De gewone doosschildpad, ook wel Carolina-doosschildpad (Terrapene carolina) is een schildpad uit de familie moerasschildpadden (Emydidae).

Het is een middelgrote soort die ongeveer tien tot bijna twintig centimeter lang wordt. Het schild is opvallend bol van vorm en de schildkleur is donkerbruin met opvallende gele tot oranje vlekken en strepen. De buikzijde is geel en heeft vaak een donkere tekening.

De gewone doosschildpad is een van de bekendste soorten moerasschildpadden van Noord-Amerika. De schildpad komt voor in grote delen van de Verenigde Staten en in delen van Mexico. In Canada is het dier al honderden jaren geleden uitgestorven. De habitat bestaat uit graslanden, bossen en weilanden. De schildpad eet zowel planten als kleine dieren en ook aas wordt gegeten.

De gewone doosschildpad behoort tot de moerasschildpadden maar is een echte landbewoner. De doosschildpadden worden vaak verward met landschildpadden. Het schild lijkt meer op dat van een landschildpad en ook zijn de poten stomper en hebben slechts kleine zwemvliezen, in tegenstelling tot de meer verwante moerasschildpadden. De gewone doosschildpad kan de voor- en achterzijde van het buikschild omhoog klappen om het lichaam te beschermen en heeft hierdoor niet veel te duchten van vijanden.

Naamgeving en taxonomie De gewone doosschildpad werd vermeld door Carl Linnaeus in de tiende editie van Systema naturae uit 1758 als Testudo carolina. Later werd de naam Testudo caroliniana gebruikt door Daudin (1802). Étienne Geoffroy Saint-Hilaire beschreef de soort in 1829 als Emys tritentaculata. André Marie Constant Duméril en Gabriel Bibron gebruikten in 1854 de naam Cistudo carolina.

De naam 'doosschildpad' slaat op het feit dat de schildpad alle ledematen en de kop kan insluiten binnen het schild. De schildpad wordt 'gewone' doosschildpad genoemd omdat het de meest algemeen voorkomende soort is van de doosschildpadden uit het geslacht Terrapene. De gewone doosschildpad wordt in de Nederlandse taal ook wel aangeduid met de namen Carolina-doosschildpad en doosschildpad van Carolina.

In andere talen wordt ook vaak een naam gebruikt die overeenkomt met het Nederlandse 'gewone doosschildpad', zoals de Engelse naam 'common box turtle', het Spaanse 'tortuga de caja común', het [Frans]e 'tortue-boîte commune' en het Duitse 'gewöhnliche Dosenschildkröte'. In de Engelse taal is de soort ook wel bekend als de 'eastern box turtle'.

De wetenschappelijke geslachtsnaam Terrapene is afgeleid van het Algonkische woord voor "kleine schildpad". De soortaanduiding carolina verwijst naar een deel van het verspreidingsgebied; de Carolina's. Hiermee worden de staten North- en South Carolina bedoeld, waar de schildpad voor het eerst werd beschreven. De ondersoort Terrapane carolina bauri is vernoemd naar Georg Baur (1859–1898) en is een eerbetoon aan zijn onderzoek naar het buikschild van de dieren.

Ondersoorten Er worden tegenwoordig drie verschillende ondersoorten erkend. Lange tijd werden zes ondersoorten erkend, maar de helft hiervan wordt tegenwoordig tot andere soorten gerekend. De voormalige ondersoort Terrapene carolina mexicana wordt tegenwoordig als een volwaardige soort gezien; Terrapene mexicana. De voormalige ondersoorten van de gewone doosschildpad Terrapene carolina triunguis en Terrapene carolina yucatana worden tegenwoordig beschouwd als ondersoorten van eerder genoemde Terrapene mexicana (Terrapene mexicana triunguis respectievelijk Terrapene mexicana yucatana).

Er is ook een uitgestorven ondersoort beschreven; Terrapene carolina putnami. Deze ondersoort is al lange tijd uitgestorven en is alleen als fossiel bekend. De schildpad leefde vermoedelijk in het Plioceen en was met een schildlengte van meer dan 30 centimeter de grootst bekende doosschildpad.

Onderstaand een tabel van de drie ondersoorten met het verspreidingsgebied, enkele kenmerken en een afbeelding. Kenmerken van de drie ondersoorten Afbeelding Naam Verspreidingsgebied Uiterlijke kenmerken 100px Florida-doosschildpad(Terrapene carolina bauri)Taylor, 1895 Florida Schildlengte ongeveer elf centimeter, breedte ongeveer acht cm. Gestreepte gele vlekken op het rugschild. Drie tenen aan de achterpoten. 100px Carolina-doosschildpad(Terrapene carolina carolina)Linnaeus, 1758 Het grootste deel van het verspreidingsgebied. Schildlengte ongeveer vijftien centimeter, breedte ongeveer tien cm. Gele vlekken en strepen op het rugschild. Vier tenen aan de achterpoten. 100px Grote doosschildpad(Terrapene carolina major)Agassiz, 1857 Alabama, Florida, Georgia, Louisiana, Mississippi, Texas Schildlengte ongeveer achttien centimeter, breedte ongeveer twaalf cm. Meestal gele vlekken op het schild. Vier tenen aan de achterpoten.

Verspreiding en habitat thumb|430px|left|Verspreiding van de verschillende soorten dooschildpadden.

De gewone doosschildpad komt voor in bijna heel zuidelijk Noord-Amerika en in grote delen van Mexico.

In de Verenigde Staten komt de schildpad voor in de staten Alabama, Arkansas, Connecticut, Delaware, Florida, Georgia, Illinois, Indiana, Kansas, Kentucky, Louisiana, Maine, Maryland, Massachusetts, Mississippi, Missouri, New Hampshire, New Jersey, New York, Ohio, Oklahoma, Pennsylvania, North Carolina, South Carolina, Michigan, Tennessee, Texas, Virginia, West Virginia. De populaties in de staten New York en oostelijk Kansas bestaan uit geïsoleerde gebieden.In Mexico is de schildpad te vinden in de staten Campeche, Quintana Roo, San Luis Potosí), Tamaulipas, Veracruz en Yucatán.

De gewone doosschildpad wordt soms ook aangetroffen in Canada in de zuidelijke delen van de provincie Ontario. Het betreft hier echter uitgezette huisdieren, de gewone dooschildpad komt tegenwoordig niet voor in Canada. De soort heeft hier zich vroeger wel gevestigd, uit onderzoek blijkt dat de schildpad na 1500 is uitgestorven.

De hoogte boven zeeniveau waarop de schildpad leeft varieert sterk. In laaggelegen delen van het areaal komen de dieren voor van zeeniveau tot ongeveer 165 meter boven zeeniveau en zelden tot 215 meter. In hooggelegen delen zoals de Appalachen komt de schildpad voor tot 1300 meter boven zeeniveau.

Habitat De schildpad komt voornamelijk voor in open delen van bossen en is niet zo afhankelijk van water als de meeste andere moerasschildpadden. De schildpad dan ook kan ver van het oppervlaktewater worden aangetroffen. Het lichaam is hierop zelfs aangepast; de gewone doosschildpad lijkt uiterlijk meer op een landschildpad dan op de familie van waterschildpadden waartoe het dier behoort. In grote delen van het verspreidingsgebied is de schildpad ook te vinden in vochtige gebieden zoals weilanden en drassige weiden. In de warmere delen van het jaar verplaatsen veel doosschildpadden naar de omgeving van de oevers van wateren.

Bosbranden hebben een sterk negatieve invloed op veel bosbewonende dieren maar voor sommige populaties van de gewone doosschildpad is een bosbrand van groot belang. Oude bossen zijn namelijk niet geschikt als habitat en bosbranden zorgen voor grote open plekken zodat het bos niet dichtgroeit.De gewone doosschildpad is ook wel aangetroffen in grotten, maar dergelijke omgevingen zijn niet geschikt als permanente habitat.

Doordat de schildpad over de gehele wereld als een exotisch huisdier wordt gehouden duikt het dier op verschillende plaatsen op in het wild.

Uiterlijke kenmerken thumb|260px|Schuin vooraanzicht van de gewone doosschildpad. thumb|260px|Zijaanzicht van een exemplaar met een gesloten schild, voorzijde links De gewone doosschildpad bereikt een schildlengte van ongeveer 15 tot 20 centimeter, de schildlengte verschilt enigszins per ondersoort. De naam 'doosschildpad' is te danken aan het scharnierende buikschild dat letterlijk als een doosje kan worden gesloten. Mannetjes worden iets groter dan vrouwtjes en hebben een afgeplatte bovenzijde van het rugschild en een hol voorste deel van het buikschild. Dit laatste dient om op een vrouwtje te klimmen tijdens de paring.

Kop De kop van de gewone doosschildpad is relatief klein, de bek is snavelachtig en de snuit is niet verlengd. Het bovenste deel van de bek is iets gekromd en heeft geen inkeping. De relatief grote ogen hebben bij de vrouwtjes een bruine kleur en bij de mannetjes een oranje of minder vaak een witte kleur. Een enkele keer is een vrouwtje met oranje ogen of een mannetje met bruine ogen aan te treffen, zodat het voor de leek vaak niet eenvoudig is het geslacht te kunnen onderscheiden.De huid van de kop is bij de vrouwtjes overwegend bruinachtig en kan bij de mannetjes variëren van bruin met allerlei kleurentekeningen van geel tot oranje.

Rugschild De lengte van het rugschild verschilt per ondersoort, de Carolina-doosschildpad is gemiddeld de kleinste soort en de grote doosschildpad wordt het grootst. De Carolina-doosschildpad bereikt een schildlengte van 11,5 tot 15,2 centimeter en wordt maximaal 19,8 cm lang. De Florida-doosschildpad wordt gemiddeld 12,5 tot 16,5 lang en maximaal 18,7 cm. De grote doosschildpad kan een maximale rugschildlengte bereiken van 21,6 centimeter maar de meeste exemplaren blijven kleiner.

De kleur van het rugschild is geelbruin tot donkerbruin of zwart, met op het schild een gele lijnen- of vlekkentekening die zowel een stervormig patroon kunnen vormen of wat simpeler kunnen zijn. Het schild is vaak voorzien van een zeer variabel patroon van gele vlekken en strepen. Op ieder schild aan de bovenzijde komen vaak meerdere van deze gele patronen voor, veel strepen overlappen meerdere schilden. Een gestreept patroon op het rugschild komt met name voor bij de Florida-doosschildpad (Terrapene carolina bauri). De andere twee ondersoorten hebben meestal vlekken (Terrapene carolina major) of vlekken en strepen (Terrapene carolina carolina).Hierbij moet opgemerkt worden dat langs de randen van de verspreidingsgebieden van de ondersoorten ook hybriden voorkomen die uiterlijk een mengsel zijn van twee ondersoorten. Het is soms niet meer mogelijk om te bepalen tot welke ondersoort een exemplaar behoort.

Het rugpantser of carapax van de schildpad is ovaal van vorm en is sterk gewelfd; dit betekent dat het schild enigszins koepelvormig is. Het rugschild van de gewone doosschildpad is relatief boller en hoger in vergelijking met de meeste moerasschildpadden die juist een meer gestroomlijnd en plat rugschild hebben. Het schild is ook vrij langwerpig van vorm. Het schild is afgerond aan de voorzijde en de rugschilden aan de achterzijde van het schild zijn niet stekelachtig. Dit is een verschil met enkele gelijkende soorten.

Het rugschild heeft een gladde achterrand en de schubben hebben hier geen doornige uitsteeksels zoals bij andere waterschildpadden het geval is. Het rugschild is verdeeld in verschillende rijen hoornplaten die de schilden worden genoemd. De schilden op de middelste rij worden de vertebraalschilden genoemd, die aan weerszijden hiervan zijn de costaalschild en die aan de rand worden aangeduid met de marginale schilden. De vertebraalschilden zijn altijd breder dan lang. Het eerste vertebraalschild, gezien vanaf de kop, staat erg steil omhoog in een hoek van ten minste 50 graden. Op het midden van de tweede tot en met de vierde vertebraalschild is een kleine opstaande kiel aanwezig.

Buikschild left|thumb|360px|Buikschilden van de gewone doosschildpad:

Het buikpantser is geel tot bruin van kleur, met allerlei overgangskleuren en tekeningen, afhankelijk van de ondersoort. Bij veel exemplaren zijn vlekken of strepenpatronen aanwezig, maar het buikpantser kan ook geheel ongekleurd zijn. Het buikschild is nooit voorzien van een duidelijk doolhof-achtig patroon zoals bij de gelijkende sierdoosschildpad het geval is.