Samuel Joel (Zero) Mostel (Brooklyn, 28 februari 1915 - Philadelphia, 8 september 1977) was een Amerikaanse toneel- en filmacteur, bekend om zijn portrettering van komische karakterrollen zoals Tevye (spreek uit: 'Tevje' - hoofdfiguur van Sholom Aleichem) in het toneelstuk Fiddler on the Roof, Pseudolus (op toneel en het witte doek) in A Funny Thing Happened on the Way to the Forum, en Max Bialystock (een egoïstische en hebzuchtige man, belust op geld) in de originele filmversie van The Producers (1968). In de jaren 50 (van de twintigste eeuw) stond hij op de Zwarte lijst van Hollywood, ook zijn getuigenverklaring voor het House Committee on Un-American Activities kwam breeduit in de pers. Hij is winnaar van een Tony Award en Obie Award (sinds 1956 uitgereikt door The Village, een New Yorks weekblad voor theaterartiesten en -groepen aan hen die off-Broadway spelen).
Jonge jaren Mostel werd geboren als Samuel Joel Mostel, zoon van Israel Mostel, een Oost-Europese Jood, en Cina "Celia" Druchs, ook uit een Joodse familie, die in Polen werd geboren en opgroeide in Wenen. De twee emigreerden naar de Verenigde Staten (ieder apart: Israel in 1898 en Cina in 1908) waar ze elkaar ontmoette en trouwden. Israel had al vier kinderen uit zijn vorige huwelijk; met Cina had hij er ook vier, waarvan Samuel, later bekend als Zero, het zevende kind was.
Aanvankelijk woonden ze in Brownsville, een wijk in Oost-Brooklyn, en verhuisden later naar Moodus, Connecticut, waar ze een boerderij kochten. Het geld kwam binnen via de wijnbouw en het slachthuis. Het ging niet zo goed met de boerderij. Volgens Zero kwam er een koppige bankdirecteur met een woeste snor en een executie op de boerderij, waarna de familie naar New York terugging en een huis betrok op Lower East Side van Manhattan en Zero ging naar de openbare school waar hij zich vormde. Zijn vader kreeg een baan als wijnchemicus. Hoewel de familie niet arm was, moest men het toch zuinig aan doen. Zijn familie omschreef Zero als uitbundig en levendig, met een goed gevoel voor humor. Hij toonde intelligentie en observatie, wat zijn vader overtuigde dat hij een goede rabbi zou worden; maar Zero hield van schilderen en tekenen, een passie die hij zijn hele leven bleef doen. Volgens Roger Butterfield (journalist bij The Saturday Evening Post) maakte zijn moeder een suède pak voor hem en zond hem naar het Metropolitan Museum of Art om meesterwerken na te tekenen. Het schilderij Study for Woman in Black and Green van de Amerikaanse schilder John White Alexander (1856-1915) was zijn favoriet. Hij kwam dagelijks terug om dit werk na te tekenen, dit tot groot genoegen van de bezoekers. Op een middag, terwijl de bezoekers over zijn schouder meekeken, tekende hij het hele schilderij heel gewichtig ondersteboven; zijn publiek was verrukt.
Al op jonge leeftijd ontwikkelde hij een tweestrijd met zijn karakter, hetgeen de recensenten jaren later verwarde: Als hij alleen was, was hij ijverig en stil, maar als er naar hem gekeken werd vond hij dat hij in het centrum van de belangstelling moest staan en sloeg zich daar met humor doorheen. Het feit dat hij thuis Engels, Jiddisch, Italiaans en Duits sprak, leverde hem een groot publiek van verschillende afkomsten op.
Op de lagere school bleek hij een uitstekende leerling te zijn (de bijnaam 'Zero' kreeg hij, volgens eigen zeggen, toen hij een gemiddeld cijfer behaalde). Op The Educational Alliance leerde hij professioneel schilderen. Hij behaalde zijn middelbareschooldiploma aan de Seward Park High (inmiddels gesloten); het jaarboek vermeldt: "Een toekomstige Rembrandt... of misschien een komediant?".
Op de City College of New York, een openbare college dat arme studenten de kans gaf hoger onderwijs te genieten, gedroeg hij zich niet alleen bij de zwemploeg clownesk, maar ook bij de R.O.T.C. (Reserve Officiers' Training Corps).Current Biography Yearbook, H.W. Wilson Company, 1955, p. 540.
Het was enkel eersteklassers toegestaan de kunstles te volgen, maar Zero volgde hem herhaaldelijk om te kunnen tekenen en professionele feedback te krijgen. In die tijd had hij de vreemdste baantjes en in 1935 ontving hij zijn bachelor. Hij studeerde verder voor een master of arts en als tekenleraar was hij verbonden aan het Public Works of Art Project (PWAP).
In 1939 trouwde hij met Clara Sverd en verhuisden ze naar een appartement in Brooklyn. Het huwelijk hield geen stand, want Clara kon niet accepteren dat Zero zoveel tijd spendeerde in zijn studio samen met andere kunstenaars en ook dat hij niet in staat was haar te onderhouden op het niveau dat zij gewend was. In 1941 gingen ze apart wonen en in 1944 scheidde het stel. Maar Clara ging alleen met de scheiding akkoord als Zero haar voor de rest van zijn leven een percentage van zijn inkomsten zou betalen.
Carrière Begintijd Naast zijn verplichtingen bij de PWAP, gaf Zero ook nog kunstlezingen in New Yorkse musea. Tijdens het rondleiden van de groepen studenten, kon Zero zijn gevoel voor humor niet onderdrukken en werden zijn lezingen niet alleen beroemd om zijn kennis van de kunst, maar ook door zijn humor. Naarmate zijn reputatie groeide, werd hij uitgenodigd om partijen en andere sociale gelegenheden op te vrolijken; hiermee verdiende hij drie tot vijf dollar per keer. Toen volgde er optredens bij Arbeiders- en Studentenverenigingen waar Zero grappen maakte over het sociale leven. Deze optredens zouden de komende tien jaar een grote rol spelen en zou hij uiteindelijk op de zwarte lijst komen te staan.
De Café Society (een nachtclub in hartje Manhattan; geopend sinds 1938) nodigde Zero in 1941 uit om professioneel komiek te worden en in een echt stuk te spelen. Hij ging erop in en in de maanden erna werd hij de hoofdattractie. De publiciteitsagent van de club raadde hem aan 'Zero' als artiestennaam te gebruiken, in de hoop dat men zou zeggen: "Hier is de man die van niets iets maakt." Op zijn 27e stortte hij zich volledig en alleen nog maar op zijn carrière in de showbusiness.
Eerste succes Vanaf hier ging het erg vlug met Zero. Alleen al in 1942 ging zijn salaris in de Café Society van 40 dollar per week naar 450 dollar; hij verscheen in radioprogramma's, speelde in twee Broadwayshows (Keep Them Laughing (Houd ze aan het lachen) en Top-Notchers (Topklasse)), speelde in het Paramount Theatre in New York, verscheen in een MGM-film (Du Barry Was a Lady), en boekte een kamer in hotel La Martinique voor 4.000 dollar per week. Ook had hij een gastoptreden in het Yiddish Theatre in New York, de stijl die hem eigen was. Het tijdschrift Life omschreef Zero in 1943 als volgt: "De meest grappigste Amerikaan die nog leeft".
In maart 1943 moest Zero het leger in. Het is niet met zekerheid te zeggen hoelang hij gediend heeft. De een zegt dat hij na een half jaar al afzwaaide vanwege een colitis, de ander zegt dat hij de oorlog heeft uitgediend. Hoe dan ook, het is in elk geval duidelijk dat hij eervol werd ontslagen en dat hij de troepen tot 1945 vele maanden geamuseerd heeft via de USO (Unite Service Organizations).
Na twee jaar verkering trouwde hij op 2 juli 1944 met Kathryn (Kate) Cecilia Harkin, een danseres in de Chez Paree-club. Het huwelijk wankelde soms, omdat Zero, net als destijds bij Clara, veel tijd in zijn kunststudio doorbracht. Vrienden van de familie omschreven het huwelijk als gecompliceerd, met veel strijd maar zwijgende adoratie. Ze bleven bij elkaar tot Zero's dood in 1977. Ze kregen twee zoons: acteur Joshua (Josh - 1946) en kunstenaar Tobias (Toby - 1948).
Toen Zero werd ontslagen uit militaire dienst, ging ook zijn carrière weer bergopwaarts. Hij verscheen in een aantal toneelstukken, musicals, opera's en films. In 1946 deed hij zelfs een poging serieus te acteren in The Beggar's Opera, maar het ontvangst was gematigd. Critici zagen hem als een veelvoudige artiest die zowel in een stuk van Molière kon spelen alsmede op de bühne van een nachtclub kon staan.
Ondertussen werd Zero door de FBI in de gaten gehouden, vanwege de politieke keuze die hij aanmoedigde. Afgaand op zijn FBI-dossier werd hij vaak gezien bij ontmoetingen van de Communistische Partij (1941) en nam actief deel aan de groepering om Earl Browder (1891-1973) vrij te krijgen; dit was een Amerikaanse communist die hiervoor in 1917 werd opgepakt.
Zwarte lijst en HUAC Ondanks de groeiende populariteit en heel veel prachtige recensies, kwam er midden jaren 50 een abrupt einde aan Zero's carrière. Hij zag dat veel van zijn vrienden uit de showbusiness op de zwarte lijst kwamen te staan en gedwongen werden namen te noemen van vermoedelijke communisten; het was voor hem dan ook geen verrassing dat zijn naam ook werd genoemd. Op 29 januari 1952 werd hij geïdentificeerd door Martin Berkeley bij het House Committee on Un-American Activities (HUAC) als zijnde lid van de Communistische Partij (in totaal noemde Berkeley 160 namen - meer dan ieder andere getuige). Dit was voldoende om Zero's carrière lam te leggen nog voordat hij gedagvaard werd om voor het HUAC te verschijnen; wat op 14 augustus 1955 gebeurde.
Het comité werd voorgezeten door voorzitter Clyde Doyle (1887-1963; hij behoorde tot het Huis van Afgevaardigden). Omdat hij zelf geen advocaat kon betalen, deed hij dat zelf. Frank Wilkinson (1914 - 2006; civiele liberale activist die eveneens terechtstond bij het HUAC) herinnerde zich de procedure aldus: "De advocaat van het comité zette onmiddellijk de aanval in: 'Mr. Mostel, bent u nu wel of geen communist?' Zero sprong vanachter de raadstafel op uit zijn stoel, sloeg de microfoon tegen de grond, greep de advocaat van de HUAC bij de keel en schreeuwde: 'Die man noemde mij een communist! Zorg dat hij hier wegkomt! Hij vroeg me of ik een communist ben! Zorg dat hij hier wegkomt!'
"Het comité brulde van het lachen. Ze waren verrukt. Hier hadden ze Zero Mostel helemaal voor zichzelf, op de planken. Zero speelde en debatteerde met hen voor minstens twintig minuten, hun vragen beantwoordend door alle amendementen op de grondwet te declameren.
"Uiteindelijk zeiden de HUAC-advocaten voorzichtig: 'Mr. Mostel, we kennen al deze amendementen. We willen alleen maar weten of u zich nu wel of niet beroept op het Vijfde Amendement'. (Het weigeren te getuigen.)
"Hij vroeg Zero niet of hij nu wel of geen communist is, hij vroeg hem of hij zich beroept op het Vijfde Amendement. Wat zij wilden was dat hij 'Ja' zou zeggen. Na tien minuten van redetwisten zei Zero: 'Ja, ik beroep mij op het Vijfde Amendement.'
"Het verhoor werd direct stopgezet. De PR-jongen van het comité liep naar de deur en opende die. Hij zei helemaal niets tegen de verslaggevers. Hij hield alleen vijf vingers op en de pers stormde weg naar de telefoons in het hotel. De volgende ochtend luidde de koppen: "Zero Mostel Beroept Zich op het Vijfde Amendement tijdens HUAC".
Dus Zero weigerde het comité meer namen te geven en hierdoor zichzelf gunstig te stellen, en koos er dus voor geen enkele vraag te beantwoorden dat hem kon beschuldigen; een directe weigering namen te noemen stelde het comité in staat hem te minachten. Zijn getuigenis leverde hem bewondering op bij hen die op de zwarte lijst stonden. Door geen namen te noemen confronteerde hij tevens het comité op ideologische kwesties, iets wat maar zelden gebeurde. Ook verwees hij naar 20th Century Fox als “18th Century Fox” (ze werkten samen met het comité), en manipuleerde de leden van het comité om zich als zotten te gedragen.
Ondanks de bewondering die hij ontving toen hij moest getuigen, bleef hij op de zwarte lijst staan en het gezin moest rondkomen van een schamel inkomen. Zero besteedde deze tijd door in zijn studio te werken. Later zou hij zeggen dat hij deze tijd koesterde om te doen waar hij het meest van hield. De verschijning voor het HUAC, zowel die van Zero als ook van anderen, werden samengebracht in het toneelstuk uit 1972 Bent U Nu of Bent U Ooit Geweest...? van Eric Bentley (1916; Britse criticus, toneelschrijver, zanger, redacteur en vertaler).