Het arrest Eindhovense brandstichting (HR 19 maart 1934, NJ 1934/450) is een arrest van de Nederlandse Hoge Raad dat betrekking heeft op de vraag wanneer er sprake is van begin van uitvoering van een misdrijf.

Casus Twee mannen hebben alles in gereedheid gebracht om een huis in brand te steken: er zijn met benzine doordrenkte lappen, er is een gaspistool met een touw dat van buiten het huis bediend kan worden. Zij worden evenwel verhinderd om de brand aan te steken.

Rechtsvraag Was er in dit geval al sprake van het begin van uitvoering? (Nee)

Hoge Raad De Hoge Raad overwoog:

en ontsloeg de requiranten van alle rechtsvervolging.

Belang Het arrest Eindhovense brandstichting is van belang voor de vraag waar de scheidslijn ligt tussen voorbereidingshandelingen en uitvoeringshandelingen. De Hoge Raad concludeerde in dit geval tot ontslag van alle rechtsvervolging, omdat niet met zekerheid kon worden vastgesteld dat H. poging tot brandstichting zou hebben gedaan indien hij niet de personen bij het muurtje was tegengekomen.

Van de strenge objectieve leer die de Hoge Raad in dit arrest aanhing werd afstand genomen in het Cito-arrest.

Zie ook (1934) Wormerveerse brandstichting (daderschap en deelneming) (1978) Cito-arrest (wél begin van uitvoering, Cito-criterium)) (1987) Grenswisselkantoor-arrest (geen begin van uitvoering) (1992) Hoevense brandstichting (geen begin van uitvoering)

Categorie:Nederlands arrest (strafrecht)