De menselijke geschiedenis, of de geschiedenis van de wereld, behandelt de grote lijnen van de geschiedenis van de mensheid: het ontstaan, de groei en de veranderingen van samenlevingen en beschavingen. Voor een goed begrip wordt hier vaak ook de prehistorie bij betrokken, die men dan laat beginnen met het begin van de evolutie van de mens, en die voortduurt tot de uitvinding van het schrift. Wereldgeschiedenis bestudeert specifieker de onderlinge interactie van samenlevingen en beschavingen.

Inleiding De enorme hoeveelheid informatie maakt simplificatie nodig om geschiedenis bevattelijk te maken voor de menselijke geest. Hoewel interpretatie noodzakelijk is om tot begrip van een situatie te komen, gaat hierbij toch informatie verloren. Dit betekent dat de werkelijke situatie kan verschillen van de interpretatie. Aangezien dé waarheid niet te kennen is, willen nieuwe inzichten dan ook niet noodzakelijkerwijs aantonen dat oude interpretaties foutief zijn, aangezien het ook een ander perspectief kan zijn.

In de geschiedenis kan daarbij gezocht worden naar algemene patronen en wetmatigheden — de nomothetische methode. Deze staat tegenover de idiografische methode die stelt dat geschiedschrijving zich moet beperken tot beschrijvende uitspraken van individuele gebeurtenissen die met elkaar een unieke wisselwerking hebben. Deze twee opvattingen waren aan het einde van de negentiende eeuw in Duitsland aanleiding tot de zogenaamde Methodenstreit. Waar in Duitsland de visie van verworpen werd, had deze onder meer invloed op de Annales-school in Frankrijk. Onder meer probeerde de tegenstellingen te overbruggen en tegenwoordig worden beide methodes gebruikt, zoals de theorie van middelbare reikwijdte van die een verbetering moest zijn van de te abstracte allesomvattende grand theories. Dit betekent niet dat de discussie volledig voorbij is.To my mind, the most important recent development is increasing recognition that ancient cities, like all other ancient and modern sociocultural phenomena, and no matter what the spatiotemporal scale of analysis, cannot be well understood without taking explicit account of individuals—their practices, perceptions, experiences, attitudes, values, calculations, and emotions. Emphatically, this is not to say that the search for regularities in larger-scale or longer-term phenomena should be discontinued. Indeed, connecting individuals with polities, institutions, and other larger entities is among the most challenging and potentially rewarding tasks that confront us. (2004): 'Origins and Development of Urbanism: Archaeological Perspectives' in Annual Review of Anthropology, Vol. 33, p. 525-549 In het structure-agency-debat wordt de vraag gesteld of vooral de sociale structuur via socialisatie bepalend is voor gedrag, of de agency — het potentieel tot handelen doordat elk individu over autonomie en vrije wil beschikt — en wat de wisselwerking is tussen beide.

Vooruitgang Tijdens de Verlichting ontstond het idee dat de eigen tijd superieur was aan het verleden. Leibniz stelde zelfs dat de bestaande wereld de beste van alle mogelijke werelden was. De aardbeving van Lissabon in 1755 temperde dit geloof weliswaar, maar het vooruitgangsgeloof heeft grote invloed gehad op de historiografie, maar ook op onder meer de culturele antropologie en de sociologie. In de negentiende eeuw ontstond in de antropologie het idee dat er sprake was van een unilineaire evolutie van de samenleving. Buiten Europa observeerden antropologen samenlevingen die als primitief werden beschouwd, terwijl uit de archeologie bleek dat er zoiets als een prehistorie had bestaan. Met behulp van de vergelijkende methode werd duidelijk dat primitieve samenlevingen zich ontwikkelen tot complexe, zoals in het superieur geachte Europa. In de historiografie wordt deze teleologische benadering wel presentisme genoemd. maakte hiertegen bezwaar vanuit de wetenschapsgeschiedenis.

Deze theorie van culturele evolutie werd al aan het einde van negentiende eeuw door onder meer ondergraven. De theorie werd gezien als etnocentrisch en verworpen vanuit het door het vooruitgangsgeloof ingegeven idee dat de moderne samenleving beter zou zijn dan de oudere samenlevingsvormen. Boas stelde hier het historisch particularisme tegenover dat stelt dat elke cultuur uniek is met een eigen geschiedenis, gevormd door specifieke historische omstandigheden en omgevingsfactoren.

In de historiografie werd door het idee van de mentalité geïntroduceerd: door een verandering van denken konden bekende begrippen en belevingen een andere lading krijgen. Het niet onderkennen van de tijdgeest kan misverstanden veroorzaken als historische gebeurtenissen beschreven en benaderd worden vanuit de huidige betekenis van begrippen.

Vanaf 1960 groeide het besef van de beperkingen die de introspectieve, eurocentristische nationale en universele geschiedenis heeft. Om patronen te kunnen herkennen, zouden samenlevingen niet afzonderlijk bestudeerd moeten worden, maar vooral de onderlinge wisselwerking. De decennia daarna werd dan ook geprobeerd om structuur en duiding aan te brengen in het geheel door te zoeken naar patronen die overeenkomsten — mogelijk door interactie — of juist verschillen toonden. Dit was een andere benadering dan van oudsher gebruikelijk was binnen de nationale geschiedschrijving waarin politieke ontwikkeling de rode draad vormde. Dit betekende ook dat bestaande periodiseringen minder zinvol waren, omdat deze gebaseerd waren op een beperkt gebied of op een afgebakende cultuur.

Complexiteit, chaos, emergentie en durée Ondanks de eerder genoemde bezwaren tegen het vooruitgangsgeloof is het duidelijk dat de menselijke samenleving gedurende de geschiedenis steeds complexere vormen heeft aangenomen en steeds meer energie voor eigen doeleinden heeft weten aan te wenden. Complexiteit kon toenemen door het overbrengen van informatie. Dit maakte een lamarckiaanse evolutie mogelijk; kennis en ervaring kon worden overgebracht door taal. Hiermee kon een groep overwicht verkrijgen over een andere groep en kon sociale en economische ongelijkheid ontstaan binnen, maar ook tussen samenlevingen.

thumb|De oorzaken van de Eerste Wereldoorlog lijken achteraf relatief makkelijk te bepalen, maar vooraf werd deze toch niet voorspeld door een complexiteit die de Zwarte Zwaan noemt Zoals bij andere vakgebieden levert complexiteit ook bij geschiedschrijving problemen op. Geschiedenis wordt gevormd door zowel een autonome culturele evolutie als door diffusie, de interactie van samenlevingen met elkaar en met de omgeving, waarbij het geheel van dynamische systemen zich aan elkaar aanpast.

Een belangrijke vorm van interactie is zelforganisatie. Hierbij ontstaan in een chaotisch systeem structuren, waardoor het systeem beter in staat is om controle te houden over de omgeving. Veelal geldt echter dat die zelforganisatie vooral optreedt binnen bepaalde grenzen. Als de omstandigheden veranderen, kan het zijn dat het systeem zichzelf toch niet in stand kan houden. Deze gevoeligheid voor de juiste omstandigheden wordt ook wel het Goudlokje-principe genoemd.

Door interactie kan een groter systeem kenmerken krijgen die niet zijn af te leiden uit alleen maar de kleinere systeemcomponenten waaruit het is opgebouwd. Het geheel is daardoor meer dan de som der delen. De veranderingen in deze aggregate complexity verlopen langzaam, maar zijn onder invloed van bepaalde verstoringen ook zeer abrupt. Zelfs kleine veranderingen kunnen daarbij grote gevolgen hebben, ook wel bekend als het vlindereffect naar de metafoor van .

Het dynamische karakter van samenlevingen is niet altijd te herkennen. maakte daarbij onderscheid tussen de courte durée, de moyenne durée en de longue durée. De courte durée of evenementiële geschiedenis wordt gedomineerd door initiatieven van groepen of individuen als oorlogen, revoluties, wisselingen van regeringen, conjunctuurbewegingen en politieke verschuivingen. Deze zijn zeer dynamisch en lijken op dat moment de geschiedenis te sturen, maar op de lange termijn hebben deze synchrone processen niet noodzakelijk een grote invloed. Daarnaast worden diachrone processen onderscheiden die zich door de tijd afspelen.

De moyenne durée of sociaal-economische tijd is veel statischer en wordt gedomineerd door zaken als cyclische technologische en economische veranderingen en de bevolkingsgroei. Niet al deze veranderingen zijn even zichtbaar binnen een generatie, zodat bij tijdgenoten een illusion of permanence kan ontstaan. Zo worden tradities vaak ouder ingeschat dan zij werkelijk zijn, wat en deed spreken van uitgevonden tradities.

De longue durée of geografische tijd wordt vooral bepaald door geografische en klimatologische veranderingen en brengt fundamentele veranderingen teweeg die echter voor tijdgenoten niet of nauwelijks zichtbaar zijn, al moet gewaakt worden voor ecologisch determinisme.

Evolutie, padafhankelijkheid en instanties Socioculturele evolutie verloopt dan ook vaak niet geleidelijk, maar in sprongetjes (punctuated equilibrium) en ondervindt soms achteruitgang. De ecologische, demografische en culturele uitdagingen hinderen niet slechts, maar stimuleren ook. De reacties daarop kunnen sterk verschillen, maar zelfs als ze qua locatie en tijd overeenkomen, is de uitkomst niet altijd gelijk. Een belangrijke rol daarbij spelen keuzes uit het verleden, waardoor bepaalde opties moeilijk of zelfs uitgesloten zijn. Dit verschijnsel, de padafhankelijkheid van , heeft dan ook tot gevolg dat er niet altijd een optimale keuze wordt gemaakt. Daarbij speelt ook mee dat het menselijk handelen volgens niet alleen doelrationeel, maar ook waarderationeel, affectief en traditioneel is gemotiveerd, overigens allen ideaaltypes. Menselijk handelen kan dus nooit alleen vanuit de rationaliteit begrepen worden. Dit wordt versterkt doordat er bij elke beslissing beperkingen zijn in tijd, informatie en cognitie, wat beperkte rationaliteit noemde.

Als er wel overeenkomsten zijn, betekent dit niet noodzakelijk dat sprake is geweest van onderlinge beïnvloeding. vergeleek het met begrippen uit de biologie, homologie en analogie. Bij homologie is er een gedeelde afstamming van een structuur of gen in verschillende dieren. Hoewel de functie kan verschillen, is er sprake van een gemeenschappelijke voorouder. Bij analogie daarentegen is er geen gemeenschappelijke voorouder, maar is een vergelijkbare functie onafhankelijk geëvolueerd als reactie op de omstandigheden. Deze convergente evolutie kan ook optreden in verschillende samenlevingen die geen contact met elkaar hebben. Zo zocht hij naar manieren om op vergelijkbare wijze te homologieën en analogieën van elkaar te onderscheiden.There are cases in which it is not a simple matter to decide whether the totality of traits points to a true [homologe] relationship or to secondary [analoge, functionele] convergence. It has been held that the ostrich, rhea, emu, etc., form a true group, and again that they represent merely secondary assimilations of originally diverse ancestors. Similarly, the pinnipeds are of doubtful phylogenetic unity. They may be derived from several families of carnivores. Yet few biologists would doubt that sufficiently intensive analysis of structure will ultimately solve such problems of descent as these. There seems no reason why on the whole the same cautious optimism should not prevail in the field of culture; why homologies should not be positively distinguishable from analogies when analysis of the whole of the phenomena in question has become truly intensive. (1931): 'Historical Reconstruction of Culture Growths and Organic Evolution' in American Anthropologist Vol. 33, p. 149-156