De Discovery-expeditie die van 1901 tot 1904 duurde was de eerste officiële Britse verkenning van het toen nog grotendeels onbekende Antarctica sinds kapitein James Clark Ross zestig jaar eerder een dergelijke expeditie had ondernomen. Voor de organisatie van de expeditie werkten de Royal Society en de Royal Geographical Society met elkaar samen. Veel later bekend geworden ontdekkingsreizigers zoals Robert Falcon Scott, die de leider van de expeditie was, Ernest Shackleton, Edward Adrian Wilson, Frank Wild, Thomas Crean en William Lashly begonnen met deze expeditie aan hun carrière.
De wetenschappelijke resultaten die de expeditie opleverde hadden vooral betrekking op de biologie, zoölogie, geologie, meteorologie en het magnetisme. Belangrijke ontdekkingen waren onder meer die van de Droge Valleien van McMurdo en de kolonie van keizerspinguïns op Kaap Crozier. Op geografisch gebied werden via het Transantarctisch Gebergte onder meer het Ross-ijsplateau en het Antarctisch Plateau ontdekt. De expeditie bereikte niet de zuidpool, maar verlegde wel het Farthest South. Het expeditieschip, genaamd de RRS Discovery, en zijn bemanning moesten, vlak voor het verstrijken van het ultimatum waaraan de expeditie gebonden was, uit het ijs worden bevrijd.
Achtergrond Soortgelijke expedities thumb|upright|left|alt= A man in a heavily embroidered uniform looks right, graping a large sword. A navigational instrument stands on a table, lower right.|James Clark Ross, die onder meer de Rosszee, het Ross-ijsplateau en McMurdo Sound ontdekte Tussen 1839 en 1843 reisde James Clark Ross met zijn twee schepen HSM Erebus en HMS Terror drie keer naar het Antarctische continent. De gebieden die hij ontdekte en waaraan hij een naam gaf (o.a. de Rosszee, het Ross-ijsplateau en het eiland Ross, Kaap Adare, Victorialand, de McMurdo Sound, Kaap Crozier en de twee vulkanen Erebus en Mount Terror) vormden later de bestemmingen voor veel nieuwe Britse expedities.
In januari 1895 landde een groep Noorse walvisvaarders op Kaap Adare. Een van de leden van deze groep, Carsten Borchgrevink, zette later met behulp van een donatie van £35 000 van de magnaat en uitgever George Newnes zijn eigen expeditie naar ditzelfde gebied op touw. In februari 1899 kwam Borchgevink aan op Kaap Adare, waar hij een kleine hut bouwde en de winter doorbracht. De volgende zomer bereikte hij het Ross-ijsplateau, waarna hij met enkele anderen verder zuidwaarts trok.
De interesse voor het Antarctische gebied nam rond de eeuwwisseling sterk toe. De Discovery-expeditie werd tegelijk met enkele soortgelijke expedities op touw gezet: een Duitse expeditie onder leiding van Erich von Drygalski, een Zweedse expeditie onder leiding van Otto Nordenskjöld, een expeditie uit Frankrijk onder leiding van Jean-Baptiste Charcot en de Scottish National Antarctic Expedition die onder leiding stond van William Speirs Bruce.
De Royal Navy, Markham en Scott Onder invloed van staatsman John Barrow was na de Napoleontische oorlogen het verkennen van de poolgebieden een belangrijke bezigheid geworden van de Royal Navy. Nadat in 1845 echter de Franklin-expeditie spoorloos was verdwenen en de expeditie naar de noordpool van 1874–76 die onder leiding stond van George Nares op grote moeilijkheden was gestuit, besloot de Engelse Admiraliteit dat verdere verkenning van de poolgebieden te duur en te gevaarlijk was.
Clements Robert Markham, secretaris en later voorzitter van de Royal Geographical Society en een voormalig zeeman die bovendien had meegeholpen met het zoeken naar de verdwenen Franklin-expeditiehttps://www.theodora.com/encyclopedia/m/sir_clements_robert_markham.html, was echter een andere mening toegedaan. Toen de oceanograaf John Murray - die mee had gedaan met de Challenger-expeditie - in november 1893 aan de RGS een verhandeling met de titel The Renewal of Antarctic Exploration voorlegde waarin hij een nieuwe expeditie ten behoeve van de Britse wetenschap voorstelde, werd dit voorstel zowel door Markham als door de Royal Society ondersteund, waarna de RS en de RGS een gezamenlijk comité oprichtten dat begon met de daadwerkelijke voorbereidingen voor een nieuwe expeditie. De expeditie werd hoofdzakelijk gepland zoals voorgesteld door Markham, die de expedities van Ross en Franklin als voorbeeld nam, hoewel niet iedereen binnen het comité zich hierin kon vinden.
Robert Falcon Scott, die erop uit was zijn carrière verder uit te diepen, had tijdens een ontmoeting met Sir Clements in Londen om de leiding van de expeditie gevraagd. Uiteindelijk werd hij op 25 mei 1900 daadwerkelijk tot expeditieleider benoemd, met de ondersteuning van Markham, die Scott kende sinds hij hem als adelborst had ontmoet op de HMS Rover.
Wetenschap versus avontuur Terwijl Scott werd aangesteld als kapitein, werd John Walter Gregory - hoogleraar geologie aan de Universiteit van Melbourne en voormalig assistent-geoloog voor het British Museum - gekozen tot wetenschappelijk leider van de expeditie. Markham was echter samen met Scott van mening dat Scott de leiding over de hele expeditie moest hebben. Uiteindelijk kregen Markham en Scott gelijk, waarna Gregory zich uit het hele gebeuren terugtrok met de opmerking dat "de wetenschap niet ondergeschikt mocht worden gemaakt aan het bereiken van een hoge breedtegraad". Al deze ontwikkelingen maakten dat de relatie tussen de RS en de RGS bekoelde.
Voorbereiding 150px|thumb|upright|left|alt= Man with hair centre-parted, wearing high white collar with tie, and a dark jacket. His facial expression is serious|Ernest Shackleton, derde officier op de Discovery Bemanning De Admiraliteit stemde er na wat wikken en wegen mee in om behalve Scott ook de officieren Charles Royds en later Micael Barne en Reginald Skelton mee te sturen. Andere officieren die met de expeditie meegingen werkten voor de koopvaardij: eerste officier Albert Armitage die al eerder ervaring had opgedaan in de Jackson-Harmsworth-expeditie, Ernest Shackleton die als derde officier onder meer verantwoordelijk was voor het regelen van de voorraden en provisies, Frank Wild, William Lashly, Thomas Crean die zich in Nieuw-Zeeland bij de expeditie voegde, Edgar Evans en Ernest Joyce. Daarnaast gingen er nog een stuk of twintig korporaals mee. Ook wetenschapper George Murray ging mee. Aanvankelijk zou hij meereizen tot Australië maar hij verliet de expeditie al in Kaapstad. Het team was voor de rest onervaren. De enige wetenschapper die al eerder met een Antarctische expeditie mee was geweest, was Louis Bernacchi. Verder gingen ook de pas afgestudeerde geoloog Hartley Ferrar, de bioloog Thomas Vere Hodgson, Reginald Koettlitz en Edward Adrian Wilson mee als wetenschappers.
Organisatie De totale kosten van de expeditie werden geschat op £90 000. Hiervan werd £45 000 geschonken door de Britse regering. RGS-lid Llewellyn Longstaff gaf een donatie van £25 000. De Royal Geographic Society droeg zelf £8000 bij, en £5000 kwam van Alfred Harmsworth die eerder ook de Jackson-Harmsworth-expeditie had gefinancierd. Daarnaast stelde Colman's mosterd en meel ter beschikking. Cadbury Schweppes schonk 1600 kg chocolade, Jaeger gaf 40% korting op speciale kledij, en ook Bird's Custard en Bovril leverden belangrijke bijdragen. De Discovery werd gebouwd door de Dundee Shipbuilders Company. Dit schip was tevens een van de laatste houten driemasters die ooit in Groot-Brittannië zijn gefabriceerd.
Doeleinden Het doel van de expeditie was in de eerste plaats het verder verkennen van de Rosszee en het Ross-ijsplateau. Op basis hiervan zouden vervolgens andere gebieden verkend worden. Het onderzoek zou vooral meterologisch, geologisch, oceanografisch, biologisch en natuurkundig van aard zijn.
De expeditie thumb|300px|alt= The routes of the expedition's main journeys are shown by differentiated lines emanating from the base at Hut Point.|Deze kaart toont in hoofdlijnen het traject van de Discovery-expeditie 1902–04. RODE lijn: Reis naar Farthest South, van november 1902 tot februari 1903. ZWARTE lijn: Reis via de Western Mountains naar het Antarctisch plateau, oktober–december 1903. BLAUWE lijn: Reis naar Kaap Crozier in oktober 1902 en september/oktober 1903.
Eerste jaar left|thumb|De oude ankerplaats van de Discovery in Winter Quarters Bay.
De Discovery verliet op 6 augustus 1901 de Britse wateren, maakte een omweg om het magnetisme te onderzoeken en kwam na via Kaapstad te zijn omgereisd op 20 november aan in Nieuw-Zeeland, alwaar men zich verder voorbereidde op de reis naar het zuiden. Op 21 december verliet het schip onder luid gejuich van een menigte mensen Lyttelton Harbour. De jonge adelborst Charles Bonner verloor hierbij het leven toen hij uit de hoofdmast viel en werd twee dagen later begraven in Port Chalmers, een voorstad van Dunedin.
De Discovery bereikte op 9 januari 1902 Kaap Adare, en zette na een korte tussenstop waarbij de resten van Borchgrevinka's kamp werden onderzocht de reis voort langs de kust van Victorialand. Bij de zee-engte McMurdo Sound draaide de Discovery naar het oosten en kwam bij de Crozier Kaap op een van tevoren afgesproken punt opnieuw aan land, waarna de reis verder werd voortgezet. Men volgde het Ross-ijsplateau tot aan een van de meest oostelijke uitlopers, waar op 30 januari het Edward VII-schiereiland werd aangetroffen, een door Ross voorspeld stuk land dat toen zijn huidige naam kreeg. Op 4 februari landde Scott op het Ross-ijsplateau, waarna hij in een luchtballon op 184 meter hoogte het gebied verkende. Shackleton maakte even later een tweede verkennende ballonvlucht. Op 8 februari ging de Discovery McMurdo Sound binnen en legde een dag later aan op het meest zuidelijke punt hiervan, dat later de naam Winter Quarters Bay kreeg. Men begon met het bouwen van hutten op een rotsachtig schiereiland dat Hut Point genoemd werd. Scott besloot dat de Discovery in het pakijs moest worden ingevroren.
Niemand van de teamleden was een ervaren skiër, en alleen Bernacchi en Armitage hadden enige ervaring met sledehonden. Op 11 maart bleek hoe gevaarlijk de omstandigheden waren, toen een team dat had geprobeerd naar Kaap Crozier te reizen terugkeerde en tijdens een sneeuwstorm op een ijshelling strandde. Een van de teamleden, de adelborst George Vince, gleed over de rand van een klif en verloor het leven. Zijn lichaam is nooit gevonden. Aan de top van Hut Point staat voor hem tot op heden een kruis met een inscriptie.
Tijdens de wintermaanden - de periode van mei tot augustus - werkten de wetenschappers in hun laboratorium, terwijl men daarbuiten de voorbereidingen trof voor het aankomende seizoen. In de vrije uren werd er onder andere aan amateurtoneel gedaan en buiten op het ijs gevoetbald. Ook gingen de meterologische waarnemingen en de bestudering van het magnetisme gewoon door. Shackleton gaf een eigen krant uit, de South Polar Times. Aan het einde van de winter werden er geëxperimenteerd met de sleden. Toen een team onder leiding van Charles Royds naar Kaap Crozier afreisde, ontdekte men daar een kolonie keizerspinguïns. Een ander team dat onder leiding van Albert Armitage de bergen in het westen ging verkennen keerde in oktober terug met de eerste verschijnselen van scheurbuik. Armitage weet dit aan het feit dat Scott geen dieren wilde slachten om aan vers vlees te komen. Uiteindelijk werd het algemene dieet herzien.