Het arrest Staleman/Van de Ven ofwel Van de Ven-arrest (HR 10 januari 1997, NJ 1997/360) is een arrest van de Nederlandse Hoge Raad dat betrekking heeft op de reikwijdte van een decharge ten aanzien van de privé-aansprakelijkheid van bestuurders van een kapitaalvennootschap.
Casus Staleman en Richelle zijn tot 1990 directeuren van Van de Ven Automobielbedrijf Venlo BV. Vanaf 1987 worden lease-activiteiten ontwikkeld. Deze leiden tot grote verliezen. Van de Ven BV vordert van de directeuren een schadevergoeding wegens onbehoorlijke taakvervulling (2:9 BW). De directeuren beroepen zich op de decharge die de algemene vergadering van aandeelhouders aan hen heeft verleend voor het gevoerde beleid.
Procesgang De rechtbank wijst de vordering wegens schadevergoeding af. Het hof wijst de schadevergoeding toe. Hiertegen gaan de directeuren in cassatie. Het cassatieberoep wordt door de Hoge Raad verworpen.
Rechtsvraag In deze zaak zijn voor de rechtsvorming twee vragen van belang: Wanneer kan een bestuurder een ernstig verwijt worden gemaakt in de zin van art. 2:9 BW? In hoeverre kunnen bestuurders zich beroepen op een door de algemene vergadering van aandeelhouders aan hen als bestuurders verleende decharge?
De Hoge Raad Voor ernstige verwijtbaarheid in de zin van art. 2:9 BW geeft de Hoge Raad het volgende criterium:
Ten aanzien van de reikwijdte van een decharge merkt de Hoge Raad op dat deze niet te ruim moet worden opgevat:
Relevantie Het Van de Ven-arrest geeft een maatstaf voor ernstig verwijtbaar handelen in de zin van art. 2:9 BW. Bovendien wordt het ontslag van aansprakelijkheid dat uit decharge, verleend door de algemene vergadering van aandeelhouders bij het vaststellen van een jaarrekening, voortvloeit, door de Hoge Raad beperkt tot de gegevens die formeel aan de aandeelhouders bekend waren.
Staleman/Van de Ven