Jacobus Johannes Pieter (Ko) Oud (Purmerend, 9 februari 1890 - Wassenaar, 5 april 1963) was een Nederlands architect. Hij is bekend geworden als lid van kunstbeweging De Stijl en voorvechter van de moderne architectuur. Zijn betekenis als pionier van het nieuwe bouwen is gelijk aan die van Le Corbusier en Gropius, maar hij was een van de eersten die zich midden jaren 30 van deze stroming afkeerden, omdat hij vond dat ze nog maar weinig met architectuur te maken had. Hierdoor verloor hij het aanzien dat hij in het buitenland had, terwijl hij in Nederland nog veel belangrijke opdrachten kreeg, zoals die voor het Nationaal Monument en het monument op het Militair ereveld Grebbeberg. Zijn broer Pieter Oud was burgemeester van de gemeente Rotterdam.

| thumb|230px|Bioscoop Schinkel, Purmerend. 1912. |- | thumb|230px|Landhuis Essen-Vinckers, Houtweg 37, Blaricum. 1915-1916. |- | thumb|230px|Villa Allegonda, Boulevard, Katwijk aan Zee [i.s.m. Menso Kamerlingh Onnes]. 1917. |- | thumb|230px|Vakantiehuis De Vonk, Noordwijkerhout [i.s.m. Theo van Doesburg]. 1917-1918. |- | thumb|230px|Vakantiehuis De Vonk, Noordwijkerhout, gang eerste verdieping. 1917-1918. |- | thumb|230px|Woningblok V, Spangen, Rotterdam. 1919. |- | thumb|230px|Woonblok VIII, Spangen, Rotterdam. 1920-1923. |- | thumb|230px|Woningen, Tussendijken, Rotterdam. 1921. |- | thumb|230px|Woningen, Tussendijken, Rotterdam, binnenplaats. 1921. |- | thumb|230px|Woningen, Oud-Mathenesse (Witte Dorp), Rotterdam. 1922-1924. |- | thumb|230px|Winkels, Oud-Mathenesse (Witte Dorp), Rotterdam. 1922-1924. |- | thumb|230px|Directiekeet, Oud-Mathenesse, Rotterdam. 1923. |- | thumb|230px|Café De Unie, Calandplein [sinds 1986 Mauritsweg], Rotterdam. 1925. |- | thumb|230px|Arbeiderswoningen, Hoek van Holland. Ca. 1924. |- | thumb|230px|De Kiefhoek, Rotterdam. 1925-1930. |- | thumb|230px|De Kiefhoek, Rotterdam. 1925-1930. |- | thumb|230px|Huizenrij, Weissenhofsiedlung, Stuttgart. 1927. |- | thumb|230px|Kerk voor de hersteld apostolische gemeente, Hillevliet 139, Rotterdam. 1929. |- | thumb|230px|Spaarbank van Rotterdam, Botersloot 25, Rotterdam. 1942-1955.

Biografie Oud was de tweede zoon van de wijnhandelaar en later wethouder van Purmerend, Hendrik Cornelis Oud en zijn vrouw Neeltje Theodora Janszen. Hij wilde aanvankelijk schilder worden, maar volgde op aandringen van zijn vader van 1903 tot 1906 de opleiding bouwkunde aan de Quellinusschool en van 1908 tot 1910 een opleiding aan de Rijksnormaalschool voor Tekenonderwijzers in Amsterdam, waar hij in contact kwam met Berlage, De Bazel, Kromhout en Lauweriks. Van 1907 tot 1908 was hij als opzichter/tekenaar stagiair bij het bureau van Joseph Cuypers en Jan Stuyt, eveneens in Amsterdam.K. van der Gaast, 'Oud, Jacobus Johannes Pieter (1890-1963)', 13 maart 2008. Gearchiveerd op 19 mei 2011. In 1909 werd hij benoemd tot leraar lijntekenen voor de eerste klassen aan de Stadsteekenschool in Purmerend.Reinhartz-Tergau (1990): p. 18. Eind 1910 vertrok hij als student naar Delft, maar kon zijn draai daar niet vinden en vertrok vervolgens als tekenaar-stagiair naar München om daar enkele maanden te studeren onder leiding van de vernieuwende architect en stedenbouwkundige Theodor Fischer (1862-1938). Fischer wist Oud te overtuigen van de betekenis van proporties en het ‘ontwerpen op systeem’, wat later het fundament van Ouds architectuuropvatting zou worden, maar net als Berlage kon Fischer hem niet helpen een consistente theorie van de nieuwe richting te formuleren. Oud achtte dit noodzakelijk, omdat het zou zorgen voor een ‘groot voordeel boven de bouwmeesters van eenige tientallen jaren terug, daar wij reeds vanaf het begin onze studies daarnaar kunnen regelen’.

Beginjaren thumb|260x260px|left|W.C. Brouwer. Detail, Bioscoop Schinkel, Purmerend. 1912. In 1913 vestigde hij zich als architect in Purmerend, waar hij een groot aantal woonhuizen ontwierp, voornamelijk voor familieleden. Dit stelde hem in staat zijn eigen architectonische idioom te ontwikkelen, dat vaak wat verder ging dan zijn belangrijkste voorbeelden van toen, Berlage en Kromhout. In 1912 maakte hij tijdens een dia-avond bij Berlage thuis kennis met de Amerikaanse architectuur van Louis Sullivan en Frank Lloyd Wright. In 1913 verruilde Oud het landelijke Purmerend voor het kunstzinnig meer vruchtbare Leiden, waar hij zich als zelfstandig architect vestigde. Hier werd hij lid van kunstenaarsvereniging Kunst om de Kunst, waar hij bevriend raakte met Harm Kamerlingh Onnes, die hem toegang gaf tot de gegoede, artistieke milieus van Leiden, Katwijk en Noordwijk. In samenwerking met Dudok, die hij in Purmerend had leren kennen, ontwierp hij in 1914-1915 een kleine ‘arbeiderswijk’ in Leiderdorp, geïnspireerd door de tuinsteden van Raymond Unwin (1863-1940) en Hermann Muthesius (1861-1927). Ook raakte hij in deze periode in de ban van de beeldhouwer en keramist Willem Coenraad Brouwer (1877-1933) en zijn op de arts-and-craftsbeweging gebaseerde ideeën over een terugkeer naar een ambachtelijke samenleving.

‘Nieuwe architectuur’ Het was de kunstenaar Theo van Doesburg die hem voorjaar 1916 met het artikel ‘De nieuwe beweging in de schilderkunst’ uit de droom hielp. Oud vond hierin de consistente theorie waar hij naar op zoek was. Van Doesburgs observaties van de moderne kunst zetten Oud aan tot het nadenken over ‘de toekomstige bouwkunst en hare architectonische mogelijkheden’. Hierdoor kwam het tot een breuk met Brouwer, en nam hij wat meer afstand van Berlage en Muthesius. Op 30 mei 1916, twee dagen na publicatie van Van Doesburgs artikel, schreef Oud hem een brief, die later gepubliceerd werd als ‘Over cubisme, futurisme, moderne kunst, enz.’ (zie Publicaties). Door Van Doesburg raakte Oud overtuigd van de noodzaak van een moderne architectuur, maar over hoe die eruit moest komen te zien, liepen de meningen uiteen. Oud hield vast aan het gesamtkunstwerk, waarin de toegepaste kunst en zelfs de schilderkunst ondergeschikt waren aan de architectuur, terwijl Van Doesburg een voorstander was van gemeenschapskunst, waarin de verschillende kunstvormen gelijk aan elkaar waren. Oud riep architecten echter wel op de moderne kunst op de voet te volgen en vroeg Van Doesburg één dag voor de opening ook architecten op te nemen in Leidsche Kunstclub De Sphinx. Via Van Doesburg kwam hij in contact met Piet Mondriaan, met wie hij van gedachten wisselde over de relatie tussen schilderkunst en architectuur. Oud wilde 'niets bouwen dat [...] geen kunst zou zijn', terwijl Mondriaan vond dat architectuur alleen kunst kon zijn als deze aan de nieuwe beelding voldeed. Oud verzette zich hiertegen en zou op een bepaald moment tegen Mondriaan gezegd hebben: 'Jouw leven is schilderen, het mijne bouwen'.Taverne (2001): pp. 15-16, 18-20, 22-24.

In 1916 gaf hij Van Doesburg opdracht een glas-in-loodpaneel te ontwerpen voor zijn burgemeesterswoning in Broek in Waterland. In 1917 ontwierp hij, als oefening in de kubistische werkwijze, het huizencomplex Strandboulevard (zie Niet uitgevoerde ontwerpen). In 1917 ontwierpen Oud en Van Doesburg gezamenlijk Vakantiehuis De Vonk in Noordwijkerhout. Najaar 1917 werd hij medewerker van het door Van Doesburg opgerichte tijdschrift De Stijl. Nog voordat het eerste nummer van De Stijl uitkwam, lag het al onder vuur, omdat het geld uit Duitsland zou hebben ontvangen om de Duitse invloed in het neutrale Nederland te bevorderen. Oud reageerde hierop door te schrijven dat er geen steun in het buitenland was gezocht of ontvangen en dat stukken van buitenlandse medewerkers zouden worden geplaatst om tot meer internationale samenwerking te komen en niet om nationalistische ideeën te promoten. Toch ontbreekt Ouds naam onder Manifest I van De Stijl uit november 1918.Overy (1997): p. 21.

Hoewel Oud zich in De Stijl uitspreekt voor de moderne architectuur, en dan in het bijzonder de richting die Frank Lloyd Wright eerder insloeg, zijn Ouds werken uit de periode tot 1924 sterk beïnvloed door het baksteentraditionalisme van bijvoorbeeld Granpré Molière en had hij een sterke neiging naar symmetrie.Kenneth Frampton, 'Neoplasticisme en architectuur: formatie en transformatie', in Mildred Friedman (redactie; 1982). De Stijl: 1917-1931. Amsterdam: Meulenhoff/Landshoff, p. 101. Ook was Oud, in tegenstelling tot bijvoorbeeld Rietveld, zeer spaarzaam in zijn gebruik van glas. Dit beschouwde hij in zijn vroege artikelen als een luxe.Overy (1997): p. 141.

Toen Henry Van de Velde van 1917 tot 1926 in Wassenaar woonde, zocht Oud hem daar regelmatig op. Hij deelde zijn mening dat vernieuwende architectuur alleen maar revolutionair kon zijn. Van de Velde was voor Oud wat Berlage voor de meeste van zijn tijdgenoten was: geen theoreticus, maar een activist.Taverne (2001): p. 29.

In januari 1918 kwam Oud, hij was toen 28, door bemiddeling van Berlage, in dienst van het Gemeente Woningbedrijf Rotterdam. Deze dienst werd in 1916 opgericht om de woningnood onder met name de recent naar de havenstad toegestroomde arbeiders op te lossen. Oud probeerde in zijn nieuwe functie zijn idealen met betrekking tot de relatie tussen het individu en de maatschappij, die hij deelde met andere leden van De Stijl, in de praktijk te brengen in sociale-woningbouwprojecten in onder meer Spangen, de Kiefhoek en het Witte Dorp. Zijn officiële positie maakte zijn relatie met De Stijl echter wel vaak moeilijk.Overy (1997): pp. 121, 125.

thumb|left|Theo van Doesburg. Glas in lood paneel voor woningblok V en IX, Spangen, Rotterdam. 1918-1919. In 1918 vroeg hij Van Doesburg zijn toch wat solide en eentonige bakstenen woningenblokken I en V in Spangen te verlevendigen door middel van glas in loodpanelen en kleurontwerpen van in- en exterieur. Najaar 1920 vroeg hij Van Doesburg, die inmiddels naar Weimar verhuisd was, ook kleurontwerpen te maken voor woningblok VIII en IX. Deze ontwerpen waren nog radicaler en 'destructiever' dan de eerste en hoewel Oud enthousiast was, kon hij zijn werkgever niet zover krijgen ze ook uit te voeren. Toen Oud hem vroeg ze aan te passen schreef Van Doesburg op 3 november 1921 boos terug 'Entweder so - oder nichts'. Een jaar na deze brief gaf hij te kennen niet met Van Doesburg, of welke beeldend kunstenaar dan ook, samen te willen werken, omdat hij van mening was dat de kleur in de architectuur niet al te overheersend moest zijn. Bovendien kon hij zich niet meer vinden in Van Doesburgs niets en niemand ontziende verzet tegen het leven. Als de moderne architectuur door zou breken dan zou dit volgens Oud op een natuurlijke manier gebeuren vanuit het leven, en dus stopte hij met het 'kubistisch experiment'. Oud geloofde niet in een revolutionaire architectuur met een programma. Net als Mondriaan geloofde Oud in een soort spirituele evolutie van de mens. De hieropvolgende bitterheid tussen beiden leidde ertoe dat Oud niet meer aan De Stijl bijdroeg.Overy (1997): pp. 89, 91.

Oud bleef echter gefascineerd door de onopzettelijkheid van de vormgeving van industriële techniek, zoals fabrieken en oceaanstomers, en zag hier een voorbode van hoe de architectuur zich zou gaan ontwikkelen. Net als de composities van Mondriaan, mocht de architectuur geen enkel spoor van opzettelijkheid vertonen en vooral niet krampachtig en behaagziek zijn als de Amsterdamse School. Ook beperkte de rol van de architect zich volgens Oud tot 'onderworpenheid aan de opgave tot aan de grens van zelfverzaking'.Taverne (2001): p. 24-25, 27-28.