Het arrest Meijers/Mast Holding (HR 4 december 1992, NJ 1993/271) is een arrest van de Nederlandse Hoge Raad dat van belang is voor de vraag op welke grond een bestuurder van een kapitaalvennootschap kan worden ontslagen.

Casus Meijers is vanaf 1 januari 1984 directie-secretaris en vanaf 1 januari 1986 directeur van Mast Holding BV. Hoewel de naam van zijn functie verandert, blijven zijn werkzaamheden in deze periode dezelfde. Mevrouw Mast, de zuster van Meijers, is enig aandeelhoudster. Naar aanleiding van problemen met de bankier van Mast Holding, die het krediet dreigt op te zeggen, wordt advies ingewonnen van een management-adviesbureau. Op grond van een rechtsgeldig besluit van de algemene vergadering van aandeelhouders wordt Meijers in de zomer van 1987 ontslagen.

Procesgang Meijers vordert voor de rechtbank nietigverklaring van het ontslag en betaling van een geldsom. De rechtbank wijst deze vordering af. Het hof bekrachtigt dit vonnis. Het cassatieberoep bij de Hoge Raad wordt verworpen.

Rechtsvraag Meijers voert aan: dat de periode dat hij nog geen directeur maar slechts directie-secretaris was, niet in de beoordeling had mogen worden betrokken, dat hij niet ontslagen had mogen worden op grond van zijn weigering om door de algemene vergadering van aandeelhouders gewenst beleid uit te voeren.

De Hoge Raad Ten aanzien van het eerste punt stelt de Hoge Raad:

Met betrekking tot de gronden voor ontslag stelt de Hoge Raad:

Relevantie Het arrest Meijers/Mast Holding is met name van belang voor de verhouding van verantwoordelijkheden en bevoegdheden van bestuur en algemene vergadering van aandeelhouders in een kapitaalvennootschap. Hoewel het bestuur in beginsel belast is met het besturen2:129/239 BW en de algemene vergadering van aandeelhouders (slechts) met de andere bevoegdheden in de vennootschap2:107/217 BW, kan het weigeren van een bestuurder om door de algemene vergadering van aandeelhouders gewenst beleid uit te voeren, onder omstandigheden toch reden zijn voor ontslag.

Meijers/Mast Holding