Servië (Servisch: Србија, Srbija), officieel de Republiek Servië (Servisch: Република Србија, Republika Srbija), is een land in Zuidoost-Europa. Servië ligt centraal op het Balkanschiereiland en grenst met de klok mee aan Hongarije, Roemenië, Bulgarije, Noord-Macedonië, Kosovo (de facto), Montenegro, Bosnië en Herzegovina en Kroatië. Servië stelt zelf dat het grenst aan Albanië, omdat het Kosovo beschouwt als een autonome provincie van Servië. De hoofdstad van Servië is Belgrado.

In 1815 riep het vorstendom Servië zijn onafhankelijkheid uit van het Ottomaanse Rijk. In 1878 werd het land internationaal erkend. In 1918 werd Servië onderdeel van Joegoslavië, dat in 1992 een confederatie werd tussen Servië en Montenegro onder de naam Federale Republiek Joegoslavië. Vanaf 2003 heette het land Servië en Montenegro. Sinds 5 juni 2006 is Servië een onafhankelijke staat na de Montenegrijnse onafhankelijkheidsverklaring.

In 2008 riep de zuidelijke autonome provincie Kosovo de onafhankelijkheid uit van Servië, die niet wordt erkend door de Servische regering. Ondanks de territoriale claim van Kosovo door Servië, heeft Servië de facto geen gezag over Kosovo, dat onder de veiligheidsraad van de Verenigde Naties staat.

Servië moet niet verward worden met de Servische Republiek, een deelgebied van Bosnië en Herzegovina waar de Bosnische Serviërs de etnische meerderheid vormen.

Geschiedenis

thumb|Eerste Servische opstand Servië ontwikkelde zich in de 19e eeuw vanuit een autonoom vorstendom binnen het Ottomaanse Rijk tot een volledig onafhankelijke staat. De Eerste Servische Opstand brak in 1804 uit onder leiding van Đorđe Petrović, beter bekend als Karađorđe. Na het neerslaan van de opstand in 1813 volgde in 1815 de Tweede Servische Opstand, geleid door Miloš Obrenović. Deze leidde uiteindelijk tot een verregaande Servische autonomie binnen het Ottomaanse Rijk. Belgrado werd het politieke centrum van het vorstendom. In 1830 erkende het Ottomaanse Rijk de erfelijke positie van Miloš Obrenović als vorst. Servië ontwikkelde zich vervolgens tot een steeds zelfstandiger staat met eigen instellingen, een eigen leger en een groeiende diplomatieke vertegenwoordiging. In 1867 verlieten de laatste Ottomaanse garnizoenen het grondgebied van het vorstendom. Servië verkreeg daarmee feitelijk volledige controle over zijn belangrijkste steden. In 1878 werd Servië internationaal erkend. De politieke en bestuurlijke ontwikkeling werd voortgezet onder de dynastieën Obrenović en Karađorđević. Tegelijkertijd groeide onder Servische intellectuelen en politici het streven naar uitbreiding van de Servische staat en naar aansluiting van gebieden met een Servische bevolking (Groot-Servië). Tijdens de Russisch-Turkse Oorlog van 1877-1878 vocht Servië opnieuw tegen het Ottomaanse Rijk. De oorlog eindigde met een Russische overwinning en leidde tot grote veranderingen op de Balkan. Servië, dat na de onafhankelijkheid voornamelijk bestond uit huidig Centraal-Servië, verwierf de zuidoostelijke steden Niš, Pirot, Vranje, Toplica en Leskovac. De islamitische bevolking werd na deze inlijvingen grootendeels verdreven door Servische troepen, waarna zij zich vestigden in gebieden die nog onder Ottomaans bestuur stonden. In 1885 probeerde het Servische leger gebieden van het vorstendom Bulgarije te veroveren. Het korte conflict leidde in een Servische nederlaag. thumb|Koning Peter I van de Karađorđević-dynastie In 1882 werd Servië een koninkrijk en nam vorst Milan Obrenović de titel koning Milan I aan. Het koninkrijk probeerde zich politiek en economisch verder te ontwikkelen en onderhield nauwe betrekkingen met Oostenrijk-Hongarije, hoewel binnen Servië ook sterke pro-Russische stromingen bestonden. De binnenlandse politiek werd gekenmerkt door rivaliteit tussen politieke partijen, de twee dynastieën en verschillende stromingen binnen het leger. In 1903 vond een gewelddadige machtswisseling plaats waarbij koning Alexander I van Servië en koningin Draga Mašin werden vermoord. De Karađorđević-dynastie keerde daarop terug op de Servische troon. Peter I werd koning. Onder zijn bewind werd het parlementaire systeem versterkt en nam de invloed van Rusland toe. Servië richtte zich tegelijkertijd steeds sterker op de uitbreiding van zijn invloed op de Balkan. De spanningen tussen Servië en Oostenrijk-Hongarije namen toe. Een belangrijke aanleiding was de Bosnische crisis van 1908, toen Oostenrijk-Hongarije Bosnië en Herzegovina formeel annexeerde. Servische nationalisten zagen de annexatie als een bedreiging voor de Servische belangen en voor de Servische bevolking in Bosnië.

In 1912 vormden Servië, Montenegro, Bulgarije en Griekenland de Balkanbond met als doel de resterende gebieden van het Ottomaanse Rijk in Europa te veroveren. Tijdens de Eerste Balkanoorlog versloegen de bondgenoten het Ottomaanse leger en breidden zij hun grondgebied sterk uit. In 1913 kreeg Servië tijdens de Vrede van Londen de regio's Sandžak, Kosovo en Vardar (huidig Noord-Macedonië) toegewezen ten koste van respectievelijk Bosnië, Albanië en Bulgarije. De Servische veroveringen tijdens de Balkanoorlog, met name van de door Albanezen bevolkte gebieden, gingen gepaard met wreedheden. In de loop van de tijd voerde het vorstendom ook steeds meer een buitenlands beleid. Hierbij leunde men sterk op Oostenrijk-Hongarije, tot ongenoegen van een groot deel van de bevolking en de panslavisten. Zij gaven de voorkeur aan een pro-Russisch beleid, dit mede omdat de Russen de Serviërs diplomatiek ondersteunden bij uitbreiding van de moderne Servische staat. thumb|Servische expansie op de Balkan (1913) Op 28 juni 1914 werd de Oostenrijks-Hongaarse troonopvolger Frans Ferdinand tijdens een bezoek aan Sarajevo vermoord door Gavrilo Princip, een Bosnisch-Servische nationalist. Oostenrijk-Hongarije stelde vervolgens zware eisen aan Servië. Nadat de diplomatieke crisis was geëscaleerd, verklaarde Oostenrijk-Hongarije Servië op 28 juli 1914 de oorlog. De daaropvolgende mobilisaties en oorlogsverklaringen tussen de Europese grootmachten leidden tot de Eerste Wereldoorlog. Servië werd in 1914 meerdere malen aangevallen door Oostenrijks-Hongaarse troepen. Servische strijdkrachten wisten de eerste invasies af te slaan, onder meer tijdens de Slag bij de Kolubara. In 1915 werd Servië echter opnieuw aangevallen, ditmaal door Oostenrijk-Hongarije, Duitsland en Bulgarije. De Servische strijdkrachten werden gedwongen zich terug te trekken. Een groot deel van het Servische leger trok via Montenegro en Albanië naar de Adriatische Zee. In 1918 namen Servische troepen deel aan het geallieerde offensief dat leidde tot de doorbraak van het Macedonisch front. Bulgarije capituleerde en de geallieerde troepen rukten verder op richting Centraal-Europa. Aan het einde van de oorlog stortte Oostenrijk-Hongarije uiteen. thumb|Joegoslavië wordt gesticht (1918). In november 1918 werd het Koninkrijk der Serviërs, Kroaten en Slovenen gevormd, waarin Servië samen met andere Zuid-Slavische gebieden werd verenigd. Koning Peter I van Servië werd staatshoofd van de nieuwe staat. De Servische stad Belgrado werd de hoofdstad. De nieuwe staat omvatte Servië, Montenegro en grote delen van het voormalige Oostenrijk-Hongarije, waaronder Kroatië, Slovenië, Bosnië en Herzegovina en delen van Vojvodina, een regio die Servië verwierf ten koste van Hongarije. De staat was etnisch, religieus en politiek zeer divers. Er bestonden grote verschillen tussen de verschillende Zuid-Slavische gebieden over de inrichting van de nieuwe monarchie. In 1921 werd een nieuwe grondwet aangenomen die een sterk gecentraliseerde monarchie creëerde. De Servische politieke elite had hierdoor een grote invloed binnen de nieuwe staat. Vooral de Kroatische Boerenpartij onder leiding van Stjepan Radić verzette zich tegen de centralistische inrichting. In 1929 schafte koning Aleksandar I het parlementaire systeem af en voerde hij een koninklijke dictatuur in. De naam van het land werd veranderd van Koninkrijk der Serviërs, Kroaten en Slovenen in Koninkrijk Joegoslavië. Het grondgebied werd opnieuw ingedeeld in banaten die niet langer rechtstreeks aansloten bij de historische gebieden. Koning Aleksandar I werd in oktober 1934 tijdens een staatsbezoek aan Marseille vermoord door leden van een Macedonisch-Kroatische revolutionaire organisatie. Omdat zijn zoon Peter II nog minderjarig was, werd een regentschapsraad ingesteld onder prins Paul. In de jaren dertig probeerde Joegoslavië zijn positie tussen de Europese grootmachten te behouden. De regering sloot economische en politieke overeenkomsten met Duitsland en Italië, terwijl tegelijkertijd geprobeerd werd de onafhankelijkheid van het land te bewaren.

In maart 1941 trad Joegoslavië toe tot het Driemogendhedenpact van Duitsland, Italië en Japan. Dit leidde tot grote protesten in Belgrado en een staatsgreep waarbij de regering werd vervangen. Duitsland en zijn bondgenoten reageerden daarop met een invasie. Op 6 april 1941 begonnen Duitse en Italiaanse luchtaanvallen op Joegoslavië. Belgrado werd zwaar gebombardeerd. Het Joegoslavische leger werd binnen korte tijd verslagen en het land werd bezet en uiteengevallen. Servië werd onder een Duitse militaire bezettingsregering geplaatst. Andere delen van Joegoslavië werden verdeeld tussen Duitsland, Italië, Albanië, Hongarije en Bulgarije. Kroatië werd een onafhankelijke fascistische satellietstaat, de Onafhankelijke Staat Kroatië. In Servië ontstonden verschillende verzetsbewegingen. De twee belangrijkste waren de monarchistische Četniks, aanvankelijk geleid door Draža Mihailović, en de communistische partizanen onder leiding van de Kroaat Josip Broz Tito. Beide bewegingen vochten tegen de bezettingsmacht, maar raakten ook met elkaar in conflict. De Duitse bezettingsmacht reageerde hard op het verzet en voerde een harde toon tegen de Servische bevolking. Er werden veldslagen uitgevochten tegen de rivaliserende legers maar ook de Servische bevolking werd door de Kroatische Ustaša-beweging vervolgd, hetgeen 250.000 tot 500.000 Servische burgers het leven kostte. In het door het Koninkrijk Albanië bezette Kosovo werd de Servische bevolking door de Albanese collaborateurs omgebracht of verdreven naar centraal-Servië. Zuidoostelijke delen van Servië werden bezet door Bulgarije. In 1944 rukten Sovjet- en partizaneneenheden op richting Servië. In oktober 1944 werd Belgrado bevrijd tijdens het Belgrado-offensief. De Duitse troepen trokken zich vervolgens verder terug. Tegen het einde van 1944 was het grootste deel van Servië onder controle van de partizanen. Na de oorlog werden de monarchistische en anticommunistische bewegingen grotendeels verslagen. Draža Mihailović werd in 1946 door de nieuwe Joegoslavische autoriteiten ter dood veroordeeld en geëxecuteerd. thumb|200px|Servië gedurende de Tweede Wereldoorlog