De Algemene Ouderdomswet (AOW) regelt in Nederland het verplichte, collectieve ouderdomspensioen dat als algemene basis dient voor Nederlandse ouderdomspensioenen.
De AOW is een van de zogenoemde volksverzekeringen.
De Belastingdienst int de premies volksverzekeringen tegelijk met de inkomstenbelasting bij de verzekerden jonger dan de AOW-leeftijd (2024: 67 jaar). De Sociale Verzekeringsbank (SVB) keert de AOW uit aan de verzekerden vanaf het bereiken van de AOW-leeftijd. De AOW-premieplicht eindigt op de eerste dag van de betreffende maand.
Er zijn ongeveer 3 miljoen uitkeringsgerechtigden: 2 miljoen met en 1 miljoen zonder gezamenlijke huishouding met iemand anders.
De termen AOW-gat en AOW-hiaat kunnen betrekking hebben op jaren in het buitenland die niet meetellen bij de opbouw, of op het ontbreken van partnertoeslag, of op maanden/jaren dat de AOW-uitkering vervalt wegens eerder niet bekende verhogingen van de AOW-leeftijd. Dit laatste werd ook wel 65plus-gat of 65plusgat genoemd. Ook in 2026 zijn er alleen maar statistieken over 65plus en niet over de feitelijke AOW-leeftijd.
Recht op AOW-uitkering Strikte voorwaarde voor de aanspraak op een volledige AOW-uitkering is, dat men 50 jaar binnen Nederland gevestigd is geweest. Deze 50 jaar is gebaseerd op de algemene werkzame leeftijd, gerekend vanaf 50 jaar voorafgaand aan het bereiken van de AOW-leeftijd. Ieder jaar wordt 2% van het recht op uitkering opgebouwd. Wanneer men van die 50 jaar bijvoorbeeld 10 jaar in het buitenland verbleef, wordt de hoogte van de uitkering hierdoor beïnvloed; men heeft dan recht op het deel van de AOW-uitkering (50-10)/50. De AOW-opbouw en het recht op AOW geldt voor iedereen die binnen het Koninkrijk verblijft, dus ook voor mensen met een vreemde nationaliteit.
AOW-leeftijd
De AOW-leeftijd of 'AOW-gerechtigde leeftijd', werd in de wet van 1956 vastgesteld op 65 jaar. In 2012 werd dat gewijzigd door de VVD-CDA regering met steun van D66, ChristenUnie en GroenLinks. Nu is die leeftijd afhankelijk van de geboortemaand.
Hoogte van de uitkering De volledige AOW-uitkering voor een alleenstaande, bedraagt per 1 juli 2026 € 1.662,16 bruto per maand. Zonder aanvullende inkomsten is de verschuldigde belasting in box 1 nihil, dankzij de toepassing van de algemene heffingskorting, ouderenkorting en alleenstaande-ouderenkorting. De verplichte bijdrage Zvw (4,85%) van € 80,61 gaat hier nog af, waardoor het nettobedrag uitkomt op € 1.581,55 per maand. Indien er géén heffingskortingen worden toegepast, is de verschuldigde loonheffing € 296,33 per maand. Het vakantiegeld bedraagt € 104,78 bruto per maand.
Deze bedragen worden halfjaarlijks aangepast op basis van het netto minimumloon.
Voor gehuwden of samenwonenden ontvangt elke partner een AOW-uitkering van € 1.139,39 bruto per maand. Ook hier geldt de 4,85% Zvw-bijdrage, in dit geval € 55,26. Met toepassing van heffingskortingen is het nettobedrag € 1.084,13 per partner per maand. De loonheffing bedraagt zonder kortingen € 203,17 per maand. Het vakantiegeld is € 74,85 bruto per maand
Een en ander is soms ingewikkeld, het SVB komt 21 verschillende samenleefvormen regelmatig tegen."Dit is niet houdbaar"
Van extra inkomen is eerst nog een klein bedrag onbelast. Verder geldt in box 1 de normale progressie, maar ook in alle boxen een extra hoog marginaal tarief (15%-punt extra) in het afbouwtraject van de ouderenkorting (dat betrekking heeft op het verzamelinkomen).
Koppeling aan het minimumloon De bruto AOW-uitkeringen worden bepaald door netto-nettokoppeling aan het minimumloon. Uit een speciale bruto-nettoberekening volgt een netto minimumloon, waar netto AOW-bedragen uit worden afgeleid door bepaalde percentages ervan te nemen. Kort gezegd is voor alleenstaanden de netto AOW gelijk aan 70% van het netto minimumloon, en is voor gehuwden en samenwonenden de netto AOW per persoon gelijk aan 50% van het netto minimumloon, dus samen ontvangen gehuwden 100% (voor details zie hieronder). Vervolgens worden deze netto bedragen op basis van speciale aannamen gebruteerd. Uiteindelijk is er de bruto-nettoberekening die het werkelijke nettobedrag oplevert.Voor de actuele bedragen zie Als netto minimumloon wordt genomen het bedrag verkregen uit het bruto minimumloon door loonheffing, voor personen onder de AOW-leeftijd en rekening houdend met uitsluitend tweemaal de algemene heffingskorting. Dit wijkt op twee punten af van wat twee partners onder de AOW-leeftijd samen ontvangen als één het minimumloon verdient: niet van toepassing zijn de arbeidskorting (die het nettoloon verhoogt) en de afbouw van de dubbele heffingskorting voor kostwinners (die het totaal van de door beiden ontvangen bedragen verlaagt). In 2022 was er sprake van een voorgenomen ontkoppeling van de AOW met het minimumloon. Dit is vooralsnog uitgesteld.
Uitleg en demonstratie van de berekeningswijze Hieronder volgt een uitleg en demonstratie van de berekeningswijze, gebaseerd op de situatie van 1 januari 2013.
Het bruto minimumloon exclusief vakantie-uitkering bedraagt € 1469,40 per maand, dit is per jaar € 17.632,80. Naar beneden afgerond op een veelvoud van € 54 is dit € 17.604. De loonheffing volgens box 1 (tarief voor personen onder de AOW-leeftijd) is 37% van € 17.604 (naar beneden op euro's afgerond), is € 6513. De heffingskorting is 2 maal de algemene heffingskorting van € 2001 (tarief voor personen onder de AOW-leeftijd), is € 4002. De loonheffing is dus € 2511 per jaar, dit is € 209,25 per maand. Het referentieminimumloon voor de AOW (niet te verwarren met het algemene referentieminimumloon) is dus € 1469,40 - € 209,25 = € 1260,15 per maand (€ 15.121,80 per jaar).
De bruto AOW-uitkering exclusief de zogenaamde Koopkrachttegemoetkoming Oudere Belastingplichtigen (KOB, inmiddels vervangen door de inkomensondersteuning, zie onder) en exclusief de vakantie-uitkering, is zodanig dat na aftrek van de in te houden loonheffing en na aftrek van de lage IAB een bepaald percentage (70% voor een alleenstaande, 50% voor iemand met een gezamenlijke huishouding met een ander) van het referentieminimumloon voor de AOW resteert.
Voor de in te houden loonheffing moet in de bovenstaande berekening volgens de wet rekening gehouden worden met de toepasselijke heffingskortingen voor een persoon boven de AOW-leeftijd. In werkelijkheid wordt in die berekening alleen rekening gehouden met de algemene heffingskorting.Per 1 januari 2006 is de formulering "na aftrek van de loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen voor een persoon van 65 jaar of ouder rekening houdend met uitsluitend de algemene heffingskorting" vervangen door "na aftrek van de in te houden loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen, rekening houdend met de toepasselijke heffingskortingen voor een persoon van 65 jaar en ouder". Uit de MvT, die spreekt van een technische wijziging, blijkt impliciet dat dit niet de bedoeling had om voortaan rekening te houden met meer heffingskortingen (Wijziging van de Algemene Ouderdomswet, de Wet financiering sociale verzekeringen en de Wet op de huurtoeslag en enige andere wetten in verband met het toekennen van een tegemoetkoming aan personen die een uitkering ontvangen op grond van de Algemene Ouderdomswet en enkele aanpassingen in de berekening van de uitkeringen). Dit is ook wel begrijpelijk, want anders zouden speciale heffingskortingen voor ouderen de facto ongedaan gemaakt worden (volledig voor wie geen andere inkomsten heeft en gedeeltelijk voor wie wel andere inkomsten heeft waardoor de verlaging van de bruto AOW-uitkering netto minder nadeel oplevert dan het voordeel van de heffingskorting). Gearchiveerd op 21 april 2021.
Voor een alleenstaande moet de genoemde bruto-nettoberekening uitkomen op 70% van € 1260,15 is € 882,11 per maand. Het bruto bedrag per maand moet zodanig zijn dat na aftrek van 5,65% IAB en aftrek van de loonheffing, rekening houdend met een tarief van 19,1% (het blijkt namelijk dat het inkomen binnen de eerste schijf blijft) en een heffingskorting van € 1034 per jaar, het bedrag van € 882,11 per maand resteert. Als geen rekening wordt gehouden met loonklassen en andere afrondingen geeft dit een bruto bedrag per maand van (€ 882,11 - € 1034/12) / (1 - 0,0565 - 0,191) = € 1057,73. Dit valt in de loonklasse van € 1057,50 (afronding naar beneden op een veelvoud van € 4,50), dit is € 12.690 per jaar. De loonheffing volgens box 1 is 19,1% van € 12.690 (naar beneden op euro's afgerond), is € 2423. Na aftrek van de heffingskorting van € 1034 resteert € 1389, dit is € 115,75 per maand. Het bruto bedrag per maand moet dus zodanig zijn dat na aftrek van 5,65% IAB € 882,11 + € 115,75 = € 997,86 resteert. Dit geeft een bruto bedrag per maand van € 997,86 / (1 - 0,0565) = € 1057,62. Aangezien dit bedrag zich in het begin van een loonklasse bevindt heeft het bruteringsprobleem twee oplossingen, waarbij de andere oplossing ongeveer 0,191 × € 4,50 / (1 - 0,0565) is € 0,91 lager is. Inderdaad is in dit geval bij de brutering het lagere bedrag gekozen, het daadwerkelijke bruto bedrag is vastgesteld op € 1056,72 (per 1 juli 2013: € 1061,36).
Op basis van het bruto minimumloon inclusief vakantie-uitkering wordt op dezelfde manier als boven de loonheffing bepaald. Dit geeft een netto bedrag. Het verschil met het netto bedrag zonder vakantie-uitkering is de netto minimumvakantiebijslag.Vergelijk de berekening met toepassing van 1,95 in plaats van 2 maal de algemene heffingskorting Bekendmaking van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 22 juni 2012, nr. IVV/FB/2011/8225, betreffende herziening van normen en bedragen genoemd in de Wet werk en bijstand per 1 juli 2012. Gearchiveerd op 15 augustus 2019.
De zogenoemde "netto vakantie-uitkering" is 70%, resp. 50%, van de netto minimumvakantiebijslag. Volgens de tabel voor bijzondere beloningen bedraagt de loonheffing 19,1%. Samen met de 5,65% IAB is dit 24,75%. Op basis hiervan worden de bruto bedragen bepaald.
De "netto vakantie-uitkering" is ruim 5% van de netto AOW-uitkering, ongeveer gelijk aan die bij het minimumloon. De bruto vakantie-uitkering is een relatief laag percentage van de bruto AOW-uitkering (een kleine 6%) doordat het loonheffingstarief laag is. De daadwerkelijke netto vakantie-uitkering als er geen andere inkomsten zijn is ook een kleine 6% van de daadwerkelijke netto AOW-uitkering, want de loonheffing is dan nihil en de IAB steeds hetzelfde percentage (zie ook hieronder).
Zoals aangegeven is het vakantiegeld in geval van AOW dus niet gelijk aan de 8 (of 8,5) procent die te doen gebruikelijk is bij looninkomsten. Over de periode 2014-2024 was het gerealiseerde percentage vakantiegeld (samenwonend, van de bruto AOW-uitkering) als volgt; 2014: 6,84%, 2015: 6,57%, 2016: 6,77%, 2017: 6,72%, 2018: 6,30%, 2019: 6,38%, 2020: 6,16%, 2021: 5,94%, 2022: 5,85%, 2023: 5,36% en 2024: 5,34%. Een afnemende reeks.
De bruto uitkering bedraagt per 1 juli 2013 voor iemand met een gezamenlijke huishouding met een ander (zie onder) € 725,77 per maand, excl. KOB van € 25,16 per maand; samen is dit per maand € 750,93; verder is er nog de vakantie-uitkering van bruto € 49,81 per maand (totaal € 800,74). De bruto uitkering voor alleenstaanden bedraagt € 1061,36 per maand, exclusief de KOB als boven; samen is dit per maand € 1086,52; verder is er nog de vakantie-uitkering van bruto € 69,73 per maand (totaal € 1156,25).