Tuinslakken (Helicidae) zijn een familie van huisjesslakken.
Hiervan zijn de segrijnslak en de gewone tuinslak mogelijk de bekendste soorten. De wijngaardslak is beroemd, maar is in Nederland een zeldzame verschijning.
De soorten verschillen qua schelpvorm. De soort Cylindrus obtusus heeft bijvoorbeeld een langwerpig huisje, terwijl de Helixsoorten een globuleus (bol) huisje hebben.
Taxonomie De Tuinslakken (Helicidae)-familie omvat de volgende onderfamilies:Voor onderfamilies en (sub)tribus:
Ariantinae , 1864 Helicinae , 1815. De subfamilie Helicinae bestaat op zijn beurt uit de volgende geslachten: Cantareus Risso, 1826 Cepaea Held, 1837 Cornu Born, 1778 Eobania Hesse, 1913 Helix Linnaeus, 1758 Iberus Montfort, 1810Iberus gualtieranus alonensis is een bekende soort dat hieronder valt (syn. Helix alonensis) Otala Schuhmacher, 1817 Theba Risso, 1826 Tyrrhenaria Tyrrhenaria ceratina Shuttleworth, 1843 Xerocincta Monterosato, 1892
In Nederland waargenomen soorten Genus: Arianta Arianta arbustorum - (Heesterslak) Genus: Cepaea Cepaea hortensis - (Witgerande tuinslak) Cepaea nemoralis - (Zwartgerande tuinslak) Genus: Cornu Cornu aspersum - (Segrijnslak) Genus: Eobania Eobania vermiculata - (Pastaslak) Genus: Helicigona Helicigona lapicida - (Steenbikker) Genus: Helix Helix lucorum - (Gebandeerde wijngaardslak) Helix pomatia - (Gewone wijngaardslak) Genus: Isognomostoma Isognomostoma isognomostomos - (Maskerslak) Genus: Otala Otala lactea - (Getande melkslak) Genus: Theba Theba pisana - (Zandslak)
Anatomie De anatomie specifiek voor de tuinslak wordt hieronder per orgaanstelsel beschreven. Zie Algemene anatomie van de landslak voor een algemeen beeld van de organen.
Het slakkenhuis Kenmerken miniatuur|Schelpkenmerken van tuinslakken (model: schelp van een wijngaardslak)
De bovenzijde van het slakkenhuis wordt de top of apex genoemd (1, zie afbeelding). Deze wordt tijdens de groei van de schelp als eerste gevormd en is vaak gladder van structuur van de rest van de schelp. De top vormt de eerste van in totaal vier tot vijf windingen (3), die steeds gescheiden worden door een sutuur of naad (2). De windingen zijn bijna altijd rechts gewonden. De enkele keer dat een schelp links gewonden is, blijkt het een gril van de natuur te zijn die niet genetisch bepaald is.Aldus Angus Davison (3 juni 2020), in onder andere "The love story of Jeremy, the left-behind snail", "Rare snail makes science history thanks to international hunt for a mate.", en "Jeremy, The Lonely, Left-Twisting Snail, Dies — But Knows Love Before The End". Een slak met een linksgewonden schelp komt zo zelden voor dat het haast onmogelijk is dat hij een paringspartner vindt, dat wil zeggen, van dezelfde soort, maar ook met linksgewonden huisje. Uit de enkele keer dat het wel lukt, blijkt dat nakomelingen geen linksgedraaide schelpen hebben: het kenmerk wordt niet genetisch overgedragen.
Het slakkenhuis ontleent zijn stevigheid aan een in het midden van het huis geplaatste columella of spil (4), die van boven naar beneden loopt. Bij de schelprand is een verdikking aanwezig die callus of eelt wordt genoemd (5). Dit is een voortzetting van de gladde binnenwand van een slakkenhuis. Het huis heeft een umbilicus of navel (6), dit is een holte tegenover de top. De navel wordt deels of volledig verborgen door de callus. De schelpopening ten slotte wordt de apertura (7) genoemd.
Variaties De bijzonderheden van de schelponderdelen hangen af van de soort. De kenmerken van het slakkenhuis geven daarom vaak, maar niet altijd, uitsluiting van de slakkensoort. Verwarring over de soort kan mede ontstaan als men onvermoed een onvolgroeide slak in handen heeft.
Het huisje wordt per soort meestal beschreven op basis van kleur en textuur, aantal windingen, afmetingen en geometrie, en op basis van bijzondere kenmerken die voor de soort typerend zijn.
Groei en reparatie De apex is het oudste deel van de schelp en wordt al gevormd tijdens de rijping van het eitje. De schelp groeit dan in windingen rondom de columella, waarbij het huisje geleidelijk aan groter wordt.Kerney et al 1999 Groei vindt voornamelijk plaats gedurende activiteit van het dier. Doordat de groei vertraagt tijdens het hiberneren of estiveren, kunnen er groeilijnen ontstaan in de sculptuur van het huisje, vergelijkbaar met de groeiringen van een boomstam.
Als het huisje beschadigd raakt, is de slak in staat het te herstellen door calciumcarbonaat af te zetten aan de binnenzijde van het huisje. Het gehele slakkenhuis is voorzien van een dun beschermend laagje, het periostracum. Deze laag verweert naarmate de slak ouder wordt en groeit niet meer aan; bij oudere exemplaren bladdert het laagje af.
Afwijkingen miniatuur|Scalari van een Cornu aspersum Afwijkingen in de vorming van het slakkenhuis, zoals scalaride huisjes (ook wel 'kurketrekker' genoemd) en linksgewonden (i.e. 'verkeerdgewonden') huisjes zijn zeldzaam.Jansen 2015, p. 42 Deze verschijnselen zijn geen ziektes, noch worden zij genetisch overgedragen. Hoewel slakken met deze afwijking moeite zullen hebben met de voortplanting, blijkt hun overlevingskans groter te zijn dan die van 'normale' slakken, omdat roofdieren vaak geen raad weten met de afwijkende vorm.
Geslachtsstelsel miniatuur|Parende tuinslakken (Helix aspersa) De voortplanting van de hermafroditische tuinslak is een complex en uniek proces. De tuinslak is tweeslachtig, maar heeft te allen tijde een partner nodig om voort te planten.
Copulatie De duur van de paringsbalts kan afhankelijk van de soort minuten tot uren duren. Gedurende dit voorspel schieten de partners een liefdespijl op elkander af. Afhankelijk van de soort kunnen er één of meerdere liefdespijlen in het pijlzakje klaarliggen. Er is wetenschappelijk nog geen eenduidigheid over de precieze werking van deze liefdespijlen, maar spoedig daarna vindt de copulatie plaats.
Liefdespijlen van tuinslakkenDe vorm van liefdespijl hangt af van de soort en helpt derhalve in de determinatie van de soort. Onderstaand tabel geeft een overzicht van liefdespijlen van tuinslakken.Vorm van liefdespijlSoort tuinslak250pxArianta arbustorum250pxCepaea hortensis250pxCepaea nemoralis250pxChilostoma cingulatum250pxChilostoma glaciale250pxChilostoma planospira250pxEobania vermiculata250pxHelicigona lapicida250pxCantareus apertus250pxCornu aspersum250pxHelix lucorumElżbieta Koralewska-Batura (1993), STRUCTURE OF LOVE DARTS OF THE GENUS HELIX LINNAEUS (GASTROPODA: PULMONATA: HELICIDAE), Folia Malacol. 5: 115–118Helix lutescens250pxHelix pomatia250pxLeptaxis erubescens250pxMarmorana scabriuscula250pxMarmorana serpentina250pxOtala lactea250pxTheba pisana
De bevruchting gebeurt wederzijds, maar het hangt van de soort af in welke sekspositie het gedaan wordt. Welke dat ook moge zijn, de paring is 'wang-aan-wang', met de geslachtsopeningen tegen elkaar aan gedrukt. De geslachtsopening bevindt zich namelijk achter de rechterwang van de slak (zie algemene anatomie van de landslak). Tijdens de copulatie stulpt de penis vanuit het peniszakje uit tot twee keer de eigen lengte van de slak. Hij glijdt via de vagina van de partner richting het recepticulum seminis (letterlijk: 'zaadontvanger') voor de uitwisseling van spermatozoïden. De spermatozoïden zwemmen niet vrij, maar worden door de penis in een spermatofoor afgezet. Na deze afzetting trekt de penis zich terug middels de retractorspier.
Interne geslachtsorganen miniatuur|Geslachtstelsel van tuinslakken (model van de Cornu aspersum) Eitjes en spermatozoïden worden geproduceerd in hetzelfde orgaan, de ovotestis. Binnen één individu kan dit orgaan als testis en als ovarium werken, maar nooit tegelijkertijd. De ovotestis bevindt zich in de top van de leverkrul. Van daaruit gaan de geslachtscellen naar het bevruchtingszakje via de ovotestisgang (ook wel hermafrodiet-kanaal). Naast dit kanaal mondt ook een eiwitklier uit in het bevruchtingszakje. Vanuit het vruchtzakje loopt het spermoviductkanaal dat spermatozoïden en bevruchte eicellen afvoert.
Het spermoviductkanaal bestaat uit twee tegen elkaar gelegen goten: de dikke en kronkelende oviductgoot en de dunnere spermiductgoot. Naar de genitale opening toe splitsen beide goten zich in twee volwaardige kanalen: de spermiduct en de oviduct. Zogenaamde zelfbevruchting wordt voorkomen doordat de ovotestis eerst alleen spermatozoïden vormt. Die worden, ingepakt in spermatoforen, uitgewisseld tijdens copulatie. Pas na de copulatie worden in de ovotestis de eitjes gevormd in een omgeving die dan vrij is van spermatozoïden.
De weg van de spermatozoïden De spermatozoïden, gevormd in de ovotestis, doorlopen het spermoviduct en hierna het spermiduct. Ze verplaatsen zich in de richting van het flagellum alwaar ze omringd worden door een spiraalvormige spermatofoor die tijdens de paring uitgewisseld wordt. Na de paring beweegt de uitgewisselde spermatofoor zich naar de diverticulum of, indien deze niet bestaat, in het kanaal van het receptaculum seminalis.De lengte van de diverticulum hangt af van het soort tuinslak en geldt daarom als goed criterium voor de determinatie van het soort. Hierin lost de wand van de spermatofoor op en worden de bezoekende spermatozoïden vrijgemaakt. Deze verplaatsen zich naar het roodkleurig receptaculum seminalis (ook wel: zaadtasje) tot het ogenblik aangebroken is dat de eitjes bevrucht moeten worden. Dit kan snel na de paring gebeuren, maar als de omstandigheden niet gunstig zijn (bijvoorbeeld als de hibernatie aanstaande is) dan kunnen de spermatozoïden lange tijd bewaard worden tot een gunstigere tijd aanbreekt. Op een chemische signaal verlaten de spermatozoïden de receptaculum seminalis, en via het zaadtasjeskanaal, vagina, en oviduct, verplaatsen ze zich naar het bevruchtingszakje om de gevormde eitjes te bevruchten.
De weg van de eitjes De vrouwelijke gameten worden gevormd in de ovotestis, na de paring. Langs het ovotestiskanaal verplaatsen ze zich naar het bevruchtingszakje, alwaar ze bevrucht worden door de aankomende spematozoïden. Na de bevruchting, die plaatsvindt in het bevruchtingszakje, worden de gameten omgeven door een dikke laag eiwit uit de eiwitklier. Hierna glijden de bevruchte eieren via het spermoviductkanaal en oviduct naar de vagina, waar de eischaal gevormd wordt, en de eitjes gelegd kunnen worden.
Spijsvertering miniatuur|Spijsvertering Het voedsel komt via de mandule (t) de mondholte (farynxbulbus) binnen en wordt het middels het chitineuse radula (od) vermalen. De radula bestaat uit duizenden tandjes vergelijkbaar met de ribbels op een vijl. Het aantal tandjes is kenmerkend voor de soort. De radula is aan slijtage onderhevig, maar groeit aan zoals een nagel aan een vinger.
De farynxbulbus gaat over in de slokdarm (g) die op zijn beurt wijder wordt en in de maag overgaat. Daar zitten tevens de speekselklieren (cpg). De maag gaat vervolgens over in een kronkelend darmkanaal (C) dat deels de voor de slak typische hepatopancreas (vergelijk: lever) (r) doorloopt alvorens het de anus (n) in de mantel bereikt.
De urineleider loopt van de nier naar de urine-uitgang die zich naast de anus in de mantel bevindt.
Ademhaling en bloedsomloop In de mantel bevindt zich de pneumostoom, een relatief grote opening dat ritmisch open en dichtgaat. Lucht wordt zodoende via de pneumostoom de long (l) in en uitgezogen voor zuurstofuitwisseling in het bloedvatenstelsel van de longwand.
Het met zuurstof bevoorrade 'slakkenbloed', hemolymfe genoemd, stroomt dan via de longader naar het hart. Het hart bestaat uit twee kamers in een hartzakje (pericardium): de gespierde voorkamer (ventriculum) die aan de ene kant het verse bloed binnenpompt en aan de andere kant dit bloed via een tweetakkige aorta het lichaamszak en de voet van de slak inpompt. De belendende boezemkamer ontvangt en sluist het 'oude' bloed weer door naar de voorkamer voor verversing.