De Openbare Bibliotheek Brugge, gevestigd in cultuurcentrum Biekorf, is een openbare instelling in Brugge.

1796: ontstaan met William Frederic Edwards De stichting van de stadsbibliotheek gebeurde in het jaar 1796, kort nadat de Belgische provincies bij Frankrijk waren ingelijfd. In 1794 had het Frans bestuur de oprichting bevolen van een openbare bibliotheek in ieder departementshoofdplaats, die zou werken binnen de op te richten 'École Centrale', ook in Brugge. Deze school werd ondergebracht in de ruime lokalen van de afgeschafte Duinenabdij. Omwille van allerhande problemen opende ze trouwens pas in januari 1798.

De bibliotheek die verplicht bij een École centrale hoorde, moest volgens de wetgeving de nodige lectuur bezorgen, niet alleen voor de leraars en leerlingen van de school, maar ook voor het bredere publiek van de stad en omgeving. De twintigjarige Engelsman William Frederic Edwards werd als eerste bibliothecaris op 21 december 1797 officieel aangesteld. Een jaar later opende de bibliotheek haar deuren.

Voor het fonds van deze bibliotheek had men keuze te over, gelet op de afschaffing van de kloosters en de inbeslagname van hun boekenbezit. In een van Edwards' verslagen staat vermeld dat de bibliotheek kort na de stichting 42.000 boeken bezat. Na korte tijd was dit geklommen tot 77.000 werken, maar na een meedogenloze schifting bleven slechts 6.000 boeken bewaard. Later werd dit aangevuld door aankopen van nieuwe boeken en ook door zendingen vanuit Parijs, waarbij de Parijse bibliothecaris Joseph-Basile Van Praet er over waakte dat de bibliotheek in zijn geboortestad goed werd bediend.

Edwards stelde, met de hulp van een paar medewerkers, onder wie Pierre Clemens, een handgeschreven catalogus op, die vanaf 1804 beschikbaar was. Zodoende is het oorspronkelijke bezit van de bibliotheek goed bekend. Prefect Justin de Viry gaf in 1804 een ruime beschrijving van de inhoud van de bibliotheek in de Mémoire statistique du département de la Lys.

In 1803 verving het Lycée (een nieuwigheid bevolen door Bonaparte) de École Centrale, althans op papier, want het duurde nog tot 1808 alvorens het Lycée, bestuurd door de stad Brugge, haar deuren opende. Ondertussen werkte de École Centrale gewoon door en Edwards bleef er les geven. De bibliotheek deed al onmiddellijk de overstap naar de stad, zonder echter dat de bibliothecaris hierin volgde. Resultaat was dat ze van 1804 tot in 1808 gesloten bleef. Dat jaar vertrok Edwards naar Parijs, waar hij aan een succesrijke wetenschappelijke carrière begon.

1808-1838 onder bibliothecaris Pierre-Jacques Scourion Was de bibliotheek aanvankelijk opgericht door het departement en in de schoot van het nieuw opgerichte middelbaar onderwijs, vanaf 1808 werd het anders en kon men voortaan van een door het stadsbestuur geleide bibliotheek spreken. Dit was eigenlijk al zo vanaf 1804, ingevolge een consulair decreet, maar het duurde nog even voor de stad zich daar wel om bekommerde. Pas na het vertrek van Edwards werd een bibliothecaris vanwege de stad aangesteld. Het ging om Pierre-Jacques Scourion (Boulogne-sur-Mer, 18 juni 1767 - Brugge, 4 september 1838), die ook al stadssecretaris was en beide functies voortaan en tot aan zijn dood zou bekleden. In feite bleef de bibliotheek op zijn oorspronkelijke plaats in de voormalige Duinenabdij en was er ontoegankelijk, tenzij voor de bibliothecaris zelf. In 1819 kwam hierin verandering en werden de boeken overgebracht naar de gotische zaal van het stadhuis, waar ze tot in 1884 als openbare bibliotheek zouden beschikbaar zijn voor het publiek.

Scourion zou aan een nieuwe catalogus werken, maar daar kwam niets van in huis. Wel begon de bibliotheek stilaan uitbreiding te kennen, door jaarlijkse aankopen en door legaten en giften. De meest spectaculaire aanwinsten, die nog steeds tot de meest waardevolle werken van de stadsbibliotheek behoren, waren de royale giften van incunabelen door Joseph-Basile Van Praet en van handschriften met miniaturen (onder meer getijdenboeken) door Thomas-Louis de Schietere de Lophem (1769-1824).

In 1828 dacht Scourion dat hij zou kunnen de bibliotheek in andere handen overlaten. De pas afgestudeerde Jules Van Praet werd zijn hulpbibliothecaris. Maar de jonge man, die in 1830 ook stadsarchivaris werd, verliet weldra Brugge om aan zijn grote carrière in de schaduw van koning Leopold I te beginnen.

Er kwam een catalogus van de persoonlijke bibliotheek van Scourion, toen die na zijn dood werd geveild. Het bleek dat hij voor zichzelf een verzameling had aangelegd van circa 35.000 werken, heel wat méér dan de stadsbibliotheek zelf.

1838-1842: onder bibliothecaris Joseph Delepierre Na de dood van Scourion in september 1838 heerste enkele weken onduidelijkheid. Moest de betrekking van bibliothecaris samengevoegd worden met deze van stadsarchivaris, een positie waar de stad intussen al enkele sollicitaties voor ontvangen had? De keuze werd al snel gemaakt om er toch twee aparte functies van te maken. Tijdens de gemeenteraadszitting van 10 november 1838 werd daarom niet alleen Pierre Bogaerts tot archivaris aangesteld, maar ook Joseph-Octave Delepierre (Brugge, 12 maart 1802 - Londen, 16 augustus 1879) tot stadsbibliothecaris benoemd, met een jaarlijkse vergoeding van 1200 frank.BRUGGE, Stadsarchief Brugge, Modern Archief, XII 380, Archives An V - 1850: klad van een brief aan Joseph Delepierre en aan Pierre Bogaerts, 15 november 1838. Delepierre was ook al provinciaal archivaris, en had daarnaast een advocatenpraktijk. Tijdens de enkele korte jaren van zijn bestuur bracht hij beweging in de bibliotheek. Er kwam een reglement en de bibliotheek was voortaan dagelijks toegankelijk. Het aantal boeken steeg tot 12.000. Het aantal bezoekers ging in stijgende lijn. Hij slaagde erin een eerste algemene catalogus op te maken. In 1842 diende Delepierre echter zijn ontslag in en begon hij aan zijn succesvolle diplomatieke en literaire carrière in Engeland.

1842-1870: onder bibliothecaris Pierre-Joseph Laude Was de aanwezigheid van Delepierre aan het hoofd van de bibliotheek maar een intermezzo, zijn opvolger zou bijna dertig jaar verantwoordelijkheid over het stedelijke boekenbezit dragen. Pierre-Joseph Laude (Lagnicourt, 26 februari 1794 - Brugge, 6 januari 1870) was tegelijk ook leraar Grieks en literatuur aan het Brugse atheneum. In 1847 verscheen eindelijk, van zijn hand, een volledige en bruikbare catalogus van de bibliotheek. Hij stelde ook een catalogus op van de talrijke handschriften die de bibliotheek bewaarde. De bibliotheek kreeg er ook een prentenkabinet bij, ingevolge de schenking door de collectioneur John Steinmetz. Het boekenbezit steeg tot circa 25.000 boeken. Om de bibliothecaris te adviseren bij de aankopen werd een commissie opgericht, die bestond uit enkele voorname Brugse boekenliefhebbers.

1870-1907: onder bibliothecaris Gustaaf-Julien Claeys thumb|left|Tolhuis op de Jan van Eyckplein Gustaaf-Julien Claeys (Brugge, 4 november 1844 - 18 juni 1907) zou nog een langere termijn dan zijn voorganger de bibliotheek leiden. Opnieuw was hij slechts bibliothecaris (of 'boekenbewaarder' zoals hij in Brugse administratieve teksten werd genoemd) als bijberoep, want hoofdzakelijk was hij advocaat en later ook nog hoogleraar aan de universiteit in Gent. Claeys zorgde voor méér openingsuren, met als gevolg méér raadplegingen en uitleningen. Hij vroeg tevergeefs als voltijds bibliothecaris te worden aangesteld, maar daar wilde het bestuur geen geld aan besteden.

In 1876 (het stadsbestuur was sinds kort in handen van een nieuwe, katholieke, meerderheid) werd aan de eerder liberaalgezinde bibliothecaris een bibliotheekcommissie toegevoegd die bestond uit een zestal leden. Er werd beslist dat het boekenbezit onmogelijk verder op het stadhuis kon bewaard blijven en naar het voormalige Tolhuis op de Jan van Eyckplein zou worden overgebracht, waar op de begane grond het stedelijk brandweerkorps werd gevestigd. In 1884 vond de verhuis plaats. Tegen die tijd was het boekenbezit gestegen tot circa 100.000 werken.

1907-1939: onder bibliothecaris Alfons De Poorter Priester Alfons De Poorter (Brugge, 15 januari 1871 - 19 februari 1939) werd de eerder verrassende opvolger van Claeys. Een priester, die tot dan een traditioneel curriculum had gevolgd als collegeleraar en principaal, werd met goedkeuring van het bisdom tot voltijds stadsambtenaar benoemd. De Poortere legde een dubbele fichier aan, op auteursnaam en op onderwerp, in een fichiermeubel dat tot op heden in de bibliotheek Biekorf aanwezig is. Hij zorgde ook voor nieuwe gedrukte catalogi en vooral voor een herwerkte catalogus van de handschriften, met zorgvuldige beschrijving. De Poorter (in de volksmond 'den stenen bisschop' genaamd) was een wetenschapper die het dagelijkse reilen en zeilen van de bibliotheek aan een trouwe assistent overliet. Hij werd nog steeds bijgestaan door een bibliotheekcommissie en op de eerste bladzijde van het verslagboek van de vergaderingen schreef hij een citaat waarin werd gezegd dat een goede commissie bestond uit drie leden, waarvan er twee overleden waren.

Zijn latere opvolger en historicus van de stadsbibliotheek Jan Vandamme, gaf in 1970 het volgende waardeoordeel: Het werk dat hij gedaan heeft moest gedaan worden en is schitterend gedaan. Zijn catalogus van de handschriften blijft na meer dan dertig jaar een werkinstrument van onvervangbare waarde. (...) Maar er waren andere noden en behoeften dan handschriften en wiegedrukken, er was een ander publiek dan historici, bibliofielen en paleografen. Noch de Poorter, noch de bibliotheekcommissie noch het stadsbestuur hadden dit ingezien. Een zeer rijk fonds verarmde bij gebrek aan een evenwichtige aankooppolitiek, verdorde bij gebrek aan een levenwekkende bibliotheekeconomische ontsluiting, in gebouwen die reeds in 1932 te klein werden bevonden en waarvan de drempelvreesaanjagende accommodatie legendarisch werden.

1941-1963: onder bibliothecaris Walter Bossier Bossier deed examen en werd, gelukkig voor hem, benoemd nog voor Groot-Brugge tot stand kwam, zo niet zou na de oorlog zijn benoeming wellicht zijn aangevochten. Tijdens de laatste maanden van de oorlog werden de zeldzame werken ergens in Brugge in een schuilplaats ondergebracht en werden de handschriften en incubabels naar Brussel vervoerd. Ze zouden pas in mei 1945 weer op hun gewone plek terugstaan.

Een gezapig kabbelend instituut Begin september 1943 opende de stad een uitleenbibliotheek in het pand Oude Burg 24 en onderbrak de betaling van een jaarlijkse toelage aan de zes erkende vrije volksbibliotheken. Maar in juni 1944 sloot deze bibliotheek haar deuren en in september, na de Bevrijding, werd (zoals de bibliothecaris het in zijn verslag schreef) deze beslissing van het zwarte bestuur door het wettelijke bestuur opgeheven. De vrije volksbibliotheken hernamen hun taak. Bossier was trouwens van mening dat hij een 'wetenschappelijke' bibliotheek beheerde, en dit niet van het niveau was om ook romans en ander klein werk ter lezing aan te bieden en te laten naar huis meenemen.

De werking van de bibliotheek werd begeleid door een adviescommissie met een tiental leden. In 1947 werd raadsheer bij het Hof van Beroep Joseph Axters er voorzitter van. Op een gezapig tempo werden per jaar enkele honderden nieuwe werken aangekocht, waarbij onder meer bijzondere aandacht werd besteed aan het verwerven van oude Brugse drukken.