De Provisional Irish Republican Army (IRA of PIRA, "Voorlopig Iers Republikeins Leger") washttp://www.independent.co.uk/news/uk/home-news/ira-has-disbanded-terrorist-structure-says-report-917712.html een Iers-republikeinse paramilitaire organisatie die als doelstelling de afscheiding van Noord-Ierland van het Verenigd Koninkrijk had en vervolgens een verenigd Ierland wilde stichten. De Provisionele IRA was actief van 1919 tot 2005, en heeft in die tijd ongeveer 1700 dodelijke slachtoffers gemaakt. Het was de grootste en actiefste republikeinse paramilitaire organisatie tijdens de Troubles. Het zag zichzelf als de opvolger van de originele IRA die actief was tijdens de Ierse Onafhankelijkheidsoorlog (1919-1921) en noemde zichzelf dan ook de Irish Republican Army (IRA) of Óglaigh na hÉireann in het Iers. De IRA is aangemerkt als een terroristische organisatie in het Verenigd Koninkrijk en de Republiek Ierland.
De Provisional IRA ontstond in december 1969, na een breuk in de IRA. In het jaar daarvoor waren de onlusten in Noord-Ierland begonnen, toen een katholieke, vreedzame burgerrechtencampagne werd neergeslagen door Ulster Loyalisten en Britse veiligheidsdiensten. Dit zou de aanleiding vormen voor het inzetten van Britse soldaten in Noord-Ierland. In eerste instantie hield de PIRA zich bezig met het verdedigen van nationalistische woongebieden tegen aanvallen van Loyalisten, maar het begon een offensieve militaire campagne in 1971. Het hoofddoel van deze campagne was om de Britten zo tot de onderhandelingstafel te dwingen, en hen terug te laten trekken uit Ierland. Het maakte gebruik van guerrilla-tactieken tegen het Britse leger en de Noord-Ierse politie (Royal Ulster Constabulary, RUC) in zowel rurale als stedelijke gebieden. Ook voerde het bomaanslagen uit in Noord-Ierland en Engeland tegen wat zij zagen als politieke en economische doelen. Doorgaans werd zo'n aanslag aangekondigd door een telefonische waarschuwing. In juli 1997 kondigde de IRA een staakt-het-vuren aan, nadat de politieke tak van de organisatie, Sinn Féin, was toegelaten tot de vredesonderhandelingen. De organisatie ondersteunde het Goedevrijdagakkoord in 1998 en werd in 2005 ontwapend. Sinds het permanent staakt-het-vuren heeft de beweging al haar terroristische activiteiten gestaakt, zoals aanslagen, liquidaties en ontvoeringen. Al haar gewapende activiteiten zijn vanaf 1998 dan ook stopgezet.
Overzicht van strategieën Vanaf het begin was de strategie van de organisatie erop gericht om de overheid van Noord-Ierland in te doen storten en door aanvallen op het Britse leger hen ertoe te dwingen zich terug te trekken uit Ierland. Om dit mogelijk te maken rekruteerde de organisatie vrijwilligers (volunteers), in het bijzonder na 1972 Bloody Sunday, toen het Britse leger 14 ongewapende demonstranten doodschoot in Derry. Vervolgens werd er een militaire campagne gestart tegen Britse militaire en economische doelen. De campagne van de organisatie werd gesteund door geld en wapens uit onder andere Libië en door sommige groepen uit de Verenigde Staten.
Oprichting van de Provisional IRA De Provisional IRA werd officieel opgericht in december 1969, toen de IRA Army Council gestemd had voor de erkenning van de Noord-Ierse, Ierse en Britse parlementen. Toen deze stemming plaatsvond, kondigde Sean MacStiofain - aanwezig als hoofd van de IRA-inlichtingendienst - aan dat hij het leiderschap van de IRA niet langer zag als vertegenwoordiging van republikeinse doelen.
MacStiofains aanhangers verenigden zich met een groot deel van de IRA in Belfast die onder leiding stond van Billy Mckee en Joe Cahill. Zij hadden geweigerd orders van de IRA in Dublin uit te voeren sinds september 1969, als protest voor het vermeende falen van de verdediging van katholieke buurten. Negen van de dertien IRA-eenheden voegden zich bij de PIRA, ongeveer 120 activisten en 500 aanhangers. De nieuwe groep koos een "Provisional Army Council" (letterlijk: voorlopige legerraad) als leiding van de nieuwe IRA.
Organisatie De Provisional IRA kende een hiërarchische organisatie: aan de top stond de IRA Army Council dat geleid werd door de IRA Chief of Staff.
Leiderschap Alle lagen van de organisatie waren bevoegd om afgevaardigden te sturen naar de IRA General Army Conventions (GACs). De GAC was het hoogste besluitorgaan van de PIRA. Tot 1969 kwam de GAC regelmatig bijeen, maar daarna werden de vergadering schaars. Het bleek erg moeilijk te zijn om grote bijeenkomsten te organiseren van een geheime organisatie. thumb|PIRA-re-enacment in Galbally, County Tyrone (2009) De GAC op zijn buurt verkoos 12 leden voor de IRA Executive, die vervolgens de zeven leden van de Army Council koos. Het dagelijkse bestuur van de organisatie werd uitgevoerd door de Army Council, terwijl deze raad tevens besluiten maakte over het te voeren beleid en het maken van tactische beslissingen. Tevens koos de Army Council de Chief of Staff, die op zijn beurt de adjudant generaal en de General Headquarters (GHQ) aanwees. De GHQ kende de volgende afdelingen: Wapens Financiën Genie Training Inlichtingen Propaganda Operaties Veiligheid
Regionale leiding De IRA was onderverdeeld in een Northern Command, dat opereerde in de negen counties van Ulster, alsmede County Leitrim en County Louth en een Southern Command dat verantwoordelijk was voor de rest van het eiland. Tot 1977 werd de organisatie geleid door de leiding in Dublin, maar tegelijkertijd met de invoering van de kleinschalige cel-structuur werd het commando over het 'oorlogsgebied' overgedragen aan het noordelijke commando.
Brigades De IRA verwijst naar zijn gewone leden als volunteers (Iers: óglaigh). Tot eind jaren zeventig was de IRA georganiseerd volgens traditionele militaire structuren. Vrijwilligers uit een bepaald gebied vormden samen een compagnie, dat onderdeel was van een bataljon, wat weer onderdeel kon zijn van een brigade.
Gedurende het grootste gedeelte van de organisatie beschikte de PIRA over vijf brigades, te weten in Armagh, Belfast, Derry, Donegal en Tyrone/Monaghan. De Belfast Brigade was onderverdeeld in drie bataljons, respectievelijk in het westen, noorden en oosten van de stad. De groei van de organisatie in het begin van de jaren zeventig is goed te zien in deze stad: had de organisatie in 1969 nog slechts 50 actieve leden in Belfast, in 1971 waren dat er 1200. De Derry Brigade had twee bataljons: een in de stad Derry, de andere in Donegal. Het Derry Bataljon maakte na Bloody Sunday een grote groei door.
De leiderschapsstructuren van de compagnieën en bataljons was hetzelfde: elke had een leidinggevende officier, kwartiermeester, explosieven officier en hoofd inlichtingen. Soms werd dit nog aangevuld met een officier verantwoordelijk voor de training van vrijwilligers en een financiën officier.
Active Service Units Na 1973 begon de PIRA afstand te nemen van de traditionele leger structuren nadat het kwetsbaar voor informanten was gebleken. In plaats daarvan ging men twee structuren binnen de brigade's hanteren: de oude compagnie eenheden zouden gebruikt worden voor 'politiewerk' in nationalistische gebieden. Daar kwam een tweede structuur van de Active Service Unit (ASU) bij. Deze eenheden waren kleiner, bestaande uit ongeveer vijf tot acht leden. Aan het begin van 1990 had de PIRA ongeveer 300 leden in de ASU's en 450 personen in ondersteunende functies.
Een uitzondering op deze nieuwe organisatie was de South Armagh Brigade, die de traditionele hiërarchie behield; acties van deze brigade werden dan ook vaak uitgevoerd door grotere groepen vrijwilligers.
De Southern Command in de Republiek Ierland bestond uit de Dublin Brigade en enkele kleinere eenheden in rurale gebieden. Deze waren in het bijzonder belast met het importeren en onderbrengen van wapens voor de Northern Command, alsmede het financieren van de campagne in het noorden.
Radicalisering Toen het geweld in Noord-Ierland almaar intenser werd, werden de Official IRA en de Provisional IRA steeds militanter om hun doelen te bereiken. Anders dan de official IRA, die hun geweld als "verdedigend" karakteriseerde, kondigde de PIRA een agressievere campagne aan tegen het bestaan van de staat van Noord-Ierland. Hoewel de Officials in het begin voor een korte periode een grotere organisatie waren en meer aanhang hadden in de republikeinse achterban, begon de PIRA steeds meer de republikeinse beweging te domineren. Deze trend werd alleen maar sterker na de afkondiging door de Official IRA van een staakt-het-vuren voor onbepaalde tijd. De PIRA nam het grootste deel van de noordelijke IRA-structuren over sinds 1971, samen met de meer militante leden van het hele eiland. Verder wierf de PIRA veel jeugdige noordelijke nationalisten die diep geradicaliseerd waren door het in 1969 uitgebroken geweld.
Strategie van 1969 tot 1998 Beginfase Nadat veel nationalistische buurten in augustus 1969 leden onder sektarisch geweld besloot de IRA zich te herbewapenen om zo deze gebieden beter te kunnen beschermen. Na de breuk met de Official IRA begon de organisatie zich toe te leggen op een groot offensief tegen wat het de 'Britse bezetting van Ierland' noemde.
De Official IRA was hier tegen omdat het vreesde dat het geweld zou leiden tot een groot sektarisch conflict in het reeds door geweld geplaagde Noord-Ierland, waardoor het verenigen van de arbeidersklassen van beide gemeenschappen gedoemd was te mislukken. In tegenstelling tot het rurale karakter van de campagne van de IRA tijdens de Border Campaign besloot de PIRA zich toe te leggen op acties in de urbane gebieden, het machtsgebied van de organisatie lag in het bijzonder in Derry en Belfast.
Het doel van de campagne van de Provisional IRA was het doen instorten van Noord-Ierse instituties en het veroorzaken van slachtoffers onder de Britse veiligheidsdiensten door middel van geweld, zodat de Britse veiligheidsdiensten door de druk van de publieke opinie uit Ierland moesten wegtrekken. Gedurende de eerste jaren van de militaire campagne geloofde de leiding van de organisatie in een snelle overwinning. Seán Mac Stíofáin, Chief of Staff gaf aan dat de organisatie het conflict in Noord-Ierland zou 'escaleren, escaleren en nog eens escaleren' totdat de Britse overheid aangaf te vertrekken van het eiland. Men wilde dit bereiken door het rekruteren van vrijwilligers en het uitvoeren van aanvallen op de Britse veiligheidsdiensten, alsmede een serie bomaanslagen op economische doelen in Noord-Ierland.
De Britse overheid hield in 1972 geheime overleggen met de IRA leiding om zo tot een staakt-het-vuren te kunnen komen, nadat het te maken kreeg met een escalatie van het conflict door de gebeurtenissen tijdens Bloody Sunday. Uiteindelijk zou er vanaf 26 juni tot 9 juli een korte onderbreking van de gevechten, terwijl ondertussen gesprekken plaatsvonden. De gesprekken zouden uiteindelijk op niets uitlopen: de eisen, het terugtrekken van de Britse troepen uit Ierland, was onaanvaardbaar voor de Britse overheid.
De lange oorlog Vanaf het midden van jaren 70 verdween bij beide partijen in het conflict de hoop op een snelle overwinning. Dit zou uiteindelijk tot een korte onderbreking in de onlusten leiden in 1975, zodat vredesonderhandelingen konden plaatsvinden. Ook deze onderhandelingen liepen stuk en het staakt-het-vuren was desastreus voor de PIRA: de organisatie was geïnfiltreerd door informanten, de discipline was verdwenen door grote hoeveelheden arrestaties wat leidde tot sektarische moorden uitgevoerd door de organisatie. De PIRA stond op de rand van de afgrond door een gebrek aan geld en wapens en was bijna overgegaan tot het stopzetten van de militaire activiteiten.
miniatuur|Het Grand Hotel in Brighton na een bomaanslag in 1984