Australopithecus sediba is een uitgestorven soort mensachtige (Hominini), behorende tot het geslacht Australopithecus, waarvan 1,78 tot 1,95 miljoen jaar oudeDatering door Dirks et al. (2010) fossiele resten gevonden zijn in Zuid-Afrika.

De eerste vondsten van A. sediba werden in 2008 gedaan. In 2010 werd de soort benoemd. Tot 2018 zijn meer dan 220 fossiele fragmenten van minstens zes individuen gemeld, waaronder volwassenen en kinderen. Alle vondsten zijn afkomstig van dezelfde locatie, een grottensysteem bij Malapa, ongeveer vijftig kilometer ten noordwesten van Johannesburg, dat onder de naam Cradle of Humankind (Wieg van de Mensheid) aan de werelderfgoedlijst van UNESCO is toegevoegd.

De vondst van A. sediba is vooral belangrijk wegens de uitzonderlijke gaafheid van veel delen van het skelet. Het onderzoeksteam dat de fossielen bestudeerde heeft geclaimd dat de soort een tussenvorm zou zijn tussen Australopithecus africanus en het geslacht Homo waartoe de moderne mens behoort. A. sediba heeft verschillende kenmerken in de schedel en het bekken die dichter bij de mens lijken te staan. Andere onderzoekers echter vermoeden dat de fossielen slechts exemplaren van A. africanus vertegenwoordigen die toevallig meer op Homo lijken.

De hersenomvang was bij A. sediba niet duidelijk toegenomen. Hij liep op zijn achterpoten maar had lange armen en bezat vele aanpassingen aan het klimmen in de bomen. Het voedsel van A. sediba bestond overwegend uit planten.

Ontdekking thumb|Diagram van de vindplaats Op 8 augustus 2008 begon de Zuid-Afrikaanse paleoantropoloog Lee Rogers Berger de omgeving van de werelderfgoedlocatie uit te kammen. De eerste vondst van Australopithecus sediba was een deel van een rechtersleutelbeen, op 15 augustus toevallig ontdekt door Bergers negen jaar oude zoontje Matthew toen hij bij het uitlaten van zijn hond Tau over een steen struikelde. Verdere opgravingen leverden in maart 2009 onder andere de schedel van het holotype op, specimen MH1. "MH" staat daarbij voor Malapa Hominin. Het bleek te gaan om een 1,27 m lang mannelijk, juveniel exemplaar, waarschijnlijk rond de twaalf jaar oud. De leeftijd werd afgeleid uit het feit dat de verstandskiezen al door waren en in occlusie stonden. De inhoud van de hersenpan bedraagt ongeveer 420 cm3. Uit vergelijking met andere mensachtigen werd geconcludeerd dat de schedelinhoud van het holotype ongeveer 95% van dat van een volwassen exemplaar moet zijn.Berger et al. (2010) Behalve het sleutelbeen en de beide kaken, waarin verschillende relatief kleine tanden, werden ook tien wervels van de wervelkolom, negen ribben, de rechterarm, een linkeropperarmbeen, een derde linkermiddenhandsbeen, van het bekken de twee gedeeltelijke darmbeenderen, een linkerzitbeen en een stukje linkerschaambeen, de bovenkant van het rechterdijbeen, een stuk rechterscheenbeen, een stuk kuitbeen, een deel van het hielbeen en het vierde en vijfde middenvoetsbeen gevonden. Deze botten lagen niet in anatomisch verband maar waren over een oppervlakte van twee vierkante meter verstrooid. In 2012 werden aanvullende skeletelementen van MH1 gemeld. left|thumb|upright|Matthew Berger vindt MH1 Van een tweede skelet, het paratype MH2, een volwassen vrouwelijk individu op 4 september 2008 ontdekt, werden een tand uit de bovenkaak, fragmenten van de onderkaak, elf wervels, zestien ribben, het heiligbeen, een borstbeen, beide sleutelbeenderen, beide schouderbladen, een vrijwel complete rechterarm, zes botten van de linkerhand, het rechterdarmbeen, het rechterschaambeen en een stuk linkerschaambeen van het bekken, de bovenkant van het rechterdijbeen, een stuk rechterdijbeenschacht, het rechterkniegewricht inclusief knieschijf, de bovenkant van het linkerscheenbeen, de bovenkant van het linkerkuitbeen, en de onderkant van een scheenbeen verbonden met sprongbeen en hielbeen gevonden. De arm lag in anatomisch verband. Daarnaast werden fragmenten van nog vier skeletten ontdekt, waaronder één volwassen en drie juveniele exemplaren. In vergelijking met de oudste vondsten van het geslacht Homo zijn MH1 en MH2 vrij compleet, waardoor ze een meer volledig beeld van de soort als geheel bieden. De overige skeletten zijn meer fragmentarisch, verdeeld over verspreide steenblokken. In 2015 werd het minimumaantal individuen van A. sediba geschat op zes. Daarvan waren er in 2018 drie, de fragmentarische juveniele exemplaren, wel gelokaliseerd maar nog niet opgegraven. Van het volwassen specimen MH4 was toen de onderkant van een rechterscheenbeen geborgen (U.W. 88-21/40) waarvan in eerste instantie gedacht was dat het aan MH1 toebehoorde. Van verschillende losse elementen is de toewijzing onzeker zoals een vijfde middenvoetsbeen van een volwassen individu. thumb|Lee Berger laat de schedel ter vergelijking zien In 2010 werden de vondsten door Lee R. Berger, Darryl James de Ruiter, Steven Emilio Churchill, Peter Schmid, Kristian James Carlson, Paul H.G.M. Dirks en Job Munuhe Kibii benoemd en beschreven als een nieuwe soort van Australopithecus: Australopithecus sediba. De soortaanduiding sediba is afgeleid van het woord voor fontein of bron in het Zuid-Sotho, met de bedoelde betekenis van "oorsprong". Een prijsvraag voor kinderen leverde de bijnaam Karabo voor het holotype op, Setswana voor "antwoord". A. sediba was de eerste geldige australopithecussoort die sinds 1938 uit het zuiden van Afrika benoemd werd.

Op dezelfde plek werden Vroeg-Pleistocene fossielen van diverse dieren gevonden, zoals sabeltandkatten (Dinofelis barlowi, wellicht Megantereon), een luipaard (Panthera pardus), de zwartvoetkat Felis nigripes, de directe voorouders van bruine hyena's (Parahyaena brunnea) en Afrikaanse wilde honden, een vos (Vulpes, cf. Vulpes chama), een schildpad (Chelonia sp.), paarden (Equus sp.), varkens, hazen (Lepus sp.), mangoesten (Genetta sp., Atilax cf. A. mesotes), een olifantsspitsmuis (Elephantulus), stekelvarkens (Hystrix africaeaustralis), een baviaan (Papio sp.) en antilopen (klipspringer Oreotragus, Tragelaphus en Megalotragus). In 2015 werden 1302 botten gemeld, terwijl de opgravingen nog lang niet waren afgelopen. Opvallend was het relatief hoge aantal roofdieren, hoewel de resten van Bovidae i.c. antilopen met 332 botten de grootste categorie vormden. De Hominini kwamen daar net achteraan met in 2015 237 botten of fragmenten daarvan.

Mogelijk vormde de vindplaats in het vroege Pleistoceen een ondergrondse bron in een zinkgat van dertig meter diepte, waar de dieren invielen na te zijn aangetrokken door de geur van water. Het kan ook zijn dat de dieren per ongeluk naar beneden stortten doordat een smalle opening overgroeid was of door vluchtende prooidieren als een veilige schuilplaats werd gezien. De roofdieren wijzen op het scenario van een predator trap.Val e.a. (2015) De karkassen kunnen in een ondergrondse poel kalkrijk water zijn terechtgekomen waar de omstandigheden voor fossilisatie gunstig waren. De zinkgaten zijn later door verdere verkarsting uitgegroeid tot het huidige grottensysteem.

In 2015 concludeerde een studie dat MH1 en MH2 geologisch gezien kort na elkaar naar beneden zijn gevallen van een hoogte tussen de vijf en tien meter. MH2 brak daarbij de rechterbovenarm. MH1 toont een breuk in de bovenkaak die wijst op een val op het gezicht.L'Abbé e.a. (2015) MH2 viel eerder naar beneden en ligt in een duidelijk diepere laag. De mensachtigen werden waarschijnlijk eerst in anatomisch verband liggend door uitdroging gemummificeerd. Bij een overstroming spoelden delen in de poel water en werden snel bedekt door kalksteen wat ze beschermde tegen aaseters. Daarna volgde een verder proces van fossilisering.Val e.a. (2018) Geen enkel aangetroffen fossiel toont vraatsporen.

Door middel van uranium-looddatering kon de onder de skeletten liggende gesteentelaag gedateerd worden op 2,026 ± 0,021 miljoen jaar. De eroverheen liggende laag, waarin zich de fossielen bevonden, de Facies D, werd met magnetostratigrafische analyse op 1,95 tot 1,78 miljoen jaar oud gedateerd.Dirks et al. (2010) In 2016 kwam een meting op basis van δ13C en δ18O koolstof- en zuurstofisotopen uit op een ouderdom iets na 1,977 ± 0,003 miljoen jaar.Holt e.a. (2016) De nauwkeurigheid van de datering is uitzonderlijk voor een fossiele mensachtige.

A. sediba is niet van vondsten buiten Malapa bekend.Williams e.a. (2018a)

Beschrijving Grootte en onderscheidende kenmerken thumb|MH1 en MH2 met in hun midden Lucy De lichaamslengte van zowel MH1 als MH2 is geschat op zo'n 130 centimeter. Het lichaamsgewicht van het paratype MH2 is geschat op dertig tot zesendertig kilogram. Dat is relatief klein en toont in ieder geval niet de vergroting van lichaamsomvang die wel met de overgang naar Homo geassocieerd wordt.Holliday e.a. (2018) In 2018 kwam een schatting uit op 35,5 kilogram. Ook MH1 zou ongeveer vijfendertig kilogram hebben gewogen. In 2015 kwam een berekening zelfs maar uit op 25,8 kilogram.Grabowski, M., Hatala, K.G., Jungers, W.L., and Richmond, B.G. 2015. "Body mass estimates of hominin fossils and the evolution of human body size". Journal of Human Evolution 85: 75–93 MH4 was vermoedelijk een 14% langer maar gezien de grootte van het gewrichtsvlak van het scheenbeen juist lichter dan MH1. In 2017 stelde een studie echter dat MH1 vermoedelijk nog een stuk langer zou zijn geworden, ware hij niet overleden: zo'n 150 centimeter als het groeipatroon van wilde chimpansees wordt aangehouden en zo'n 156 centimeter bij het patroon van moderne mensen.Cameron e.a. (2017)

Het lukte in 2010 niet om autapomorfieën vast te stellen, unieke afgeleide eigenschappen. In plaats daarvan maakte men een lijst die een unieke combinatie van op zich niet unieke kenmerken zou vertegenwoordigen. Speciaal aandacht was er voor de verschillen met A. africanus die immers het bewijs moeten vormen dat het om een aparte soort gaat. Het schedeldak is meer overdwars verbreed, met verticale wandbeenderen en ver uiteen staande richels op de slaap, de linea temporalis superior en linea temporalis inferior. Het gezicht mist de opvallende, wijd verbrede, jukbeenderen van A. africanus. De structuur van het totale aangezicht gevormd door de wenkbrauwen, oogkassen, neus-bovenkaak-zone en jukbeenderen is afgeleid, lijkt dus meer op dat van Homo. Het samengroeiingsvlak van de onderkaken staat verticaal en vormt een zwakke kin terwijl het beenplateau achter de voortanden zwak gevormd is. De premolaren van de bovenkaak hebben zwakke groeven aan de buitenzijde. De hoektand van de onderkaak heeft een zwak ontwikkelde middelste richel aan de binnenzijde. De tanden achter de hoektanden hebben een geringe absolute grootte. In al deze kenmerken nadert A. sediba de toestand bij Homo.

Skelet left|thumb|upright|De gevonden elementen van MH1, het holotype

Schedel thumb|Afgietsel van de schedel van MH1