thumb|Brussels Jazz Marathon, nu Brussels Jazz Weekend, op de Grote Markt Jazz in België beschrijft de ontwikkeling van de jazzstijlen in België vanaf de jaren twintig van de 20e eeuw tot heden, en de jazzmusici en -promotors die daarbij een rol hebben gespeeld. Samen met Frankrijk en Groot-Brittannië behoorde België tot de eerste drie Europese landen waar sinds het begin van vorige eeuw jazz werd gespeeld. De prominente plaats die België in de ontwikkeling van de Europese jazz inneemt, heeft het niet alleen te danken aan talentrijke muzikanten, maar zeker ook aan de pioniersgeest van gedreven jazzpromotors zoals Félix-Robert Faecq en Robert Goffin.

Tijdens de 20e eeuw kende België verschillende 'gouden periodes' of 'gouden eeuwen' van de jazz.Jazz in little Belgium, "De 'gouden eeuwen' van de Belgische jazz".Over die gouden periodes wordt niet door iedereen hetzelfde gedacht. De swingperiode vanaf 1930 tot na WO II wordt het vaakst genoemd (Antwerpse jazzclub, De Brabander, p. 19, Anaf p. 91). De eerste begon na de prejazzperiode met een optreden van de Mitchell's Jazz Kings, een groep zwarte muzikanten die op 24 januari 1920 te zien waren in de revue "Laisse-les tomber" in het Alhambra te Brussel.Anaf, p. 24. Hun doortocht zou de oprichting van talrijke Belgische jazzbands tot gevolg hebben, zoals de Bing Boys en de Mohawk's Jazz Band. Eveneens in 1920 werd de eerste Europese bigband opgericht: het Bistrouille Amateur Dance Orchestra ("B.A.D.O."). Ook Musique Magazine, het eerste jazzmagazine ter wereld,De Brabander p.17. zag het licht in de jaren twintig. De tweede gouden periode brak na de Bevrijding (1945) aan, met de oprichting van de Bob Shots (het eerste nationale boporkest),Samyn en Simons, p. 34: "De oorlogsjaren". en de oprichting van de Jazz Club de Belgique die zowat alle grote namen uit de jazzwereld te gast zou krijgen. Figuren die in deze periode op de voorgrond traden, waren onder meer Bobby Jaspar, Jacques Pelzer, Toots Thielemans en René Thomas. In de jaren zestig en zeventig kende jazz een terugval in populariteit, waarna in de jaren tachtig een nieuwe, derde bloeiperiode werd ingezet.

Tot ongeveer de jaren zeventig was Belgische jazzgeschiedenis een opeenvolging van stijlperiodes, waarbij de ontwikkelingen vrijwel parallel liepen met die in de Verenigde Staten: van de prejazzperiode met minstrel shows, ragtime en cakewalk naar New Orleansjazz, naar swing, vervolgens de bebopperiode, cooljazz en freejazz. Vanaf de late jaren tachtig werd het echter moeilijk om jazz als apart genre te beschrijven vanwege de vele stijlen en trends die elkaar begonnen te beïnvloeden. Eind 20e eeuw lijkt het persoonlijke, direct herkenbare van de grote jazzspelers uit het verleden te zijn vervangen door een vaak verbluffende technische virtuositeit en stilistische flexibiliteit.Encyclopædia Britannica: "Jazz:" 'Jazz at the end of the 20th century'.

Geschiedenis thumb|De geschiedenis van de jazz in België begint wellicht met de Dinantse instrumentenbouwer Adolphe Sax, wiens saxofoon zich omstreeks 1900 na opname in militaire bands in New Orleans zou ontwikkelen tot het jazzinstrument bij uitstek. Dat de Amerikaanse invloed zich vanaf het einde van de Eerste Wereldoorlog ook op muziekgebied deed gelden, is niet zo verwonderlijk. De Verenigde Staten waren politiek en economisch als sterkste grootmacht uit de oorlog gekomen en na de oorlog dompelden Belgen en andere Europeanen zich onder in de Amerikaanse cultuur via films, muziek en rechtstreekse contacten met Amerikaanse soldaten en orkesten. Het optimisme van "the roaring twenties" (ook "Jazz Age" genoemd) in de VS sloeg over op België toen daar vanaf de jaren twintig de welvaart begon te stijgen.Het reële BNP in België steeg in de jaren twintig met 35-40 %, de werkloosheid zakte tot 1/3 van het peil van 1921, de industriële productie steeg met bijna 90%. (Anaf, p. 19). Opwindende nieuwigheden als jazz sloegen aan bij een publiek dat zich na de vreselijke oorlogsjaren vooral wilde vermaken. Jazz leek op het juiste tijdstip te zijn overgewaaid uit de Verenigde Staten.

Prejazz (vóór 1917) Invloedrijke ontwikkelingen De prejazzperiode is de tijd voordat jazz erkend werd als een individuele stijl. In de periode van de minstrels, aan het einde van de 19e eeuw, betekende de opkomst van de eerste opnametechnieken een belangrijke stimulans voor jazz en voor muziek in het algemeen. In 1877 ontwikkelde Thomas Alva Edison de fonograaf en een jaar later werd zijn uitvinding gedemonstreerd tijdens een tentoonstelling in Brussel, in het Panopticum Castan.Panopticum betekent wassenbeeldenspel. In 1902 zou in Luik een winkel opengaan met Edison grafofoons en grammofoons, en een keuze uit 10.000 cilinders met opnames.Samyn en Simons, p. 29. België had lange tijd geen eigen opnamestudio's, zodat bij de verspreiding van de (pre)jazzmuziek tot na de Eerste Wereldoorlog beroep werd gedaan op buitenlandse platenlabels zoals Colombia, Zonophone en Favorite.

Een andere uitvinding die een groot aandeel had in de ontwikkeling van de jazzmuziek, was het nieuwe instrument van Adolphe Sax: de saxofoon. Tegen 1890 werden saxofoons in de Verenigde Staten gemaakt door C.G. Conn Ltd. en Buescher Band Instrument Company, en virtuoze saxofonisten als de Belg Jean Moeremans, die in het orkest van John Philip Sousa speelde, zorgden voor verdere popularisering van het instrument. Al snel werd de saxofoon hét symbool van een nieuwsoortige muziek die zich stilaan ontwikkelde tegen het einde van de 19e eeuw. Belgische muzikanten behoorden tot de eersten die opnames maakten van saxofoonsolo's in Amerika. Zo maakte Eugene Coffin opnames op wascilinders (1895-1896), en altsaxofonist Jean Moeremans zorgde voor een andere eersteling door in 1897Discography of American Historical Recordings. als eerste ter wereld opnames van saxofoonsolo’s te maken op grammofoonplaat voor de Victor Talking Machine Company.Samyn en Simons, p. 28.

Brassbands en minstrel shows thumb|John Philip Sousa omstreeks 1910 miniatuur|Stars and Stripes uit 1909, wellicht de bekendste opname van John Philip Sousa thumb|Ragtimenummer van Scott Joplin miniatuur|The Entertainer (1902) van Scott Joplin Volgens Robert Pernet zouden de Hooley’s Minstrels het genre reeds tijdens hun Europese tournee in 1851 in Brussel geïntroduceerd hebben.Anaf, p. 37.Schroeder, JP. e.a. Dictionnaire du jazz à Bruxelles et en Wallonie. Luik: Mardaga, 1991, p. 12. Met meer zekerheid kan worden gesteld dat in 1881 een (eerste) Amerikaanse minstrel show in België plaatsvond, gevolgd door soortgelijke spektakels en optredens in de loop der jaren. Het succes van de zwarte en geschminkte blanke minstrels op de Belgische podia zou meer dan vijftig jaar duren.De Brabander, p. 14.

Tegen 1900 hadden de Belgische muziekliefhebbers kennisgemaakt met verschillende Amerikaanse brassbands (fanfares). John Philip Sousa's orkest was daar een van de bekendste van. Deze bands maakten tournees door Europa en speelden behalve marsen en symfonieën ook "cakewalks" en "ragtimes", beide gekenmerkt door gesyncopeerde ritmes. De Belgische componist Louis Frémaux volgde in hun voetsporen en maakte een cakewalkcompositie, getiteld Bruxelles Cake-Walk.

Omstreeks 1900 ontstond er als gevolg van de koloniale periode in de Belgische geschiedenis belangstelling voor de vrolijke 'negermuziek' en hun blanke imitators. Ook vele nieuwe dansen waaiden over en verdrongen de polka's, polonaises en andere dansen. Vooral in het Antwerpse en Brusselse uitgaansleven had deze aanvankelijk als parodie bedoelde gesyncopeerde muziek veel succes omwille van de sfeer en dansbaarheid.

Ragtime Ragtime is een muzikaal genre dat zijn hoogtepunt in populariteit beleefde tussen 1897 en 1918. Het belangrijkste kenmerk is het syncopische, of "versleten" (ragged), ritme. Het begon als dansmuziek in de rosse buurten van Amerikaanse steden zoals Saint Louis en New Orleans, voordat het werd gepubliceerd als populaire bladmuziek voor piano. Ragtime was een aanpassing van de populaire marsmuziek zoals gemaakt door John Philip Sousa, met extra polyritmiek uit Afrikaanse muziek. De ragtimecomponist Scott Joplin werd beroemd door de Maple Leaf Rag uit 1899 en een reeks van ragtimehits die daarop volgden. Later werd hij evenwel vergeten, behalve door een kleine, toegewijde gemeenschap van ragtimeliefhebbers, en dit duurde tot de grote ragtimeopleving in de vroege jaren zeventig. Maple Leaf Rag had een sterke invloed op latere ragtimecomponisten met zijn melodielijnen, harmonische progressies en ritmes.

Terwijl in Amerika de termen rag en ragtime populair waren, sprak men in België over 'intermezzo'. Ragtime werd als bonte mengeling van stijlen een rechtstreekse voorloper van de jazz. Van heel wat Belgische componisten bestaan ragtime-partituren uit die periode, maar er zijn geen opnames van bewaard gebleven.BRT-documentaire over jazz in 1980. In diezelfde periode vierden fanfare en militaire muziek hoogtij. Het meest gereputeerde orkest, met ook een aantal Belgische muzikanten, was dat van de Amerikaan John Philip Sousa. Ook hier leverden Belgische componisten succesvol werk. Een belangrijk jaartal voor de verbreiding van de populaire Amerikaanse muziek is 1910, de Internationale Wereldtentoonstelling te Brussel, met het bezoek van het orkest van Philip Sousa. Ook het Amerikaanse orkest The Alabama Minstrels trad toen op, en speelde waarschijnlijk ragtime. Louis Frémaux met zijn ragtime-compositie Toboggan, uitgebracht onder het platenlabel 'Disque Pathé', werd in 1907 bekend in heel Europa. Het werd een gouden tijd voor de ragtime in België. Ook muziek van tijdgenoten van Frémaux zoals Jack Bruske werd overal gespeeld of opgevoerd in bars, dancings en theaters.

Vroege jazz (Dixieland, 1917–1930) In de beginfase zijn er verschillende kanalen aan te wijzen die de verspreiding van de jazz in België hebben in de hand gewerkt. Vooreerst was er het nachtleven in de Brusselse dancings die de laatste jazzdeuntjes ten gehore brachten. Andere belangrijke kanalen ter verspreiding van de nieuwe muziekArtikel In de ban van een 'virus noir' van Anaf, Vlaamse Scriptiebank. waren de muziekuitgeverijen, de opkomende platenindustrie, de radio, de cinema en de pers. Bij die laatstgenoemde speelde vooral het nieuwe tijdschrift Music een grote rol.

Een aantal nieuwe ontwikkelingen van technologieën vergemakkelijkten de verspreiding van de jazzmuziek. Eind jaren twintig waren er in België ruim een miljoen radio's en meer dan 1000 filmzalen, en dan was er ook de opkomst van het toerisme in het interbellum, samen met een toenemende mobiliteit. Belgen kregen in 1936 betaald verlof (eerst slechts 6 dagen) zodat ook de werkende klasse zich nu een uitstap kon permitteren.Anaf, p. 22.

In de jaren twintig en nog meer in de jaren dertig werden Brussel, Antwerpen en Luik de drie Belgische centra voor de ontwikkeling van de nieuwe muziek.Anaf, p. 49: II.2. Intrede van jazz in België. In de zomer namen de casino’s in toeristische badplaatsen en kuuroorden als Oostende, Blankenberge, Spa en Chaudfontaine deze rol over door danslustige vakantiegangers uit de hoofdsteden te lokken.Anaf, p. 59. Deze situatie zou duren tot aan het begin van de jaren negentig, toen andere centra ontstonden zoals Gent en Brugge, terwijl Luik wat aan belang verloor als gevolg van het vertrek van enkele lokale jazzmusici na het verdwijnen van een aantal kleinere jazzpodia.

Doorbraak van jazz na WO I thumb|Het Brusselse theater Alhambra in 1904. Het optreden van de Mitchell's Jazz Kings in januari 1920 aldaar maakte het Belgische publiek enthousiast voor jazz, en had tot gevolg dat in België talrijke jazzorkesten ontstonden.