Het arrest Albada Jelgersma (II) (HR 19 februari 1988, NJ 1988/487) is een arrest van de Nederlandse Hoge Raad dat betrekking heeft op onrechtmatige daad van een aandeelhouder van een debiteur jegens een derde.
Casus Albada Jelgersma Holding BV neemt in 1980 alle aandelen over van de noodlijdende groothandel Wijnalda Kuntz BV. Aan leveranciers zoals de Intercoöperatieve Zuivelvereniging Antwerpen (Inza) stuurt Albada Jelgersma Holding een brief waarin zij garandeert dat de vorderingen op Wijnalda Kuntz BV (dat een betalingsachterstand heeft) volledig zullen worden voldaan. Dit gaat gepaard met een verzoek om de leveranties te hervatten. Inza gaat weer leveren. Begin maart 1981 wordt Wijnalda Kuntz failliet verklaard.
Procesgang en rechtsvraag Inza vordert van Albada Jelgersma Holding BV schadevergoeding op grond van onrechtmatige daad. De rechtsvraag is of de aandeelhouder van een bedrijf (in dit geval Albada Jelgersma Holding BV als aandeelhouder van Wijnalda Kuntz BV) aansprakelijk kan zijn uit onrechtmatige daad jegens schuldeisers van het bedrijf.
Hof en Hoge Raad Het hof oordeelt dat Albada Jelgersma inderdaad onrechtmatig heeft gehandeld. De Hoge Raad vat de overwegingen van het hof aldus samen:
De Hoge Raad laat dit oordeel in stand:
Relevantie Albada Jelgersma II is een belangrijk arrest voor de zogenoemde doorbraak van aansprakelijkheid: de moedermaatschappij is aansprakelijk voor bepaalde schulden van de dochtermaatschappij. De Hoge Raad waagt zich in Albada Jelgersma II niet aan algemene uitspraken, maar geeft een casuïstisch oordeel: in dit geval is de moedermaatschappij aansprakelijk, omdat zij de leverancier van de dochteronderneming aanvankelijk betalingen van haar vorderingen heeft toegezegd en anderzijds niet heeft gewaarschuwd toen zij wist dat deze betalingen gezien een naderend faillissement uit zouden blijven.
Zie ook (1981) Osby-arrest (1994) NBM/Securicor
Categorie:Nederlands arrest (burgerlijk recht)