De Slag om het Fort Eben-Emael was een twee dagen durende korte maar hevige strijd op 10 en 11 mei 1940 in België, aan vier bruggen over het Albertkanaal en rond het Fort Eben-Emael. De slag leidde tot de overgave van het Belgische militaire fort (zie ook België in de Tweede Wereldoorlog).

De aanval op het Fort Eben-Emael en de bruggen over het Albertkanaal en de schijnaanval op de KW-stelling paste in een Duitse afleidingsmanoeuvre om de aandacht af te leiden van de Slag om Frankrijk via de Belgische Ardennen. Dit alles droeg bij tot de mythe van mei 1940, waarbij Joseph Goebbels het beeld van een overweldigend superieur Duits leger versterkte en stelde tegenover de zwakke, verdeelde westerse democratieën.

Duitse aanvalsplan miniatuur|De Duitse opmars tot en met 16 mei; in roze de terreinwinst van de 15e en de 16e tot ongeveer 12:00 miniatuur|Duitse Fallschirmjäger, opdracht volbracht, 12 mei 1940 De Duitse aanvalsplannen Fall Gelb en Fall Rot voorzagen in een snelle doorstoot door Nederland en België om Frankrijk aan te vallen. Hitler wilde hiermee verhinderen dat België, Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk de kans kregen verder te mobiliseren en hun troepen te verenigen om zo de Duitse aanval beter op te vangen.

Dit plan, uitgewerkt door generaal Von Manstein was een variant op het van de vorige oorlog bekende Schlieffenplan. Von Manstein loodste zijn pantserbrigades echter door de Ardennen waardoor de KW-stelling overbodig werd. Omdat een groot deel van het Belgische leger in mei 1940 achter deze stelling stond opgesteld, hadden de Duitse troepen aan de Belgische zuidgrens een zwakkere tegenstander. De Duitse troepen maakten een omtrekkende beweging, de zogenoemde sikkelbeweging, naar de Franse kust en sloten op deze manier het Franse leger en de British Expeditionary Force in Duinkerke in.Zie Operatie Dynamo.

Luchtlandingstroepen (Fallschirmjäger) onder leiding van kapitein Koch en het Duitse 6e leger (3e en 4e Panzerdivision, de 20ste Gemotoriseerde Divisie, het 151. Infanterieregiment en het 51. Pionierbataillon), onder bevel van generaal Walter von Reichenau kregen de opdracht om, vertrekkende uit de lijn Aken-Venlo, snel de Maas over te steken en zo snel mogelijk door de Belgische versterkingen te breken. De afgesproken aanvalsrichting was Tienen.

Deze eenheden kregen als bevel: het veroveren van de bruggen over de Maas in Maastricht. Duitse soldaten in burgerkleding waren al voor 8 mei 1940 aanwezig in Maastricht. Anderen kwamen op 9 mei de grens over om vanaf Voerendaal, waar ze fietsen kregen naar Maastricht te trekken. Hun doel was om de ontstekers van springladingen onder de Maastrichtse bruggen onklaar te maken. Sonderverband Hocke werd herkend en tegengehouden in Borgharen en Heer. In Wijck werd een gemotoriseerde colonne die via Rothem doorbrak gestopt, in het zicht van de bruggen. Hierdoor werd de actie met 24 uur vertraagd de inname van de kanaalbruggen bij Kanne, Vroenhoven en Veldwezelt ten noorden van Eben-Emael het neutraliseren van de vuurkracht van het Fort Eben-Emael richting noorden ontzetten van de vijand in het fort en de inname ervan luchtsteun voor de eigen infanterie op het fort en de verschillende bruggen. De rol van het 6e Leger in het veroveren van het fort was echter beperkt: zij hadden als opdracht de bruggenhoofden aan het Albertkanaal te behouden en uit te breiden. Als belangrijkste opdracht gold het ongeschonden bewaren van de drie kanaalbruggen. De uitschakeling van het fort kwam op de tweede plaats.

Het fort vormde in de doorbraak van de Duitse troepenmacht het grootste obstakel. De artilleriestukken van het fort moesten zeer snel worden uitgeschakeld om het Zesde Leger de kans te geven ongehinderd op te rukken. Tegelijkertijd moest men verhinderen dat de Belgen de tijd kregen om de zo belangrijke bruggen te vernietigen. Verrassing en snelheid waren doorslaggevend voor succes. Een klassieke grondaanval met infanterie gesteund door artillerie was uitgesloten. Dit zou tijdrovend zijn en zou gepaard gaan met groot verlies van manschappen. Hitler had een plan dat was uitgewerkt door generaal Kurt Student, waarin voor de aanval gebruik werd gemaakt van speciaal daartoe gebouwde grote transportzweefvliegtuigen. De aanvallers werden ook uitgerust met een tot dan toe onbekend wapen, de holle lading.

Voorbereiding

De strikt geheimgehouden aanval werd met de meeste zorg voorbereid en geoefend. Niets werd aan het toeval overgelaten. De Abwehr verzamelde inlichtingen over het fort via luchtfoto's, beschikbare briefkaarten en verhoor van overlopers. Ook twee Duitse aannemers die hielpen bij de bouw van de externe delen van het fort leverden informatie aan.

Toch waren ze niet geheel correct geïnstrueerd: men was niet op de hoogte van de valse koepels; ook wisten ze niet dat erbovenop Blok V nog een Koepel-Zuid lag.Deze koepel bleef intact en is nu geheel hersteld. Eerst oefende men in het Duitse Hildesheim met belaste zweefvliegtuigen, daarna op de Tsjechische verdedigingslinie in Sudetenland en in Polen. Via luchtfoto's van het fort van Eben-Emael maakten de Duitsers een schaalmodel van het fort dat duidelijk de terreinelevatie weergaf. Later oefenden ze op een terrein bij Stolberg dat sterk geleek op dat van Eben-Emael.

De opleiding van de commando's was uitstekend: zij konden met vrijwel alle wapens omgaan, ze wisten hoe de "service publique" werkte en konden zelfs een Belgische tram besturen. De geheimhouding van de actie werd streng bewaakt om het verrassingseffect te bewaren. De naam van het fort bleef tot op 10 mei 1940 zelfs geheim voor de aanvallers. De soldaten die de aanval moesten uitvoeren leefden afgezonderd vanaf begin november 1939. Zij kregen geen post en hadden geen contact met andere eenheden.

Aanval miniatuur|Zweefvliegtuig type DFS 230 miniatuur|Duits soldaat met vlammenwerper, 1944 De aanval startte vijf minuten voor de inval in Nederland en België en kreeg de codenaam Granit. Niet alleen het fort maar ook de drie kanaalbruggen werden aangevallen door troepen die in DFS 230-zweefvliegtuigen werden vervoerd. De Duitsers vormden een eenheid van 86 man, "Sturmabteilung Koch", verdeeld in elf groepen met ieder hun eigen doel, uitgerust met onder meer enkele vlammenwerpers en 2,5 ton explosieven. De groep van elf zweefvliegtuigen bedoeld voor het fort, waarvan er negen effectief geland zijn, stond onder bevel van luitenant Rudolf Witzig en kreeg als naam Groep Granit. Doordat de kabel tussen het zweefvliegtuig en het sleepvliegtuig knapte kon Witzig niet meedoen aan de aanval. De tweede in bevel sergeant-majoor Wenzel nam door het toepassen van de Auftragstaktik het bevel over. Het totaal aantal ingezette vliegtuigen voor de ontzetting van de kanaalbruggen en het fort bedroeg 42. De bewapening van de groep Granit bedroeg 2401 kg aan explosieven, waaronder 28 holle ladingen van elk 50 kg.strijd aan het Albertkanaal

De zweefvliegtuigen die het fort als doel hadden, landden in de vroege ochtend van 10 mei om 04:25 uur op het dak ervan, vlak bij de stalen koepels en kazematten. Het landen met zweefvliegtuigen had als voordeel dat dit bijna geruisloos kon. Het garandeerde daardoor ook een groot verrassingseffect. Radar was toen nog niet beschikbaar. In tegenstelling tot het bezetten van het fort door klassieke luchtlandingstroepen met parachutes, kon een kleine groep van acht personen die landde met een zweefvliegtuig, tegelijkertijd een opgelegde taak nauwgezet, sneller en beter gecoördineerd uitvoeren. De speciaal gebouwde grote zweefvliegtuigen van het type DFS 230 konden een massa van 1150 kg vervoeren, goed voor acht manschappen met hun bewapening. De bewapening van een toestel bestond uit machinegeweren, pistolen, karabijnen, vlammenwerpers, speciale handgranaten (zogenaamde eiergranaten), opvouwbare ladders, lichtsignalen en vooral de holle ladingen, waarvan de zwaarste 50 kg woog.

Aanval op het luchtafweergschut De drie objectieven die voor de Duitsers zeer gevaarlijk waren, vlak na de landing, waren de vier zuidelijk opgestelde luchtdoelmitrailleurs (Mi CA of Mitrailleurs Contre Avions) en de bunkers Mi-Noord en Mi-Zuid, die via mitrailleurs het vlakke plateau onder vuur konden nemen.

Jottrand, aanwezig in blok I, hoorde om 4 u Belgische tijd luchtafweervuur in Maastricht. Een Belgische eenheid, ten noordwesten van Kanne, rapporteerde een vlucht van 30 tot 50 niet-geïdentificeerde vliegtuigen die van boven Maastricht richting België vlogen. Ook de compagnie 2e Grenadiers bij de brug bij Kanne meldden dat ze vliegtuigen op grote hoogte zagen. Een eigenaardige melding kwam er dat de vliegtuigen hun motoren hadden uitgeschakeld. De verdedigers van de brug bij Vroenhoven vroegen toelating om te vuren op een toestel dat dichtbij was geland. Jottrand realiseerde zich dat de aanval op het fort was begonnen. Hij gaf opdracht om de brug bij Kanne op te blazen en vroeg kapitein Alfred Hotermans uit te zoeken waarom hun eigen luchtafweergeschut niet vuurde. Toen Horemans hoorde via de telefoon dat ze de overvliegende toestellen niet konden identificeren, schreeuwde hij: “Schiet dan, schiet!”. Zes zweefvliegtuigen werden geraakt, zonder veel schade aan te richten.

De verwarring bij de Belgische luchtafweer was ook compleet geweest. Doordat de Duitse ongemarkeerde zweefvliegtuigen een grote bocht maakten en landden via het zuiden dacht men te doen te hebben met vliegtuigen met motorpech (zie plan landingsplaats zweefvliegtuigen). Het zweefvliegtuig van Feldwebel Haug landde slechts op vijf meter van de eerste mitrailleur, die vlug werd uitgeschakeld. Een tweede werd geneutraliseerd door een aanstormende vleugel van het vliegtuig. Al snel was de gehele batterij uitgeschakeld. De Belgen van de luchtafweer werden als levend schild gebruikt bij de aanval op bunkers op het plateau.

Aanval op Mi-Noord en Mi-Zuid Het toestel van Wenzel landde vlak bij Mi-Noord. De aanvallers merkten dat de schietgaten nog dicht waren. Via de periscoop van de observatiekoepel wierp men een kleine springlading erin. De kleine observatiekoepel Eben 2, bovenop Mi-Noord werd uitgeschakeld met een holle lading van 50 kg. Met dit nieuw en zeer doeltreffend soort explosieven kon het grootste deel van de ontploffingskracht op één punt worden geconcentreerd. De verdedigers van Mi-Noord werden gedood of zwaar verwond. In het verder verloop van de strijd zou Mi-Noord dienstdoen als commandopost voor de Duitse landingstroepen. Oostelijk van Mi-Zuid kwam het toestel van Unteroffizier Neuhauss tot stilstand in de prikkeldraad. Tot verbazing van de Duitsers bleek Mi-Zuid onbemand en bood dus geen weerstand aan de Duitse commando's.

Aanval op Koepel-Noord en Koepel-Zuid Het zweefvliegtuig van Unteroffizier Unger kon vlak naast de intrekbare Koepel-Noord landen. Wachtmeester Joris gaf bevel tot vuren, maar men zat er zonder munitie en de dienstlift voor de aanvoer van deze munitie weigerde dienst. De kisten met munitie moesten nu via de trap aangevoerd worden. Ondertussen plaatsten de aanvallers twee holle ladingen van 50 kg op de koepel. Deze was rond 4:45 definitief uitgeschakeld. De intrekbare Koepel-Zuid met twee snelvuurkanonnen van 75 mm en een zoeklicht vormde één geheel met blok V. De aanvallers konden deze koepel niet uitschakelen via geplaatste holle ladingen, slechts de schietrichting van één kanon werd aangetast en kon hersteld worden. Vanaf 4:30 kon deze batterij terug schieten.