De rooms-katholieke kerk Sint-Jan de Doper in het centrum van de Noord-Brabantse stad Waalwijk is gebouwd tussen juni 1923 en november 1925. De kerk wordt in de volksmond Sint-Jan genoemd. Het bouwwerk van architect Hendrik Willem Valk is afgeleid van de byzantijnse architectuur. Het is de grootste neo-byzantijnse kerk van Nederland. De toren en de koepel bepalen het silhouet van Waalwijk. In 1993 werd het kerkgebouw aangewezen als rijksmonument. De kerk is sinds juli 2020 onderdeel van het Grootste Museum van Nederland. Naast katholieke erediensten worden in de kerk tevens rondleidingen, concerten en lezingen georganiseerd.
Parochie In 1233 verkreeg de Orde der Norbertijnen van de abdij van Tongerlo het patronaatsrecht uit handen van hertog Hendrik I van Brabant. De eerste (houten) kerk stond op de grens van Besoyen (Holland) en Waalwijk (Brabant), op dezelfde plaats waar nu de Nederlands Hervormde Kerk aan de Haven staat.
Na een aantal fusies met omliggende parochies vanaf het jaar 2000 heet de parochie tegenwoordig ‘Sint Jan de Doper Waalwijk en Waspik'. Zij omvat de hele gemeente Waalwijk. Binnen deze gemeente wonen ongeveer 4500 katholieken waarvan er 2300 als katholiek staan ingeschreven in de parochiële administratie. Diverse andere parochies in de omgeving van Waalwijk zijn eveneens gewijd aan de patroonheilige Johannes de Doper.
Waterstaatskerk
Tot 1922 stond op de plek van de huidige Sint-Jan een waterstaatskerk die dateerde van 1829. Bouwpastoor van deze kerk was Paulus Antonius van Baer. Het exterieur van de kerk was sober, behalve de classicistische voorgevel. Het interieur had een kleurrijke, neo-barokke aankleding.
De bouw van waterstaatskerken was een van de gebaren waarmee de regering van het Koninkrijk der Nederlanden na 1815 de oude tegenstelling tussen katholieken en protestanten probeerde te verzachten. Bij de Vrede van Münster (1648) was namelijk bepaald dat kerkgebouwen die gedurende de Tachtigjarige Oorlog in handen van de protestanten waren gekomen, niet aan katholieken zouden worden teruggegeven. Zo ook het bestaande gotische kerkgebouw (uit 1470) aan de oude haven van Waalwijk. Katholieken vierden hun heilige missen in schuilkerken. Om een einde te maken aan deze situatie die door de katholieken als discriminerend werd ervaren, verleende de regering vanaf 1824 financiële steun voor nieuw te bouwen kerken. Voorwaarde was dat ingenieurs van het Ministerie van Waterstaat goedkeuring gaven aan de bouw en hierover de controle hielden. Vandaar de naam waterstaatskerk.
Rond 1900 was er in Nederland sprake van een katholiek reveil. Kerken, kloosters, seminaries en congregaties kwamen als paddenstoelen uit de grond. In Noord-Brabant was dat goed zichtbaar. Het leek een grote inhaalslag, na eeuwen van schuilkerk-katholicisme: priesterroepingen, missie-activiteiten, bouwwoede, hoge huwelijksvruchtbaarheid, kerken die uitpuilden. Het waren uitingen van katholieke emancipatie, bedoeld om af te rekenen met het historische minderwaardigheidscomplex.
Noodzaak tot nieuwbouw Begin twintigste eeuw bleek de waterstaatskerk veel te klein voor het toegenomen aantal kerkbezoekers. Verder was er nog amper waardering voor waterstaatskerken. Bovendien stonden er enkele noodzakelijke, dure reparaties op stapel. Het kerkbestuur begon te denken aan nieuwbouw. In 1908 ontving de Amsterdamse architect Jan Stuyt de opdracht tot een ontwerp. Waarschijnlijk was dit op voorspraak van kapelaan Arnold Suys van de Sint-Jansparochie. Deze bevlogen geestelijke was met Stuyt bevriend geraakt als medereiziger op een pelgrimstocht naar het ‘Heilig Land’ (Palestina). Stuyt en Suys waren behalve ijveraars voor het katholieke geloof ook representanten van het oriëntalisme, de westerse belangstelling voor de mystiek van het Oosten, de Oriënt.
Later zou Suys stichter worden van de Heilig Landstichting bij Groesbeek, thans openluchtmuseum Orientalis. Stuyt maakte een schets van een nieuw gebouw; vanwege geldgebrek verdween dit ontwerp echter in de la.
De onderwijspacificatie die in 1917 in de grondwet kwam, behelsde de financiële gelijkstelling van openbaar en bijzonder onderwijs. In 1920 kreeg die zijn wettelijk beslag in de Lager Onderwijswet van minister De Visser. Tot dan toe waren de kerken verantwoordelijk geweest voor de kosten van bijzonder onderwijs. Vanaf 1920 werden de salarissen van alle onderwijzers betaald door de overheid. Voor de parochie Sint-Jan kwam er ineens veel geld vrij. De financiële situatie werd nog rooskleuriger toen in hetzelfde jaar de bierbrouwer Pieter Wijten, een rijke, ongetrouwde Waalwijker, bij zijn overlijden een flink geldbedrag als legaat aan de parochie naliet. Ook de verhoogde opbrengst van verpachting van kerkbanken leverde veel geld op. Niets stond de hoogstnoodzakelijke nieuwbouw nog in de weg.
Architect H. Valk miniatuur|Ontwerp van de voorgevel door architect Valk, april 1923.|alt= In 1922 viel het besluit de architect Hendrik Willem Valk (1886-1973) uit 's-Hertogenbosch een ‘voorlopige opdracht’ te verlenen voor het ontwerp van een nieuwe kerk. Zijn mentor en oudere collega Jan Stuyt, de maker van het ontwerp uit 1908, beschikte inmiddels over een goed gevulde orderportefeuille en hij droeg Valk voor. Voor Valk zou de Waalwijkse Sint-Jan zowel zijn vuurdoop als zijn magnum opus worden. De architect was pas 35 jaar toen hij de opdracht kreeg.
Valk was in 1910 in dienst getreden bij de befaamde architect Pierre Cuypers, die al veel neo-gotische kerken en gebouwen op zijn naam had staan. Werkzaam op diens kantoor te Amsterdam, volgde Valk een cursus bij het Voortgezet en Hooger Bouwkundig Onderwijs, in 1908 opgericht door het genootschap Architectura et Amicitia. Hier liep hij onder meer college bij Jan Stuyt, Joseph Cuypers (zoon van Pierre) en Hendrik Berlage. Stuyt en Joseph Cuypers waren tevens zijn oudere collega’s bij het Amsterdams architectenbureau. Hun interesse in byzantijnse en oriëntaalse vroegchristelijke bouwkunst sprong op Valk over. Joseph Cuypers streefde naar een eigen stijl die afweek van de dwingende neogotiek, waar zijn vader Pierre in Nederland het patent op had.
In 1922 was Valk al een opdracht tot kerkenbouw aan het uitvoeren: de Sint-Aloysiuskerk te Utrecht. Die toont stijlverwantschap met de Waalwijkse Sint-Janskerk. Valk putte inspiratie uit opvattingen over expressionistische architectuur van woordvoerders van de Amsterdamse School. Maar ook uit die van Berlage, een van zijn leermeesters, die architectuur beschouwde als het op organische wijze vormgeven van de ruimte, waarbij elk onderdeel een ander oproept en elk het totaal weerspiegelt. Siersmeden, meubelmakers en decorateurs moesten samen met de architect een zogenoemd Gesamtkunstwerk scheppen. Valk had voorliefde voor het ambachtelijke werk, eenvoud en traditie. Modern functionalisme noemde hij vormloos; nieuwe technieken zouden de menselijke maat missen. Beton kon hoogstens een constructief hulpmiddel zijn, maar geen deel van een esthetisch concept.
Bouwstijl miniatuur|Bouwstijl Sint-Jan: centraalbouw, minaret-achtige toren en vele imposante koepels.|alt= Valk kwam snel met een ontwerp. Het toonde een gewaagd, niet-alledaags concept: een ronde, aan Byzantium ontleende grondvorm; een imposante koepel, omgeven door een krans van kleinere koepels; en een (uiteindelijk zeskantige) minaret-achtige toren. Aanvankelijk wantrouwden de kerkbestuurders dit ontwerp. De één was bang dat de koepel in elkaar zou zakken. De ander miste de gotische spitsbogen. Sommigen associeerden de koepel en de toren met ‘heidense’ (lees: islamitische) bouw. Later uitten collega-architecten kritiek die de Nieuwe Zakelijkheid aanhingen. Het kerkbestuur vroeg raad aan Jan Stuyt en aan Jan Kalf, directeur van Monumentenzorg. Die steunden Valk volledig.
Er werd in de jaren 1910-1930 onder katholieken veel geschreven en gediscussieerd over nieuwe vormen. Men wilde breken met de neogotische uniformiteit. Architectuur moest nuttig zijn en tegelijk een spirituele schoonheid tonen, met aanwending van baksteen als traditioneel materiaal. Voor Valk gold een principiële reden om te kiezen voor een grondplan dat afweek van de langwerpige gotische kerken. In de eredienst moest een minder grote afstand komen tussen priester en kerkvolk. Een ongedeelde ruimte bevorderde het gemeenschappelijk beleven van de Heilige Mis. Een goed zicht op het altaar was van belang. Een ideaal uit de vroege christentijd deed weer opgeld: een altaar midden in de kerk tussen de gelovigen; een zogeheten volkskerk. Dit ideaal was door ‘Rome’ in de zestiende eeuw verlaten, onder invloed van het Concilie van Trente. Technisch werd het mogelijk grotere ruimtes te overspannen, bijvoorbeeld met gewapend beton en stalen constructies. Het gemeenschapsidee zou ook mooi vorm krijgen in de grote koepel. De Byzantijnse koepel symboliseert tevens het hemelse gewelf.
Er was ook een praktische reden voor dit ontwerp: de beperkte afmetingen van het bouwterrein vroegen om een ronde grondvorm.
Het bouwwerk is een toepassing van regels van Byzantijnse centraalbouw. Het vertoont kenmerken van de Hagia Sofia in Constantinopel (nu Istanboel) en van de San Vitale in Ravenna, beide uit de zesde eeuw, bloeitijd van het Byzantijnse Rijk. Het grondplan van de Sint-Janskerk is gebaseerd op dat van de San Vitale, zij het dat de San Vitale achthoekig is. De schepping van Valk heeft een zeskantige symmetrische grondvorm, goed zichtbaar aan de buitenzijde. Het interieur van de Sint-Jan wordt echter ervaren als achtkantig. Acht forse zuilen dragen de koepel. Zij markeren acht grote paraboolvormige ruimten: vier apsides en daartussenin vier zogeheten concha’s (schelpvormige halfkoepels).
Start van de bouw thumb|200px|Kerktoren Sint-Jan in aanbouw, mei 1925|alt= In april 1923 gaf het Waalwijkse kerkbestuur, met bouwpastoor N.H.J. van Riel als voorzitter, het groene licht voor de nieuwbouw. Een kerkgebouw met 1200 zitplaatsen bleek te duur; het ontwerp werd iets verkleind tot een ruimte voor 1000 zitplaatsen. Een inschrijving onder Nederlandse bouwaannemers resulteerde in de gunning van de opdracht aan bouwbedrijf Thunnissen & Van Sambeek uit Heemstede. Dat had ingeschreven voor het bedrag van 336.900 gulden. De totale kosten (inclusief de decoraties) zouden 367.380 gulden bedragen.
De bouw nam slechts 2,5 jaar in beslag. In juli 1923 startten de voorbereidingen. Onder meer liet men met paardenkarren 8000 kubieke meter zand aanrukken voor een terp. De gelovigen moesten immers ‘opgaan naar de Heer’. Na enkele grondboringen werden de funderingen aangebracht, met een achttal metersdiepe kolomvoeten uit gewapend beton. In de torenfundering stortte men zo’n 100 m³ beton. Vanwege de bijzonder strenge winter waren de funderingswerken pas eind maart 1924 afgerond. In april begonnen de metselaars de zijmuren op te trekken. Vanaf september 1924 waren de platte daken en de kleinere koepels aan de beurt. Daarna verplaatsten de bouwwerkzaamheden zich naar de toren, de doopkapel, en de gewelfde processiegangen en de grote koepel.
De koepelbouw miniatuur|Bouw van de grote koepel van de Sint-Jan, februari 1925|alt= In januari 1925 begon het grote werk: het metselen van de koepelmuren en (in februari) het plaatsen bovenop de muren van een gewapend betonnen ring. Daarop moest de koepel gaan rusten. Het naar boven hijsen en aaneenlassen van de zestien grote metalen koepelgebinten, het geraamte van de koepel, bood een spectaculaire schouwspel. Op dit geraamte brachten de timmerlieden een stevige houten bedekking aan, waarna de metselaars aan de slag gingen voor het bakstenen koepelgewelf aan de binnenzijde. Dat karwei was binnen vier weken voltooid. In mei prijkte de spits (met de door Valk ontworpen torenhaan) al bovenop de zeshoekige toren. Toen was het de beurt aan twee firma’s om al het koperwerk op de koepels te bevestigen. Voor de negentien koepels werd ongeveer 20.000 kilo koper gebruikt; de koepelconstructie bevat 40.000 kilo aan ijzer.