De Slag in de Golf van Leyte was een zeeslag in de Stille Oceaan tijdens de Tweede Wereldoorlog. Hij vond plaats in de zeeën rond het eiland Leyte in de Filipijnen van 23 oktober tot en met 26 oktober 1944. De Japanners probeerden de geallieerde invasie op Leyte te verhinderen. In plaats hiervan brachten de geallieerde marines aan de numeriek zwakkere Japanse Keizerlijke Marine een belangrijke nederlaag toe. De Japanse marine was hierna geen strategisch wapen meer. De slag wordt vaak beschouwd als de grootste zeeslag in de geschiedenis.

De Australische zware kruiser Australia werd op 21 oktober geraakt, en georganiseerde zelfmoordaanvallen door de "Speciale aanvalsmacht" begonnen op 25 oktober.

Wat voorafging De gevechten in 1943 hadden het Japans Keizerlijk Leger van zijn bases op de Salomonseilanden verdreven. In 1944 hadden de geallieerden na een serie van landingen, ondersteund door vliegdekschepen, de Marianen veroverd. De geallieerde overwinning in juni in de Slag in de Filipijnenzee had de Japanse vliegdekschepen vernietigd en een geallieerd lucht- en zeeoverwicht verzekerd.

Hierdoor hadden de geallieerden keuzevrijheid bij het bepalen van hun volgende aanval. Admiraal Chester Nimitz was er voorstander van om de Japanse strijdkrachten in de Filipijnen op te sluiten en FormosaHet huidige Taiwan. aan te vallen. Het bezit van Formosa zou de geallieerden in staat stellen om de Japanse zeeroutes met Zuid-Azië af te snijden, en daarmee ook de Japanse garnizoenen aldaar te isoleren. Bij gebrek aan bevoorrading zouden deze dan niet lang kunnen standhouden. Generaal Douglas MacArthur was voorstander van een invasie op de Filipijnen, die ook op de bevoorradingsroute naar Zuidoost-Azië lagen. De Filipijnen in Japanse handen laten zou ernstige schade aan het Amerikaanse imago toebrengen, en een persoonlijke belediging van MacArthur zijn, die in 1942 publiekelijk en plechtig had beloofd te zullen terugkeren. President Roosevelt werd ingeschakeld om het dispuut te beslechten; hij stelde zich achter MacArthur.

Voor de Japanners was het duidelijk welke opties voor de geallieerden openstonden. De opperbevelhebber van de vloot, Toyoda Soemu trof voorbereidingen voor vier 'overwinningsplannen': Shō-1 (捷1号作戦 Shō ichigō sakusen) was een belangrijke marineoperatie in de Filipijnen, Shō-2, -3 en -4 waren antwoorden op aanvallen op Formosa, de Riukiu-eilanden respectievelijk de Koerilen. Alle plannen behelsden compromisloze complexe agressieve operaties waarbij alle beschikbare strijdkrachten zouden worden ingezet voor een beslissende slag.

Toen Nimitz op 12 oktober een aanval met vliegdekschepen inzette op Formosa, om te zorgen dat de aldaar gestationeerde vliegtuigen niet bij de geplande invasie op de Filipijnen tussenbeide konden komen, zetten de Japanners plan Shō-2 in actie: een onophoudelijk stroom aanvallen werd op de vliegdekschepen losgelaten. Dit resulteerde echter in het verlies van zeshonderd vliegtuigen in drie dagen waardoor de Japanse vloot bijna geen luchtdekking meer had.

Volgens plan Shō-1 zou dat de strijdmacht van viceadmiraal Jisaburo Ozawa de Amerikaanse derde vloot weglokken met een schijnbaar kwetsbare strijdmacht van vliegdekschepen. De geallieerde landingsstrijdmacht zou dan zonder luchtdekkingssteun vanuit het westen worden aangevallen door drie aanvalsgroepen. Die van viceadmiraal Takeo Kurita, gestationeerd in Brunei, zou de golf van Leyte binnenvaren en de geallieerde landingsschepen vernietigen; de strijdmachten van admiraal Shoji Nishimura en van viceadmiraal Kiyohide Shima zouden als mobiele aanvalseenheid fungeren. De laatste drie strijdkrachten zouden uit oppervlakteschepen bestaan.

Het was waarschijnlijk dat het plan zou resulteren in de vernietiging van een of meer van de drie strijdkrachten.

Toyoda rechtvaardigde dat later tegenover zijn ondervragers als volgt: wanneer de Filipijnen verloren zouden gaan en Japan zijn vloot kon behouden, kon deze of naar Japan terugkeren of naar het zuiden varen. In Japan was een tekort aan brandstof en in het zuiden was een tekort aan munitie en andere bevoorrading. Het zou dus nutteloos zijn de vloot te redden zonder de Filipijnen.

De grote lijn van de gevechten 250px|thumb|De kaart van de vier deelslagen De zeeslag bestond uit vier afzonderlijke gevechten - zie de kaart rechts.

Kurita's strijdmacht voer op 24 oktober de Sibuyanzee in ten noordwesten van Leyte. In de Slag in de Sibuyanzee werd het eskader aangevallen door vliegtuigen van Amerikaanse vliegdekschepen. Het Japanse slagschip Musashi werd hierbij tot zinken gebracht. Toen Kurita omkeerde meenden de Amerikaanse piloten dat hij zich terugtrok, maar hij draaide opnieuw en voer 's nachts door de Straat van San Bernardino, om de volgende ochtend voor Samar te verschijnen. Nishimura's strijdmacht koerste richting de Straat Surigao in het zuiden, waar ze om 3.00 uur op 25 oktober op een Amerikaanse strijdmacht stuitten. In de Slag in de Straat Surigao werden de Japanse slagschepen Fuso en Yamashiro tot zinken gebracht. Nishimura werd gedood, en het restant van zijn strijdmacht trok zich naar het zuidwesten terug. Halsey vernam van de naderende eenheid van Ozawa en nam zijn vliegdekschepen mee in de achtervolging op 25 oktober. In de Slag bij Kaap Engaño bracht hij vier Japanse vliegdekschepen door luchtaanvallen tot zinken. Ozawa's overblijvende schepen vluchtten naar Japan. Kurita arriveerde om 06.00 uur bij Samar. Met Halsey afwezig door zijn achtervolging van Ozawa, waren de enige aanwezige Amerikaanse strijdkrachten drie groepen escorte vliegdekschepen met hun begeleiding van torpedobootjagers. In de Slag bij Samar probeerden de Japanse slagschepen en zware kruisers tevergeefs door deze bescherming heen te breken. Onophoudelijke luchtaanvallen, torpedoaanvallen, slecht weer en bluf deden Kurita uiteindelijk besluiten zich terug te trekken, hoewel hij een aantal Amerikaanse schepen reeds zwaar beschadigd had.

Slag in de Sibuyanzee thumb|Yamato aangevallen in de Sibuyanzee.

Kurita's "Strijdmacht Midden" bestond uit vijf slagschepen (Yamato, Musashi, Nagato, Kongo en de Haruna), en twaalf kruisers (Atago, Maya, Takao, Chokai, Myoko, Haguro, Noshiro, Kumano, Suzuya, Chikuma, Tone, en Yahagi), ondersteund door dertien torpedobootjagers.

Toen Kurita kort na middernacht op 23 oktober het eiland Palawan passeerde, ontdekten de onderzeeërs USS Dace (SS-247) en USS Darter (SS-227) zijn strijdmacht. Hoewel de radiooperator aan boord van de Yamato dit bericht opving, troffen de Japanners geen voorzorgen. De Darter bracht zowel Kurita's vlaggenschip Atago als de Maya tot zinken. De Takao werd beschadigd en keerde met twee torpedobootjagers terug naar Brunei, achtervolgd door de twee onderzeeërs. Op 24 oktober liep de Darter aan de grond. Alle inspanningen om haar weer los te krijgen faalden, en ze werd opgegeven.

Kurita overleefde de aanval van de onderzeeërs en bracht zijn vlag over naar de Yamato.

Om ongeveer 08.00 uur (24 oktober) werd de vloot door vliegtuigen waargenomen toen ze de nauwe ingang tot de Sibuyanzee invoer. De vliegtuigen waren afkomstig van het Amerikaanse vliegdekschip Intrepid. 260 vliegtuigen van de Intrepid, de Bunker Hill en andere vliegdekschepen van Task Group 38.2 vielen om 10.30 uur aan, daarbij treffers plaatsend op de Nagato, de Yamato, de Musashi en verscheidene andere schepen. De tweede golf vliegtuigen concentreerde zich op de Musashi en trof deze met zowel bommen als torpedo's. Toen deze terugtrok richting haven volgde een derde aanvalsgolf van de Enterprise die de Mushashi raakte met elf bommen en acht torpedo's Kurita gaf zijn vloot bevel zich terug te trekken tot buiten het gebied van de vliegtuigen. Ze passeerden hierbij de zwaar gehavende Mushashi. Om 17.15 uur draaide hij opnieuw, nu richting de Straat van San Bernardino. De Musashi zonk uiteindelijk om 19.30 uur.

Ondertussen had viceadmiraal Onishi Takijiro zijn Eerste Luchtvloot van tachtig vliegtuigen, gestationeerd op Luzon, naar de vliegdekschepen Essex, Lexington, Princeton en Langley van Task Group 38.3 gestuurd. De Princeton werd door een pantserdoorborende bom geraakt en vloog in brand. Om 15.30 uur explodeerde het achterste munitiemagazijn. Tweehonderd zeelieden van de Princeton werden hierbij gedood, en nog eens tachtig van de langszij liggende kruiser Birmingham. De Birmingham was zo zwaar beschadigd dat ze gedwongen was terug te keren. Ook andere schepen in de omgeving waren beschadigd. Alle inspanningen om de Princeton te redden waren vergeefs. Om 17.50 uur zonk ze.

Slag in de Straat Surigao thumb|Kaart van de zeeslag in de Straat Surigao Nishimura's "Strijdmacht zuid" bestond uit de slagschepen Yamashiro en Fuso, de kruiser Mogami en vier torpedobootjagers. Zij werden op 24 oktober door bommenwerpers aangevallen maar leden slechts geringe schade.

Vanwege de strikte radiostilte die de Strijdmacht Midden en de Strijdmacht Zuid in acht moesten nemen, was Nishimura niet in staat zijn bewegingen met die van Shima en Kurita te coördineren. Toen hij om ongeveer 2.00 uur bij de nauwe Straat Surigao aankwam, was Shima 40 km achter hem, en Kurita nog in de Sibuyanzee, verschillende uren van de bruggenhoofden op Leyte verwijderd.

Bij het passeren van de kaap van het eiland Panaon liepen zij in een dodelijke val die de Amerikaanse Zevende vloot voor hen had opgesteld. Admiraal Jesse Oldendorf had zes slagschepen (Mississippi, Maryland, West Virginia, Tennessee, California en Pennsylvania), acht kruisers (waaronder Australia en Louisville), 29 torpedobootjagers en 39 torpedoboten. Om door de straat de landingsgebieden te bereiken, moest Nishimura met zijn schepen spitsroeden lopen tussen de torpedo's van de torpedoboten, twee groepen torpedobootjagers ontwijken, en dit onder het geconcentreerde vuur van zes slagschepen. Deze werden dan weer door een kordon van kruisers en torpedobootjagers beschermd.

Om 3.00 uur werden de Fuso en de torpedobootjagers Asagumo, Yamagumo en Mishishio geraakt door torpedo's. De Fuso brak in tweeën, maar zonk niet.

Om 03.50 uur openden de slagschepen het vuur. De radarondersteunde vuurgeleidingsinstallaties stelden de Amerikanen in staat het vuur al te openen op afstanden waarop de Japanners nog niet konden terugschieten. De Yamashiro en Mogami werden kreupel geschoten door 16-inch (406 mm) pantserdoorborende granaten. De Shigure draaide terug, maar verloor de macht over het roer en stopte. De Yamashiro zonk om 04.19 uur.

Om 04.25 uur bereikte Shima's strijdmacht van twee kruisers (Nachi en Ashigara) en acht torpedobootjagers de slag. Toen de Japanners de twee helften van de Fuso in zicht kregen, zagen zij deze aan voor de wrakken van de twee slagschepen van Nishimura. Shima realiseerde zich het hopeloze van een poging door deze nauwe zeestraat op te stomen, en beval een terugtocht. Zijn vlaggenschip Nachi kwam hierbij in aanvaring met de Mogami, waarbij het roercompartiment van de laatste onder water kwam te staan. Mogami raakte bij de terugtocht achterop en werd de volgende ochtend door Amerikaanse vliegtuigen tot zinken gebracht.

De voorste helft van de Fuso werd door de Louisville tot zinken gebracht, de achterste helft zonk bij het eiland Kanihaan.

Van Nishimura's strijdmacht van zeven schepen overleefde alleen de Shigure het gevecht.

Yamashiro was het laatste slagschip dat het gevecht aanbond, en een van de weinige die door een ander slagschip tot zinken werden gebracht.

Slag bij kaap Engaño 250px|thumb|De Japanse vliegdekschepen Zuikaku (links) en waarschijnlijk Zuiho worden aangevallen door duikbommenwerpers bij Kaap Engaño