Indische filosofie is het geheel van de vormen van filosofie die op het Indische subcontinent zijn ontstaan. Hiertoe behoren onder meer de hindoeïstische filosofie, de boeddhistische filosofie en het jaïnisme. De filosofie van het Indische subcontinent behoort tot de vroegste vormen van wijsgerig denken. (2000), p. 31 De verschillende stromingen verschillen op heel wat belangrijke punten, waardoor het moeilijk is om een omvattend beeld van de Indische filosofische gedachtegang weer te geven. Wel wordt onderscheid gemaakt tussen de orthodoxe en de niet-orthodoxe of heterodoxe filosofieën, de astika en nastika. Pas vanaf de tijd van de migratie van Indo-Arische volken, de Vedische tijd, zijn er overleveringen van de Indische filosofie bekend.

Kenmerken De Indische filosofie kent met zijn verschillende stromingen een aantal overeenkomsten: de zielsverhuizing met daarmee samenhangend: samsara, de eeuwigdurende cyclus van dood en wedergeboorte duhkha, het leven is lijden moksa, verlossing van de cyclus van samsara en duhkha het streven om moksa te bereiken heeft een praktische instelling tot gevolg om karma te beïnvloeden, aangezien hoe men zich gedragen heeft in het eerdere leven bepaalt hoe men wedergeboren wordt een sterke gerichtheid op het innerlijke, terwijl het aardse bestaan veelal van ondergeschikt belang is bij de logica van de pramana’s, de Indische kentheorie, speelt ook intuïtie een belangrijke rol een belangrijke rol is weggelegd voor traditionele geschriften, vooral de Veda’s. Dit maakt het moeilijker toegankelijk voor diegenen die hier niet mee bekend zijn er is een opmerkelijke verdraagzaamheid, waarbij andere denkwijzen wel kritisch benaderd worden, maar niet onderdrukt

De Rigveda is hier de oudst bekende overlevering en een belangrijke scheidslijn is die tussen de scholen die de Veda's aanhangen en de scholen die deze verwerpen, respectievelijk de astika en nastika. Onder de eerste vallen de zes darsana's, nyaya, vaisheshika, samkhya, yoga, mimamsa en vedanta. Onder de laatsten vallen charvaka, het boeddhisme en het jaïnisme.

Ook politieke filosofie heeft altijd een belangrijk onderdeel van de Indische filosofie gevormd. Een van de eerste teksten die aan de Indische politieke filosofie was gewijd is de Arthashastra, die rond de vierde eeuw v.Chr. geschreven moet zijn. De politieke filosofie van India is sterk beïnvloed door het dharmisme. Hierin speelt geweldloosheid met de begrippen ahimsa en satyagraha – die door Mahatma Gandhi werden gepopulariseerd in de tijd dat India voor zijn onafhankelijkheid streed – een zeer belangrijke rol.

Geschiedenis thumb|Shankara die de herleving van advaita vedanta teweeg bracht De Indische filosofie werd vooral in de periode tussen 1000 v.Chr. en de eerste eeuwen van de christelijke jaartelling uitgewerkt en verspreid. Er zijn verschillende onderverdelingen mogelijk, zoals Vedische periode Oud-Vedische of hymnenperiode (ca. 1500-1000 v.Chr.), waarin de hymnen van de Rig-Veda een zeer belangrijke rol spelen. De tijd van de offermystiek (ca. 1000-750 v.Chr.), waarin er een kastenstelsel ontstond nadat de Indo-Ariërs zich van de inheemse volkeren - die zij shudra's noemden - wilden onderscheiden. Met name de kaste van de priesters (brahmanen) werd hierbij zeer belangrijk. De tijd van de Upanishads (ca. 750-500 v.Chr.) Klassieke periode (ca. 500 v. Chr.-1000 n.Chr). Hierin was sprake van steeds meer kritiek op de brahmaanse godsdienst en traden Mahavira en Boeddha naar voren, die ervoor zorgden dat er op het Indische subcontinent niet langer sprake was van slechts één religie. Ook was de Indische filosofie vanaf toen niet langer bedoeld als geheime leer, maar werd zij opengesteld voor een breed publiek, inclusief de lagere kasten die er niet eerder bij betrokken waren geweest. In plaats van het Sanskriet werd de volkstaal als voertaal gebruikt. Met name tussen 800 v.Chr. en 200 voerden de verschillende filosofische scholen een heftige competitie. Sommige van deze scholen zoals het shaivisme, het advaita vedanta, het boeddhisme - dat zich later vanuit India grotendeels verplaatste naar China en Japan - en het jaïnisme hebben deze strijd overleefd, terwijl andere zoals de Ajivika tegenwoordig niet meer bestaan. Na-klassieke periode (vanaf ca. 1000)

In de periode 1750–1947, de tijd van de Britse koloniale bezetting, verkreeg de Indische filosofie haar huidige vorm. Denkers als Vivekananda, Aurobindo, Tagore, Gandhi, Krishnamurti en Radhakrishnan gaven aan de traditionele Indische filosofie een eigentijdse betekenis, daarbij mede beïnvloed door de westerse indologen, iets wat Agehananda Bharati het pizza-effect noemde.

Vedische periode Oud-Vedische of Samhitaperiode Aanvankelijk was het gebied van de Indo-Ariërs beperkt tot het vijfstromengebied Punjab rond de Indus in het noorden van Zuid-Azië. Het betrof in deze periode nog een pastorale samenleving die vooral leefde van de veeteelt.

Over een lange periode ontstond hier vanuit vele onbekende bijdragen een traditie die uiteindelijk op schrift zou worden gesteld. Deze Veda's bestaan uit vier afdelingen, waarbij bij offers elke afdeling door een priester werd voorgedragen: Rig-Veda, de oudste Veda, de lofverzen of hymnen, voorgedragen door de hotr of roeper Sama-Veda, de liederen, voorgedragen door de udgatri of zanger Yajoer-Veda, de offerspreuken, voorgedragen door de adhvaryu of celebrant Atharva-Veda, de atharva of magische spreuken, voorgedragen door de brahmana of opperpriester

Elke Veda bevat weer vier niveaus: Samhita's, mantra's en hymnen Brahmana's, commentaren over rituelen bij de Samhita's Aranyaka's, woudgeschriften voor kluizenaars Upanishads, geheime mystieke teksten

De lof gold voor de deva's of goden, zoals de god van het vuur Agni, de god van donder en bliksem Indra en de zonnegod Vishnu. In de teksten is hiernaast echter ook een filosofisch begin te zien, zoals in de scheppingshymne in Rig-Veda 10.129 nasadiya sukta, waarin de tijd van voor de schepping wordt gezien als een tijd waarin zowel het Niet-Zijn als het Zijn nog niet bestonden en waarin wordt gesteld dat ook de goden pas na de schepping ontstonden en dat mogelijk zelfs de schepper niet weet hoe de goden zijn ontstaan.There was neither non-existence nor existence then; there was neither the realm of space nor the sky which is beyond. What stirred? Where? In whose protection? Was there water, bottomlessly deep?There was neither death nor immortality then. There was no distinguishing sign of night nor of day. That one breathed, windless, by its own impulse. Other than that there was nothing beyond. Rig-Veda 10.129.1-2 in (1981)

Deze teksten gelden als de absolute en eeuwige waarheid, aangezien zij op openbaring berustten. Desondanks is dus al in de Rig-Veda een twijfel aan de goden te zien en een zoektocht naar de oergrond achter deze goden. In de Brahmana's vermindert de angst voor de goden, aangezien deze door brahmanistische rituele offers (yajna's) in toom gehouden kunnen worden.

De drie doelen van het vedische leven (trivarga) waren dharma (normen), artha (rijkdom) en kama (plezier).

Brahmanische en Aranyaka-periode Met het verschuiven van de focus van de Samhita's naar de Brahmana's nam ook de aandacht voor rituelen toe ten koste van de deva's, de goden van de Rig-Veda. Dit ging gepaard met de opkomst van de brahmanen, de priesters die met hun rituelen de goden moesten bedwingen. Zij verkregen steeds meer de belangrijkste positie in de maatschappij, ten koste van de kshattriya's, de krijgers en heersers, overigens zonder wereldlijke macht naar zich toe te trekken. Mogelijk hing deze verandering van positie samen met de overgang van een semi-nomadische krijgerssamenleving naar een agrarische samenleving. Onder de heersers vielen de vaishya's, de handelaren en landbouwers, en daaronder de shudra's, de arbeiders en dienaren. Mogelijk waren deze laatsten de nakomelingen van de oorspronkelijke bevolking die nu onder de Indo-Ariërs viel. Zij mochten dan ook niet deelnemen aan de hindoeïstische initiatierite van upanayana. De dalits vielen zelfs buiten het kastenstelsel met zijn vier varna's dat gedurende deze periode zo vorm begon te krijgen.

Gedurende deze periode ontwikkelden zich de begrippen Brahman en Atman tot belangrijke concepten.

Upanishadische periode In deze periode was het gebied ondertussen uitgebreid tot de Ganges en ontwikkelden zich voor het eerst sinds de Indusbeschaving weer steden. In deze steden werd de onderlinge solidariteit de familiebanden ten dele vervangen door een solidariteit tussen de klassen.

De janapada's, kleinere stamgebieden waarin leiders voortkwamen uit stam- en familieverbanden, vormden zich tot grote (maha) gebieden, de mahajanapada's, elk geleid door een koning met elk een eigen hoofdstad. Deze centralisatie ging gepaard met een toenemende handel waardoor een handelaarsklasse kon ontstaan. De verschuiving van de macht van een raad van stamhoofden naar een koning, de urbanisatie en het ontstaan van een koopmansklasse bracht een individualisering teweeg die ook gevolgen had voor de religieuze beleving. Het leven als lijden kreeg een belangrijke plaats, terwijl het polytheïsme in belang afnam.

Eerder lag de nadruk op de natuurlijke omstandigheden waarin de mens moest zien te overleven, maar in een steeds meer gestratificeerde samenleving groeide de ongelijkheid. In andere samenleving ontstonden in gelijke omstandigheden religies die hier een rechtvaardigheid voor boden in het hiernamaals. De brahmanen konden hier maar een beperkt antwoord op vinden. Zij vormden een gesloten groep die hun kennis en daarmee macht over de geestelijke wereld voor zichzelf hielden en vooral mondeling overbrachten. Dit systeem verkreeg een zekere starheid en gerichtheid op uiterlijke rituelen die onvoldoende voorzag in de eisen van de nieuwe samenleving. Zo ontstond een mystieke tegenbeweging van wereldverzaking op zoek naar het innerlijk en de verlossing van deze cyclus. Dat betekende overigens niet dat er sprake was van een volledige overgang. Buiten de stedelijke gebieden waar de nieuwe onzekerheden geen rol speelden, bleef er behoefte aan de oude vormen. Dit kon spanningen veroorzaken tussen de stedelijke elite en de landelijke bevolking.

Zo ontstonden de meer filosofisch getinte Upanishads. Hoewel eerder al Upanishads gevormd waren, ontstonden de belangrijkste in deze periode. In deze geheime teksten is een vroege filosofische bespiegeling te vinden over de aard van de wereld en de mensen en over wat er na de dood gebeurt. De aard van de wereld komt naar voren in de begrippen Brahman en Atman. Het begrip Brahman had zich ontwikkeld tot het onpersoonlijke Absolute waaruit alles ontstaat, niet gebonden aan tijd (kala), ruimte (desa) en causaliteit (nimitta), dit in tegenstelling tot de goden. Atman had zich ondertussen ontwikkeld tot het diepste zelf. Waar deze ontwikkeling al eerder was begonnen, werd in de Upanishads de conclusie getrokken dat beiden een waren. Elke persoon heeft wel een eigen vorm, maar heeft dezelfde essentie. De echte overkoepelende werkelijkheid is Brahman die zich in personen als Atman manifesteert. Dit overkoepelende komt ook naar voren in de Maha Upanishad. Onder meer wordt hierin verkondigd Vasudhaiva Kutumbakam, de wereld is één familie: Alleen kleingeestigen zeggen 'de ene is een familielid, de andere vreemdeling' Voor hen die grootmoedig leven, is de hele wereld een familie. Maha Upanishad, VI-71-72

Cyclus van dood en wedergeboorte