De geschiedenis van het theravadaboeddhisme buiten India begint in het jaar 250 voor Christus met de missies die door keizer Asoka naar verscheidene landen gestuurd werden. Deze missies bestonden uit groepen monniken van de theravada traditie en werden gestuurd naar: Griekse staten in Centraal-Azië (zoals Bactrië) Verschillende landen in het Middellandse Zeegebied Het huidige Zuid-India, Nepal, Myanmar, Thailand en Sri Lanka.
In de verdere geschiedenis van het theravada zijn vooral de missies naar Zuid-India, Sri Lanka, Myanmar en Thailand van groot belang. De reden hiervoor is dat het Theravada zich in deze gebieden min of meer continu gehandhaafd heeft. Er vond in de loop van de geschiedenis vaak wederzijdse versterking en uitwisseling van de lokale theravada tradities tussen deze landen plaats. In de 12e eeuw had het theravada van Sri Lanka veel invloed in Myanmar, Thailand, Cambodja en Laos. Het boeddhisme in Sri Lanka is echter ook daarna nog meerdere malen ondersteund en versterkt door de overige Theravada landen. In de moderne tijd (vanaf circa 1850) is het theravada vooral vanuit Sri Lanka, Myanmar en Thailand bekend geworden in de rest van de wereld.
Sri Lanka Het theravada kwam naar Sri Lanka als gevolg van de missie die door koning Asoka naar Sri Lanka gestuurd was. De leider van deze missie was zijn eigen zoon Mahinda, die monnik was en bekendstond als een arahant, een volledig verlicht persoon. Kort na aankomst van Mahinda in Sri Lanka werd koning Devanampiya Tissa van Sri Lanka een volgeling van het boeddhisme, waarna de rest van het land geleidelijk volgde. Zeven jaar na aankomst van Mahinda (243 v.Chr.) arriveerde ook zijn zus, de boeddhistische non Sanghamitta, in Sri Lanka. Zo was ook de gemeenschap van boeddhistische nonnen in Sri Lanka aanwezig. Sanghamitta nam een tak van de originele Bodhi-boom uit Bodhgaya mee naar Sri Lanka, en deze werd geplant in de Sri Lankaanse hoofdstad Anuradhapura. Mahinda richtte verder het klooster de Mahāvihāra op, wat in de geschiedenis van Sri Lanka het belangrijkste Theravada-klooster was.
De vierde raadsvergadering van het theravada vond plaats in Sri Lanka in 100 v. Christus. Deze vierde raadsvergadering was bijeengeroepen door koning Vattagamani. Een van de doelen was het reciteren en opschrijven van de gehele Pali-canon in een vergadering van 500 monniken, zodat de tot dan toe mondeling overgedragen teksten ook in tijden van tegenspoed bewaard zouden blijven. Deze vergadering, inclusief het te schrift stellen van de teksten, nam drie jaar in beslag.
In de loop der eeuwen kwamen ook andere scholen dan het theravada naar Sri Lanka. Dit waren zowel de andere vroege boeddhistische scholen als het Mahayana en het Vajrayana. Vaak kwamen deze scholen naar Sri Lanka met als doel Sri Lanka te bekeren naar hun eigen school. Het theravada keurde de leer van deze scholen echter af en had veelal een sterke ondersteuner in de persoon van de koning of andere leden van het koninklijk hof. Wanneer de conflicten te hoog opliepen ondersteunden deze het theravada.
In de vijfde eeuw na Christus verzamelde de monnik Boeddhaghosa de verschillende Singhalese commentariële geschriften en vertaalde deze naar het Pali. Op deze manier werd het Sinhalese commentaar dat in de voorgaande eeuwen geschreven was beschikbaar voor de theravadagemeenschap in latere eeuwen en andere landen. Dit markeert verder ook het begin van de groei in de commentariële post-canonische Pali literatuur. Boeddhaghosa stelde ook een invloedrijk (en controversieel) meditatiehandboek samen genaamd (Pali: Het pad der purificatie).
Vanaf de vijfde eeuw na Christus tot het jaar 1050 was de situatie in Sri Lanka niet gunstig voor het boeddhisme. Door politieke conflicten binnen Sri Lanka viel het leger van de Pandyas en later de Cholas verschillende keren vanuit India Sri Lanka binnen. In het jaar 1017 werd Sri Lanka ten slotte veroverd door het Zuid-Indiase Chola-rijk en viel het ten prooi aan de soldaten van de Cholas. In de periode tot 1070 werd de hoofdstad Anuradhapura compleet vernietigd. Vele kloosters in Sri Lanka werden in brand gestoken. In 1070 was er geen enkele monnik of non meer over in heel Sri Lanka.
Sri Lanka verkreeg in het jaar 1070 weer onafhankelijkheid onder leiding van koning Vajayabahu. Die haalde theravada monniken uit Pagan in Myanmar naar Sri Lanka om de Sri Lankaanse gemeenschap van monniken (bhikkhus) weer op te starten. De gemeenschap van theravada nonnen (bhikkhunis) is toen niet meer opnieuw geïntroduceerd in Sri Lanka en is omstreeks het jaar 1300 ook verdwenen uit Myanmar, het laatste land waar er nog bhikkhunis aanwezig waren. thumb|400px|Verspreiding van het Sri Lankaanse theravada (vanaf 12e eeuw na Chr.) In 1153 werd 'Parakramabahu de Grote' koning van Sri Lanka. Hij was een groot supporter van het boeddhisme en onder zijn patronage werd een zevende boeddhistische raadsvergadering georganiseerd onder leiding van de monnik Kassapa. Het theravada won hierdoor veel aan kracht in Sri Lanka en dit werd bekend in de overige theravadalanden, zoals Myanmar, Thailand, Laos en Cambodja, die alle in Sri Lanka opgeleide monniken in hun land verwelkomden. In 1236 heeft Sri Lanka ook nog theravadamonniken uit Kanchipuram in India gehaald om de orde te revitaliseren.
In het jaar 1753 was Sri Lanka weer zonder monniken en riep het de hulp in van de sangha in Thailand om weer theravada monniken in Sri Lanka te krijgen. Dit resulteerde in de huidige Siam-nikaya (Pali: linie of groepering uit Siam, de oude naam voor Thailand). Omdat de Siam-nikaya erg restrictief was in het opnemen van nieuwe monniken, zijn er later nog twee andere nikayas (Pali: linies of groepen) vanuit Myanmar geïntroduceerd in Sri Lanka, waardoor er momenteel drie nikayas in Sri Lanka zijn. De twee andere nikayas heten respectievelijk de Thudhamma Nikaya en de Arañña Nikaya
Het theravada boeddhisme in Sri Lanka heeft ook te lijden gehad onder de koloniale heerschappij van achtereenvolgens Portugal, Nederland en Engeland. De excentrieke Amerikaanse kolonel Henry Olcott van de Theosofische Sociëteit startte vanaf circa 1880 een beweging in Sri Lanka met als doel de bevolking van Sri Lanka zich bewust te maken van de essentiële waarde van hun eigen cultuur en religie. Dit leidde er onder andere toe dat het theravada in Sri Lanka een actievere rol in de maatschappij ging spelen. Ook hielp kolonel Henry Olcott het Theravada om op diverse manieren een passend antwoord te geven op de missionaire activiteiten van de christenen in Sri Lanka, onder andere door het starten van scholen waar kinderen het boeddhisme onderwezen werd.
Sinds 1903 zijn er ook buitenlandse boeddhistische monniken aanwezig in Sri Lanka. Het eerste klooster voor buitenlanders werd in het begin van de twintigste eeuw opgericht en was genaamd 'The Island Hermitage', wat ook heden ten dage nog bestaat en waar nog steeds buitenlandse monniken leven. Het was in 1911 opgericht door de beroemde Duitse eerwaarde monnik Nyanatiloka Bhikkhu. Het aantal buitenlandse monniken in Sri Lanka groeit nog steeds gestaag.
Een snel groeiende stroming in Sri Lanka bestaat uit de bos-kloosters, waar meditatie een belangrijke plaats inneemt en waar veelal meditatietechnieken uit Myanmar gebruikt worden.
Thailand Het theravadaboeddhisme kwam waarschijnlijk naar Thailand als gevolg van de missies van koning Asoka. De Phra Pathom Chedi in Thailand is gebouwd in de 3e eeuw voor Christus, wat overeenkomt met de missies die door koning Asoka naar verschillende werelddelen gestuurd zijn.
Met de groei van het mahayanaboeddhisme in Cambodja en het Sri Vijaya-koninkrijk verkreeg het mahayana geleidelijk een grotere invloed in Thailand, naast het theravada. Met de toenemende macht en invloed van het Mahayanakoninkrijk van de Khmers in Cambodja werd het mahayana de dominante linie in Thailand. Het theravada was echter nog steeds aanwezig als kleinere stroming. De regio's in het zuiden en het noordoosten van Thailand hadden de sterkste Mahayana aanwezigheid. In het noorden en centraal Thailand was het mahayana dominant, maar was het aandeel van theravada ook substantieel.
In 1057 breidde koning Anawratha (ook wel Anuruddha) van Pagan (Myanmar) zijn rijk uit tot in Noord-Thailand. Daar koning Anuruddha het theravada aanhing, groeide de invloed van deze Birmese variant van het theravada in Noord-Thailand. Toen vervolgens de Thais in steeds grotere mate uit China Thailand binnentrokken en in 1257 het eerste 'Thaise' koninkrijk Sukhothai stichtten in het noorden van het huidige Thailand, ondersteunde deze het reeds bestaande theravada. De Thais waren overigens mogelijk vóór hun emigratie uit China ook al boeddhisten (theravada of mahayana).
In 1257 gingen Thaise monniken naar Sri Lanka omdat daar het theravada versterkt was door een recente raadsvergadering en dit in de andere theravada landen bekend werd. Toen deze monniken terugkwamen werd de linie en geschriften die zij mee terug naar Thailand namen de dominante vorm van het theravadaboeddhisme in geheel Thailand. Het mahayana verdween uit Thailand nadat Thailand als natie sterker dan het Khmer-rijk werd en omdat ook in het Khmer-rijk kort voor haar ondergang het theravada boeddhisme populairder werd. Sindsdien is de aanwezigheid van het theravada in Thailand continu geweest, en zijn andere religies en vormen van het boeddhisme in slechts mindere mate aanwezig in Thailand.
In de 19e eeuw ontstond er een tweede linie (nikaya) in Thailand, opgericht door een prins die later koning werd. Deze linie noemde zich de Dhammayoetika Nikaya en zette zich af tegen het geheel van de andere linies in Thailand, later de Mahanikaya genoemd. Tegenwoordig is er geen noemenswaardig verschil meer tussen deze twee ordes, behalve dan dat soms individuele monniken van de andere orde niet mee mogen doen in sommige ceremonieën van de andere orde. De Dhammayoetika Nikaya is veel kleiner dan de Mahanikaya, maar heeft betere connecties met het koningshuis, de regering en de hoge ambtenaren.
Van 1900 tot 1920 heeft de regering van Thailand, onder invloed van de Dhammayoetika nikaya, geprobeerd de orde van monniken meer uniform te maken, en haar standaard van dhamma (leer) en vinaya (discipline) te verhogen. Een van de redenen hiervoor was het boeddhisme in Thailand meer rationeel en minder mystiek te maken, zodat het theravada meer door de westerse landen geapprecieerd zou worden.
Sinds ongeveer 1920 is de Thaise Bostraditie in opmars gekomen en heeft een groeiende bekendheid en een goede reputatie verkregen. Oorspronkelijk bestond zij voornamelijk uit de Dhammayoetika nikaya, maar later ontstonden er ook verschillende bostradities in de Mahanikaya. De voornaamste bosmonniken waren de eerwaardes Ajahn Mun en zijn vriend Ajahn Sao. Zij leefden een min of meer zwervend bestaan in het tropische regenwoud in Thailand, en kregen geleidelijk aan grote bekendheid als gerealiseerde meesters. Hun studenten werden de meer recente meesters in de Thaise Bostraditie. De meest beroemde en invloedrijke latere meesters in de Thaise Bostraditie zijn de eerwaardes Ajahn Lee (†1961), Ajahn Thate (†1994), Ajahn Chah (†1993), Ajahn Mahaboowa en Ajahn Plien. Ajahn Buddhadasa (†1993) was ook een zeer invloedrijke bos-monnik maar was enigszins apart van de andere bos-monniken, omdat hij geen student van Ajahn Mun was en veel nadruk legde op studie van de geschriften, wat de overige bos-monniken niet deden. In 1973 werd het klooster Wat Pah Nanachat (Thai: het internationale bosklooster) door Ajahn Chah en de Amerikaanse monnik Ajahn Sumedho gevestigd, met het doel de traditionele training en levenswijze van bosmonniken in Thailand ook aan westerlingen beschikbaar te stellen. Vanuit Wat Pah Nanachat zijn intussen meer dan vijftien kloosters in het westen geopend.
Thailand is het enige theravada land dat nooit gekoloniseerd is geweest. Het theravada is mede hierdoor sterker in Thailand dan in Sri Lanka en Myanmar.
Myanmar