dat de Noordelijken eveneens de Potomac hadden overgestoken. Lee reageerde vlug en concentreerde zijn leger bij Gettysburg in Pennsylvania.

De Slag bij Gettysburg was de grootste van de oorlog. Het begon als een toevallig treffen op 1 juli waarbij de Zuidelijken de overhand hadden. Ze verjoegen een Noordelijke cavaleriekorps en twee infanteriekorpsen van hun defensieve stellingen naar Cemetery Hill. Op 2 juli hadden de meeste eenheden het slagveld bereikt. Lee opende een aanval op de beide vijandelijke flanken maar werd na zware gevechten en zware verliezen voor beide partijen teruggeslagen. Op 3 juli concentreerde Lee zich op het vijandelijke centrum. Toen de infanterieaanval onder leiding van Pickett mislukte, gaf Lee het bevel tot de terugtocht die op 4 juli begon.

De Zuidelijke terugtocht werd bemoeilijkt door slecht weer, slechte wegen en verschillende schermutselingen van de Noordelijke cavalerie. Toch slaagde Meade er niet in om de terugtocht af te snijden. De Army of Northern Virginia kon in de nacht van 13 op 14 juli de Potomac oversteken.

Achtergrond Kort na de Zuidelijke overwinning bij Chancellorsville op Hookers Army of the Potomac nam Lee de beslissing om een tweede keer het noorden binnen te vallen. Dit zou de Noordelijke plannen voor de zomerveldtocht danig in de war sturen. Lee hoopte zo zijn leger naar de rijke en onbeschadigde landbouwgebieden van Maryland en Pennsylvania te leiden waar zijn soldaten van de opbrengst van het land zouden kunnen leven. Lee kon ook Philadelphia in Pennsylvania, Baltimore in Maryland en Washington D.C. bedreigen om zo de groeiende vredesbeweging in het noorden te ondersteunen.

In essentie was Lees strategie vrijwel identiek aan deze van de Marylandveldtocht in 1862. Lee had onlangs ontdekt hoe generaal-majoor George B. McClellan hem had verslagen in deze veldtocht. Lee ontdekte dat de Noordelijken zijn Special Order 191 in handen hadden gekregen waardoor de Noordelijken hem hadden gedwongen om bij Antietam te vechten voor hij zijn volledig leger kon concentreren. Dit versterkte Lee in zijn overtuiging dat hij bij een tweede invasie de Noordelijken kon verslaan door zijn leger beter te concentreren.Sears, pp. 13-14.

Samenstelling van de legers bij het begin van de veldtocht Noordelijke korpsbevelhebbers

De Noordelijken De Army of the Potomac stond initieel onder leiding van generaal-majoor Joseph Hooker (Generaal-majoor George G. Meade verving Hooker vanaf 28 juni). Het leger telde 90.000 soldaten en waren als volgt ingedeeld:Eicher, pp. 502-03. I Corps onder leiding van generaal-majoor John F. Reynolds waaronder de divisies van brigadegeneraal James S. Wadsworth, brigadegeneraal John C. Robinson en generaal-majoor Abner Doubleday. II Corps onder leiding van generaal-majoor Winfield S. Hancock waaronder de divisies van brigadegeneraals John C. Caldwell, John Gibbon en Alexander Hays. III Corps onder leiding van generaal-majoor Daniel E. Sickles waaronder de divisies van generaal-majoor David B. Birney en generaal-majoor Andrew A. Humphreys. V Corps onder leiding van generaal-majoor George Sykes (George G. Meade tot 28 juni) waaronder de divisies van brigadegeneraals James Barnes, Romeyn B. Ayres en Samuel W. Crawford. VI Corps onder leiding van generaal-majoor John Sedgwick waaronder de divisies van brigadegeneraal Horatio G. Wright, brigadegeneraal Albion P. Howe en generaal-majoor John Newton. XI Corps onder leiding van generaal-majoor Oliver O. Howard waaronder de divisies van brigadegeneraal Francis C. Barlow, brigadegeneraal Adolph von Steinwehr en generaal-majoor Carl Schurz. XII Corps onder leiding van generaal-majoor Henry W. Slocum waaronder de divisies van brigadegeneraals Alpheus S. Williams en John W. Geary. Cavalry Corps onder leiding van generaal-majoor Alfred Pleasonton waaronder de divisies van brigadegeneraals John Buford, David McM. Gregg en H. Judson Kilpatrick. Artillery Reserve onder leiding van brigadegeneraal Robert O. Tyler.

Tijdens de opmars naar Gettysburg was generaal-majoor Reynolds de bevelhebber van de linkervleugel van het leger met het I, III en XI Corps.Coddington, p. 122. Tijdens de veldtocht ook nog andere Noordelijke eenheden actief die niet deel uitmaakten van de Army of the Potomac zoals het IV Corps, militie-eenheden van het Department of the Susquehanna en verschillende garnizoenen waaronder die van Harpers Ferry.

Zuidelijke korpscommandanten

De Zuidelijken Na de dood van luitenant-generaal Thomas J. "Stonewall" Jackson na de Slag bij Chancellorsville reorganiseerde Lee 75.000 man sterk leger in drie infanteriekorpsen in plaats van twee.Eicher, p. 503. First Corps, Army of Northern Virginia werd aangevoerd door luitenant-generaal James Longstreet waaronder de divisies van generaals-majoor Lafayette McLaws, George E. Pickett en John Bell Hood. Second Corps, Army of Northern Virginia werd aangevoerd door luitenant-generaal Richard S. Ewell waaronder de divisies van generaals-majoor Jubal A. Early, Edward "Allegheny" Johnson en Robert E. Rodes. Third Corps, Army of Northern Virginia werd aangevoerd door luitenant-generaal A.P. Hill met de divisies van generaals-majoor Richard H. Anderson, Henry Heth en W. Dorsey Pender. Cavalry Corps, Army of Northern Virginia werd aangevoerd door generaal-majoor J.E.B. Stuart waaronder de brigades van brigadegeneraals Wade Hampton, Fitzhugh Lee, Beverly H. Robertson, Albert G. Jenkins, William E. "Grumble" Jones en John D. Imboden en kolonel John R. Chambliss.

Lees opmars naar Gettysburg thumb|400px|Gettysburgveldtocht. Op 3 juni 1863 vertrok Lees leger in noordwestelijke richting vanuit Frederickburg, Virginia. Het korps van A.P. Hill bemande de fortificaties bij Fredericksburg om het Zuidelijke leger in de rug te dekken. Rond 5 juni kampeerden Longstreets en Ewells korpsen bij Culpeper, Virginia.Salmon, pp. 193-94; Loosbrock, p. 272. Op 9 juni stak Stuart de rivier de Rappahannock over en viel de Noordelijke voorposten aan. De opmars van het Zuidelijke leger werd afgeschermd van Noordelijke verkenningseenheden toen het in noordelijke richting marcheerde. Stuart liet zijn mannen overnachten bij Brandy Station, Virginia.Salmon, p. 193; Gottfried, p. 2; Mingus, p. 12.

De Slag bij Brandy Station Hooker interpreteerde Stuarts aanwezigheid rond Culpeper als een indicatie dat de Zuidelijken zijn communicatielijnen zouden aanvallen. Daarom gaf hij het bevel aan Alfred Pleasonton om met 8.000 cavaleristen en 3.000 infanteristen de vijand voor te zijn.Salmon, p. 193. en de 9.500 Zuidelijken te vernietigen.Kennedy, p. 204; NPS website. Pleasonton plande een tangbeweging. De vleugel onder leiding van John Buford zou de rivier oversteken bij Beverly's Ford op ongeveer 3 km ten noordoosten van Brandy Station. Tegelijkertijd zou David Greggs vleugel Kelly's Ford oversteken op ongeveer 10 km ten zuidoosten van de Zuidelijke stellingen. Pleasonton had echter te weinig informatie over de locatie en sterkte van de Stuarts eenheden. Pleasonton dacht dat hij een numeriek overwicht had.Longacre, pp. 62-63; Sears, pp. 64-65; Gottfried, p. 6.

Rond 04.30u op 9 juni stak Buford de Rappahannock over in een dichte mist. Hij overrompelde Grumble Jones' brigade. Enkele eenheden van Jones' brigade kon Bufords opmars net lang genoeg tegenhouden om Stuarts artillerie in veiligheid te brengen. De artillerie werd op twee heuvels opgesteld die de Beverly's Ford Road beheersten. De meeste van Jones' cavaleristen stelden zich op aan de linkerflank terwijl Hamptons brigade de rechterflank vormde. De 6th Pennsylvania Cavalry voerde een charge uit maar werd teruggeslagen bij St. James Church.NPS; Loosbrock, p. 272; Longacre, pp. 66-73; Kennedy, p. 204; Sears, pp. 65-67; Salmon, pp. 194, 198; Eicher, p. 492.

Buford probeerde de Zuidelijke linkerflank te verdrijven en de artillerie in te nemen om de weg vrij te maken naar Brandy Station. Hij leed zware verliezen toen hij Rooney Lees brigade probeerde te verdrijven van een stenen muur bij Yew Ridge. Tot grote verbazing van Buford trokken de Zuidelijken zich terug. Hiermee reageerden ze op de aantocht van de 2.800 sterke cavalerie van Gregg. Hoewel Gregg had geprobeerd om bij het eerste daglicht Kelly's Ford over te steken, had hij toch een vertraging van meer dan 2 uur opgelopen. Tussen Gregg en St. James Church lag de Fleetwood Hill. Dit was de vorige nacht nog het hoofdkwartier geweest van Stuart. Stuart en zijn staff waren de volgende ochtend naar het front gereden. Toch vertraagde een 6-ponds houwitser de opmars van kolonel Percy Windhams brigade. Toen Greggs soldaten de heuvel bestormden, botsten ze op eenheden van Jones' brigade die zich net terugtrokken van St. James Church.NPS; Longacre, pp. 74-78; Sears, pp. 68-70; Gottfried, p. 6;Salmon, pp. 199-201.

Greggs volgende brigade onder leiding van kolonel Judson Kilpatrick viel langs de zuidelijke en oostelijke hellingen van Fleetwood Hill aan om tot de ontdekking te komen dat hun komst samenviel met die van Hamptons brigade. Een reeks van verwarrende aanvallen en tegenaanvallen raasde over de heuvel. De Zuidelijken kregen uiteindelijk de overhand. Terwijl Jones en Hampton hun eenheden naar Fleetwood Hill stuurden, bleef Rooney Lees eenheid de aanvallen van Buford weerstaan terwijl hij zich terugtrok naar de noordelijke zijde van de heuvel. Toen Rooney Lee versterkt werd door Fitzhugh Lee, voerden ze een tegenaanval uit tegen Buford. Pleasonton trok zijn eenheden tegen zonsondergang terug. De 10 uur durende slag was gedaan.NPS; Longacre, pp. 78-85; Sears, pp. 71-72; Gottfried, p. 6; Kennedy, p. 204; Salmon, p. 202; Eicher, p. 492.

Brandy Station was de grootste slag tussen cavalerie van de oorlog.Brandy Station Foundation. Hoewel het een tactische gelijkspel was, eiste Stuart toch de overwinning op omdat Pleasonton zich als eerste had teruggetrokken. Deze slag vestigde de groeiende reputatie van de Noordelijke cavalerie.Sears, pp. 73-74; Longacre, pp. 87-90; Salmon, p. 203; Loosbrock, p. 274.

De Tweede slag bij Winchester Na Brandy Station trok Lees infanterie de Blue Ridge Mountains over waarna ze in noordelijke richting afbogen om de Shenandoahvallei te doorkruisen. Ewells Corps, in de voorhoede, marcheerde door de Chester Gap op 12 juni om daarna via Front Royal naar Winchester, Virginia op te rukken. Longstreets Corps (samen met generaal Lee) nam Ashby's Gap en Snickler's Gap voor hun rekening. A.P. Hill wachtte in Fredericksburg tot Hooker zich had teruggetrokken op 14 juni om dan dezelfde route te volgen van Ewell over de bergen. Stuarts cavalerie bleef ten oosten van Blue Ridge om de Lees leger af te schermen.Sears, p. 74; Salmon, p. 203.