Lilac en Marusho zijn historische Japanse merken van motorfietsen.

De bedrijfsnaam was Marusho Shokai Co. Ltd., vanaf 1951 Marusho Motorcycle Industrial Co., vanaf 1963 Lilac Co. Ltd. De officiële vestigingsplaats was Tokio, omdat daar het hoofdkantoor stond, maar de fabriek stond in Hamamatsu.

Geschiedenis Het bedrijf "Marusho Shokai Co. Ltd" werd opgericht door Masashi Ito, een voormalig compagnon van Soichiro Honda. In 1946 was hij zijn eigen auto- en carrosseriebedrijf begonnen, waar vanaf 1948 carrosserieën voor de trucks van Toyota en Nissan geproduceerd werden. De naam "Maru-Sho" betekent zo ongeveer: "het streven naar perfectie". Masashi Ito wilde dan ook de "perfecte motorfiets" gaan maken. Om dat te bereiken kopieerde hij er lustig op los. Dit kopiëren heeft in Japan een andere klank dan in de westerse wereld; het wordt als een eerbetoon aan het voorbeeld beschouwd. Ito keek nadrukkelijk naar voorbeelden van andere merken, voornamelijk uit Duitsland. Hij was bijzonder gecharmeerd van de cardanaangedreven motorfietsen van Zündapp, BMW en Victoria. In sommige gevallen bracht hij technisch onzinnige detailwijzigingen aan om rechtszaken voor plagiaat te voorkomen. In andere gevallen werd bijvoorbeeld het motorblok van het ene model benaderd, terwijl het rijwielgedeelte op dat van een compleet ander merk leek. De merknaam "Lilac" werd gekozen vanwege de westerse klank en omdat Ito's vrouw van seringen (lilacs) hield. Toen het bedrijf het in de jaren zestig moest hebben van de export werd daarvoor de naam "Marusho" gebruikt. De bedrijfsgeschiedenis bestaat eigenlijk uit twee delen: Het tijdperk tot aan het eerste faillissement (van 1951 tot 1961) en het "Marusho" tijdperk (van 1964 tot 1967). In de periode na het faillissement in 1961 ontwikkelde het bedrijf, dat zijn schulden probeerde af te betalen met productiewerk voor Honda, desondanks veel nieuwe modellen, die onwaarschijnlijk duur geconstrueerd waren. Ze waren vrijwel uitsluitend voor de export naar de Verenigde Staten bestemd en een groot aantal waren praktisch onverkoopbare 125 cc modellen, die allemaal cardanaandrijving hadden. Er werden zelfs prototypen gemaakt met door koningsassen aangedreven nokkenassen, een systeem dat normaal gesproken alleen voor peperdure wegracemotoren was weggelegd. Na de heroprichting als "Lilac Co. Ltd" in 1963 werd besloten zich op een zwaardere categorie motorfietsen te concentreren. Tot die tijd was de zwaarste "Lilac" een 339 cc motor geweest, maar nu kopieerde men nauwgezet de motor van de BMW R 50/2 die in de Verenigde Staten onder de naam "Marusho" verhandeld werd. Marusho kon de hevige concurrentiestrijd op de Amerikaanse markt van met name de Britse merken niet winnen. Het bedrijf had weliswaar technisch zeer hoogwaardige motorfietsen gemaakt, maar zakelijk was het geen succes. De binnenlandse markt werd in de jaren zestig gedomineerd door Honda, Yamaha, Suzuki, Meguro en Kawasaki.

Lilac

Lilac ML, LB en LC De eerste modellen uit het begin van de jaren vijftig, het "ML" prototype en de Lilac LB en LC, waren 150 cc viertakten met een langsgeplaatste motor, een plaatframe en cardanaandrijving, en duidelijk geïnspireerd op de Zündapp OK 200 uit 1933. Het prototype "ML" week af van de latere productiemodellen. Er was nog een zijklepmotor toegepast en de boring/slagverhouding was 55 × 62 mm en het prototype had een tweeversnellings automaat en een dubbele natte centrifugaalkoppeling. De productiemodellen hadden een kopklepmotor met een boring van 57 mm en een slag van 58 mm en een handgeschakelde tweeversnellingsbak. De LB werd alleen in 1951 geproduceerd, de LC alleen in 1952.

Lilac KD, KE en KH In 1952 verscheen een nieuwe serie Lilac kopkleppers met buisframes en plunjervering achter. Ze werden in verschillende cilinderinhouden (150,- 200- en 250 cc) geleverd, de KD had 150 cc, de KE 200 cc en de KH 250 cc. Het model "KD" werd in 1952 en 1953 geproduceerd, de KE en KH alleen in 1954. Opvallend is dat bij de KD was teruggegrepen op de boring/slagverhouding van het ML prototype.

Lilac TW Dragon Zündapp bouwde in 1953 het B 250 prototype met een kleine 250 cc kopklep boxermotor en veel plaatwerk, dat echter nooit de productie haalde. De Lilac TW Dragon was qua vormgeving een vrijwel exacte kopie van deze motorfiets en kwam ook al in 1953 op de markt, waardoor het waarschijnlijk is dat Zündapp het ontwerp aan Marusho Shokai Co. Ltd. verkocht heeft. Er werd in de Lilac wel een andere motor toegepast, een 350 cc zijklep boxermotor. De Zündapp had een uit buizen bestaand brugframe waarbij de buizen boven de cilinders liepen, bij de Lilac was een dubbel wiegframe gebruikt. De Lilac werd in 1953 en 1954 geproduceerd, waarschijnlijk in kleine aantallen.

Lilac JF en JF-2 Baby Lilac scooters De Baby Lilac modellen JF en JF-2 werden geproduceerd van 1953 tot 1956. Dit was een kruising tussen een scooter en een motorfiets. De JF (die mogelijk ook wel JF-1 werd genoemd) had een langsgeplaatste 90 cc motor, maar voor het eerst werd een tweetaktmotor toegepast. De eerste modellen hadden een telescoopvork, later werd een schommelvoorvork toegepast. Waarschijnlijk maakt juist die voorvork het verschil tussen de JF en de JF-2 en niet de cilinderinhoud. De JF-2 was namelijk leverbaar met de 90 cc motor, maar ook met een 104 cc motor.

Lilac SY en SW Lancer Bij Zündapp was men nooit verdergegaan met de van overvloedig plaatwerk voorziene B 250, en Marusho kwam er ook al snel achter dat dit model (de TW Dragon) niet erg aansloeg. Daarom verschenen in 1955 twee aanmerkelijk sportievere modellen, een eencilinder kopklepper, de SY, en een tweecilinder, de SW Lancer. De SY had de 250 cc motor van de KH, maar in het model waren de lijnen van de BMW R25 duidelijk te herkennen. Toch zag de SY er vlotter uit dan de BMW, simpel vanwege de licht gekleurde flanken van de tank. De SW Lancer was uiterlijk identiek aan de SY, maar met de 350 cc tweecilinderboxermotor van de TW Dragon. Beide modellen werden alleen in 1955 en 1956 geproduceerd.

Lilac AQ Dit 125 cc model, dat van 1955 tot 1957 werd geproduceerd, heette eigenlijk alleen "AQ". De Japanners gaven het de bijnaam "Sankyu", dat moest lijken op "Thank You". Hier werd een uit buizen bestaand brugframe toegepast, dat weer veel leek op dat van de Zündapp B 250. De motor had een lange slag (boring × slag bedroegen 52 × 58 mm) en was langsgeplaatst omdat er cardanaandrijving was toegepast. Er was een Earles voorvork ingebouwd. Er werden er 2.279 geproduceerd.

Asama racers Lilac SYZ In 1955 leverde de jonge coureur Fumio Ito, die in de jaren zestig Japans beroemdste motorcoureur zou worden een topprestatie in de "lichte klasse" tijdens een race op de vulkaan Asama. Volgens sommige bronnen was het een 125 cc heuvelklim, waarin hij tweede werd achter een fabrieks Yamaha maar vóór een vijftal fabrieks Honda's. Volgens andere bronnen was het de "lichte klasse" en won Fumio Ito de race met een raceversie van de Lilac SY, de Lilac SYZ. Dit laatste is waarschijnlijker, want tweede worden in een 125 cc race met een 250 cc motorfiets is niet erg logisch. Over de naam van de race is men het ook niet eens. Er wordt gerefereerd aan de "All Motorcycle Endurance Road Race", de "All Japan Volcano Scramble Race", de "1955 Asama Road Race" en de "Asama Kogen Factory Endurance Race". In de Honda racehistorie vindt men de vermelding van een tweede plaats in de Asama race voor honda, áchter een 250 cc Lilac. Hoe dan ook, Fumio Ito, indertijd pas 16 jaar oud, had naam gemaakt evenals het merk Lilac.

Baby Lilac SF-3 racer Marusho boorde het 90 cc motortje van de Baby Lilac scooter op tot 57 × 49 mm, waardoor een 125 cc blokje ontstond. De meeste concurrenten hadden vijf versnellingen, bij een heuvelklim een groot voordeel, maar de Lilac racer had er slechts twee, zoals de Baby Lilac. Deze motorfiets werd ingeschreven in een teamwedstrijd, waarbij de rijders 8e, 12e en 15e werden, maar het team in totaal een tweede plaats behaalde. Deze racer had een kopklepmotor en cardanaandrijving.

SR-ZII Marusho bouwde ook 250- en 350 cc racers, die geen cardanaandrijving, maar een dwarsgeplaatste motor en kettingaandrijving hadden. Van deze motorfietsen is bekend dat er in elk geval in 1957 in Asama een derde plaats behaald werd. Ook bij deze motorfietsen was "gewinkeld". Het waren wellicht geen kopieën, maar ze leken toch wel erg veel op de Honda Dream racers uit die tijd.

Lilac PV Minna scooter Alleen in 1956 produceerde men deze eerste echte scooter met een 125 cc tweetaktmotor. Hij was niet gebaseerd op de Baby Lilac, want de motor lag zoals bij de Europese scooters vlak vóór het achterwiel. Er was een automatische versnellingsbak toegepast. De eindaandrijving werd door tandwielen verzorgd. "Minna" betekent "iedereen".

Lilac UY en UY-2 De UY uit 1956 was een verbeterde versie van de 250 cc Lilac SY. Hoewel de machine haar afkomst van de BMW R 25 niet verloochende, was ze zeker zo modern als de ongeveer gelijktijdig gepresenteerde BMW R 26. Bij beide machines was de plunjervering achter vervangen door een swingarm. De BMW had nog steeds de stemmig zwarte kleur met witte biezen, die nog uit 1923 dateerde, maar de Lilac UY zag er iets lichter en vlotter uit en behield de telescoopvork. De UY-2 werd in dezelfde periode (1956 en 1957) geproduceerd, maar had een iets andere tank, een ander gereedschapskastje en een andere velgmaat achter.

Lilac BR en BT De 175 cc BR en de 125 cc BT werden allebei geproduceerd in 1957 en 1958. De BT was de vervanger van de AQ, terwijl de BR de eerste 175 cc motorfiets van Lilac was. Uiterlijk waren ze identiek, maar niet bepaald "vlotte" modellen te noemen. Het waren dan ook meer motorfietsen die voor woon-werkverkeer bedoeld waren. De Earles voorvork was vervangen door een korte, geduwde schommelvoorvork. Opvallend is dat de BT bijna 3 pk's méér leverde dan de AQ, met dezelfde motor. Dat lag aan het hogere motortoerental van de BT.

Lilac DP Baby Lilac Dit lichte motorfietsje werd in 1957 en 1958 geproduceerd (hoewel er mogelijk enkele exemplaren in 1956 en 1959 geleverd werden). Het was niet de opvolger van de JF-modellen, want er was niets "scooterachtigs" aan te zien. De ontwikkeling moet een forse investering geweest zijn, want er was een heel nieuw brugframe toegepast en ook de 90 cc motor was niet overgenomen van de vorige modellen. De motor had een licht hellende cilinder en was nu dwarsgeplaatst, maar tóch was er cardanaandrijving gebruikt, waardoor een extra haakse overbrenging nodig was.

Lilac CY-2 en FY-5 De 250 cc CY-2 volgde in 1958 de UY-serie op. De machine leek veel op de Honda C70 Dream, met hetzelfde forse voorspatbord en de geduwde schommelvoorvork. Ook was er net als bij de Honda veel plaatwerk toegepast en had de machine een enkel zweefzadel. De machine werd in 1959 alweer opgevolgd door de FY-5. De voorvork was weer vervangen door een telescoopvork en omdat het plaatwerk weer verdwenen was, zag die machine er een stuk vlotter uit. De FY-5 was de laatste 250 cc eencilinder van het merk.

Lilac EN In 1958 en 1959 werd het 125 cc model EN geleverd. Het was opnieuw een tweetakt, maar nu met een dwarsgeplaatste motor, net als de 90 cc DP Baby Lilac. En toch had dit lichte motorfietsje nog steeds cardanaandrijving. Het was de laatste 125 cc eencilinder van Lilac, de machine werd in 1959 opgevolgd door de CF-28 V-twin.

Lilac LS-18 en CF-28