Bosbeheer gericht op biodiversiteit is een vorm van bosbeheer die als hoofddoel heeft de biodiversiteit in bossen te vergroten.Jansen, P., & Benthem, M. v. (2008). Bosbeheer en Biodiversiteit. Utrecht: stichting Matrijs Vergroting van biodiversiteit vormt samen met oorspronkelijkheid en natuurlijkheid de belangrijkste doelstelling in het natuurbeleid en -beheer voor bossen.Bijlsma, R. J. (2005). Natuurlijkheid en biodiversiteit: een verstoorde relatie. Vakblad Natuur Bos Landschap, 2(2), 7-11. In 39% van het Nederlands bosareaal is 'natuur' het belangrijkste beheerdoel (‘natuurbossen’), terwijl in de overige 61% houtproductie en recreatie als even belangrijke doelen worden gezien (‘multifunctionele bossen’).Oldenburger, J. (2019). Stand van zaken bos in Nederland. Wageningen: Stichting Probos. Sinds de jaren 1980 staat biodiversiteit, ook die in bossen, wereldwijd in de publieke belangstelling, omdat veel soorten dreigen uit te sterven door menselijk handelen.Stichting BMW. (2012). Biodiversiteit. Zutphen: Drukkerij Tessink Er zijn verschillende vormen van beheer ontwikkeld om de biodiversiteit in bossen te behouden of te vergroten.

Biodiversiteit en bossen in Nederland Van de om en nabij 34.000 planten- en diersoorten in Nederland is een deel in meer of mindere mate afhankelijk van bos. In Nederland herbergen bossen bijvoorbeeld ruim vierhonderd van de ± 2700 soorten planten en 2500 van de ± 20.000 soorten geleedpotigen.Nieuwkerken, E. v., & Loon, A. v. (1995). Biodiversiteit in Nederland. Leiden: Nationaal Natuurhistorisch Museum. Bij bepaalde soortgroepen, zoals zweefvliegen en zoogdieren, is zelfs meer dan een derde van het totale aantal soorten direct van bossen afhankelijk. Waar sinds 1994 de algehele biodiversiteit van de Nederlandse landnatuur is afgenomen, blijft deze in het Nederlandse bos gemiddeld genomen stabiel. Kenmerkende bosvogels nemen de laatste tien jaar gemiddeld in aantal toe, evenals de meeste bosgebonden zoogdieren. Van de bosgebonden vlindersoorten vertonen achttien een toename, terwijl elf soorten in aantal afnemen. Belangrijke oorzaken van deze positieve trend zijn het ouder worden van bestaande bossen en de aanleg van nieuwe bossen in laag Nederland. De hoeveelheid dood hout in de Nederlandse bossen, die van groot belang is voor de biodiversiteit, is toegenomen van slechts 5,7 m3/ha in 1988 tot 13,8 m3/ha in 2013. Dit betekent niet dat de gehele bosgebonden biodiversiteit er goed voor staat. Enkele broedvogelsoorten van oude bossen, zoals zwarte specht en fluiter, vertonen juist een afname. Ook veel naaldbosgebonden vogelsoorten nemen af, mogelijk door de omvorming van naaldbos naar andere natuurtypen.Boele, A., van Bruggen, J., Hustings, F., Koffijberg, K., Vergeer, J., & van der Meij, T. (2019). Broedvogels in Nederland in 2017. Nijmegen: Sovon Vogelonderzoek Nederland Daar komt bij dat het aantal grotere roofvogels door voedselgebrek afneemt op de hogere zandgronden, terwijl het juist toeneemt in laag Nederland. Dit voedselgebrek hangt samen met de veranderingen in het voedselweb door hoge stikstofdepositie en verzuring waar juist bostypen in het droge zandlandschap zo gevoelig voor zijn.Burg, A. v., Bijlsma, R.-J., & Bobbink, R. (2015). Arme bossen verdienen beter. Zeist: KNNV publishing.,Compendium voor de Leefomgeving. (2019, november 21). Broedvogels van bos, 1990-2018. Opgeroepen op mei 18, 2020, van website van Compendium voor de leefomgeving: https://www.clo.nl/indicatoren/nl1618-broedvogels-van-het-bos. Gearchiveerd op 1 april 2023.

Soorten stellen verschillende eisen aan hun leefomgeving. De ene soort houdt van vocht, voedselrijkdom en licht, de andere voelt zich beter thuis in een droge, voedselarme, schaduwrijke omgeving. Elke verandering in het bos kan tegelijkertijd positieve gevolgen hebben voor sommige plant- en diersoorten en negatieve gevolgen voor andere. Hiermee moet een beheerder rekening houden wanneer deze het voorkomen van bepaalde soorten wil bevorderen of juist binnen de perken wil houden. Door bij het bosbeheer in te spelen op heterogeniteit van het landschap op verschillende schaalniveaus, kunnen veel soorten naast elkaar voorkomen. Het is ook van belang dat bossen op landschapsschaal worden beheerd. Vinden we bijvoorbeeld een karig en structuurarm beukenbos dat is omzoomd door structuurrijke en gevarieerde eiken- en berkenbossen, dan is het raadzaam dit bos te handhaven omdat de aanwezigheid hiervan op landschapsschaal juist zorgt voor extra variatie.

Typen biodiversiteitsbeheer in bossen Om de biodiversiteit in het bos te vergroten, moet het bosbeheer gericht zijn op het in stand houden of creëren van heterogeniteit van het milieu, zoals nat/droog, licht/donker, voedselrijk/voedselarm, structuurrijk/structuurarm.

Natuurlijke processen kunnen hieraan bijdragen, maar veel van deze processen zijn 'stilgelegd'. Bosbranden worden zo snel mogelijk geblust, rivieren kunnen niet ongebreideld overstromen en de grondwaterstand wordt gemanipuleerd. Tevens zijn op veel plaatsen geen grote vrij levende herbivoren aanwezig die door begrazing invloed kunnen uitoefenen op de bosontwikkeling. Soorten zoals oeros en tarpan zijn zelfs wereldwijd uitgestorven.

Bovendien zijn er veel nivellerende invloeden vanuit de omgeving, zoals vermesting, verdroging en verzuring. In natuurlijke landschappen zorgen bovengenoemde natuurlijke processen voor een grotere terreinheterogeniteit, waarbij open plekken ontstaan en verschillende bostypen op landschapsschaal zich kunnen ontwikkelen. In het Nederlandse cultuurlandschap hebben veel bossen echter een klein oppervlak en liggen ze versnipperd en geïsoleerd in het landschap. Hierdoor is het op veel plaatsen niet mogelijk om de natuurlijke processen te herstellen.

Om de gewenste heterogeniteit van het bos in stand te houden of te vergroten, zijn in veel gebieden beheermaatregelen noodzakelijk, zoals het doen ontstaan van dood hout, geleidelijk verlopende bosranden, open plekken en verticale gelaagdheid. Ook kan het stimuleren van begrazing helpen en een aangepast beheer van wild en exoten.

Dood hout maken Dood hout vormt de meest waardevolle component van een bossysteem als wordt gesproken over biodiversiteit. Een derde van de totale bosgebonden biodiversiteit en 40 tot 50% van alle bosfauna is afhankelijk van dood hout.Akkerhuis, G. J., Wijdeven, S., Moraal, L., Veerkamp, M., & Bijlsma, R. (2005). Dood hout en biodiversiteit. Een literatuurstudie naar het voorkomen van dood hout in de Nederlandse bossen en het belang ervan voor de duurzame instandhouding van geleedpotigen, paddenstoelen en mossen. Wageningen: Alterra, Dit hangt ermee samen dat dood hout niet één specifieke habitat vormt, maar een complex van elkaar opvolgende micro-habitats met ieder zijn eigen specifieke soorten. Door de relatief jonge leeftijd van het Nederlandse bos en een verleden als intensief productielandschap is er echter nog weinig dood hout aanwezig. Waar dood hout in het Poolse oerbos van Bialowieza ruim 25% van de bovengrondse biomassa uitmaakt, betreft dit in Nederland zo’n 6,38% (2012-2013).

Op termijn zal het aandeel dood hout in het Nederlandse bos vanzelf toenemen. Met het oog op de hoge waarde voor de biodiversiteit kan een beheerder er voor kiezen om dit proces te versnellen door kunstmatig dood hout te creëren. Hiertoe kunnen bomen worden geveld, geringd, gelipt, omgetrokken of omgeduwd, of men kan ‘dood-houteilanden’ laten ontstaan: Bij vellen wordt een boom omgezaagd en vervolgens niet geoogst, zodat hij dienst kan doen als liggend dood hout. Ook bij een geplande houtoogst kan men minder waardevolle stamdelen ter plaatse achterlaten, of de bomen hoger afzagen, zodat een hoge stobbe achterblijft. In natuurlijk functionerende systemen worden bomen bijvoorbeeld geveld door bevers. Bij ringen wordt de boom ingesneden zodat de schors, de bast en het cambium onderbroken worden. Hierdoor wordt de sapstroom belemmerd en zal de boom binnen een aantal jaren doodgaan, met als gevolg dat er staand dood hout in het bossysteem wordt gecreëerd. Staand dood hout kan dienst doen als nestboom voor tal van holenbroeders zoals grote bonte specht en matkop en verteert langzamer dan liggend dood hout, waardoor het langer in het bossysteem aanwezig blijft. Staand dood hout kent een gradiënt van vochtig aan de voet naar droog aan de bovenzijde, waardoor de voet vaak eerder verteert en er uiteindelijk alsnog liggend dood hout ontstaat. Door te ringen wordt het schillen van bomen door paarden, elanden, wisenten, edelherten en reeën gesimuleerd. Door grote oppervlakten bos in een keer te ringen, wordt een stijgende grondwaterstand of insectenplaag gesimuleerd. Vanuit het oogpunt van biodiversiteit is het beter om bomen gefaseerd in ruimte en tijd te ringen, zodat alle verteringsstadia met de daaraan gebonden flora en fauna in het terrein kunnen voorkomen. Bij lippen wordt een boom deels ingezaagd waarna hij wordt omgetrokken. Op deze manier wordt het afknappen van een stam gesimuleerd zoals dat voorkomt bij stormen. Evenals voor vellen geldt bij lippen dat, afhankelijk van de boomsoort, deze opnieuw uit kan lopen. Bij omtrekken en omduwen wordt windworp gesimuleerd. Windworp houdt in dat er door storm in een keer meerdere bomen omvallen waardoor een open plek ontstaat. De wortelkluit van omgetrokken of omgeduwde bomen vormt een potentiële nestplaats voor diverse vogelsoorten zoals ijsvogel en winterkoning. Indien deze maatregel wordt uitgevoerd in vochtige bostypen, ontstaat er onder de kluit vaak een poeltje. Dergelijke poeltjes kunnen weer als voortplantingsplaats fungeren voor amfibieën en allerhande macrofauna zoals muggenlarven en rattenstaarttlarven (larve van de blinde bij). Behalve deze actieve methoden is er ook nog een passieve methode om het aandeel dood hout in een bosgebied te verhogen. Deze methode staat bekend onder de term ‘dood-houteilanden’.Akkerhuis, G. J., Moraal, L., Veerkamp, M., Bijlsma, R., Vorst, O., & van Dort, K. (2007). De rol van doodhoutspots voor de biodiversiteit van het bos. Veldonderzoek naar de rol van doodhoutspots bij de vestiging van zeldzame insecten, paddenstoelen en mossen. Wageningen: Alterra. Binnen een multifunctioneel bos worden individuele bomen of bosjes van een kwart tot een halve hectare groot aangewezen waarin geen regulier bosbeheer meer wordt toegepast. Dergelijke bosjes komen in de loop der tijd in de vervalfase terecht, waardoor er veel dood hout ontstaat. Soorten die aan dood hout zijn gebonden, kunnen deze bosjes gebruiken om zich door het boslandschap te verplaatsen (zgn 'stapstenen').

Geleidelijke bosranden creëren