Stenopterygius is een geslacht van uitgestorven Ichthyosauria dat leefde tijdens het Vroeg-Jura. Het was een ichthyosauriër van gemiddelde lengte, ongeveer drie tot vier meter. Net als andere leden van de groep had hij lange kaken en leek hij op een dolfijn. De staartpunt was iets naar beneden gericht, wat een staartvin schiep. Dit kenmerk wordt ook aangetroffen bij de niet verwante Metriorhynchidae als Dakosaurus. Anders dan een dolfijn had Stenopterygius nog kleine achterpootjes. Het was waarschijnlijk een viseter. De tanden wijzen daarop.
Geschiedenis Stenopterygius quadriscissus Sinds het begin van de negentiende eeuw werden bij Holzmaden uit de Posidoniaschalie grote hoeveelheden ichthyosauriërfossielen geborgen, meer dan waar ook ter wereld. Daaronder bevonden zich uiteindelijk honderden exemplaren van volledige skeletten die zelfs weke delen en embryo's toonden. De stukken werden door fossielenhandelaren kunstig geprepareerd en aan musea en verzamelaars verkocht. De toenmalige geleerden zagen zich voor de lastige opgave gesteld de enorme hoeveelheid materiaal te beschrijven en ordenen. Men moest beslissen of een bepaald afwijkend kenmerk slechts een individuele variatie zonder belang vertegenwoordigde of juist een aparte soort. Voor wat kleinere vormen zou in de loop van dit proces het geslacht Stenopterygius erkend worden en daarin zou men weer verschillende soorten onderscheiden.
Stenopterygius werd oorspronkelijk benoemd door Friedrich August von Quenstedt in 1856 als de soort Ichthyosaurus quadriscissus.Quenstedt, F. A. (1856–58). Der Jura. VI + 842 S.; Tübingen (H. Laupp). Ichthyosaurus was indertijd het geslacht waarin de meeste ichthyosauriërs geplaatst werden. Otto Jaekel wees het in 1904 toe aan een eigen geslacht Stenopterygius.Jaekel, O. 1904. "Eine neue Darstellung von Ichthyosaurus". Zeitschrift der deutschen geologischen Gesellschaft, 56: 26–34 De typesoort is daarom Ichthyosaurus quadriscissus maar de combinatio nova Stenopterygius quadriscissus. De geslachtsnaam is afgeleid van stenos, Grieks voor 'smal', en pteryx (πτερυξ), Grieks voor 'vin' of 'vleugel'. De soortaanduiding betekent "in vieren gespleten" in het Latijn en verwijst naar het vermeende aantal splijtingen in de eerste vinger. In de negentiende eeuw worstelden de Duitse geleerden, die weinig wisten van evolutiemechanismen en niets van hoxgenen, met het verwarrende gegeven dat afgeleide ichthyosauriërs meer dan vijf vingers per hand bezaten en per vinger talloze vingerkootjes. Stenopterygius is op dit punt recordhouder. Ze verklaarden dit onder andere door aan te nemen dat de voorste vinger zich gespleten had.
Von Quenstedt noch Jaekel wezen een holotype aan, een naamdragend fossiel. Het materiaal bestond dus uit een grote reeks syntypen. Bij Von Quenstedt waren dat in ieder geval de specimina GPIT-PV-30028, GPIT-PV-30054, GPIT-PV-30021 en GPIT-PV-30033. In 1922 koos Friedrich von Huene als lectotype GPIT-PV-30028 (eerder PV 7532, door Maisch aangeduid als GPIT 43/0219), een in anatomisch verband liggend compleet skelet van een zwanger wijfje dat een zeer groot embryo bevatte, specimen GPIT-PV-30029.Huene, F. von. 1922. Die Ichthyosaurier des Lias und ihre Zusammenhänge. Berlin (Gebr. Borntraeger) Het embryo is zo groot dat wel gedacht is dat het om een opgevreten jong gingBranca, W. 1908. "Sind alle im Inneren von Ichthyosauriern liegenden Jungen ausnahmslos Embryonen?" Abhandlungen der Preußischen Akademie der Wissenschaften zu Berlin, 1907: 1-34 maar daartegen spreekt de gave toestand. Het exemplaar is ongeveer 3,15 meter lang. Andere specimina zijn verzameld uit de Harpoceras elegantulum-exaratum ammonoïde subzones (meer specifiek Lias ε II3-4) en de Harpoceras falcifer zone van de beroemde Posodonia-Schiefer Lagerstätte van Holzmaden, daterend uit het Vroeg-Toarcien van het Vroeg-Jura, ongeveer 182 miljoen jaar oud.
Maisch wees in 2008 aan de typesoort dertig verdere specimina toe, allemaal afkomstig uit Dobbertin te Mecklenburg-Vorpommern, Holzmaden, Duitsland en Dudelange, Luxemburg. Ze werden verzameld uit de subzones van Harpoceras palum tot Harpoceras falciferum ammonoïde (Lias ε I2-II11, onder-midden Vroeg-Toarcien), en de Harpoceras tenuicostatum-falcifer-zones, van de Posidoniaschalie.
Stenopterygius macrophasma McGowan, 1979 is een mogelijk jonger synoniem.
Verdere soorten
In 1856 benoemde Von Quenstedt ook een Ichthyosaurus triscissus, de "driemaal gespletene". In 1932 maakte Woodward hier een Stenopterygius triscissus van. Het holotype is GPIT 12/0224-2. Stenopterygius megacephalus Huene 1922, waarvan het holotype door het Amsterdams Lyceum verworven werd, is een mogelijk jonger synoniem, evenals Stenopterygius megalorhinus Huene 1922 gebaseerd op holotype BMK 813 B. Stenopterygius triscissus is verzameld uit de Harpoceras exaratum-elegans ammonoïde subzones (meer specifiek Lias ε II6), de Harpoceras falcifer-zone, van de Posidoniaschalie in Ohmden, daterend uit het midden van het Vroeg-Toarcien van het Vroeg-Jura. Maisch wees aan deze soort dertien extra exemplaren toe, allemaal afkomstig uit verschillende plaatsen in Engeland, Frankrijk, Duitsland, Luxemburg en Zwitserland. Ze werden verzameld uit de Lias ε II1-III, daterend uit het midden-late Vroeg-Toarcien.
De meeste bekende vrij complete exemplaren van Stenopterygius, meer dan honderd, werden in 2008 opnieuw beschreven door Michael Werner Maisch. Hij stelde dat Stenopterygius quadriscissus (de typesoort) ook Stenopterygius eos Huene 1931 (lectotype SMNS 3775), Stenopterygius incessus Huene 1931 en Stenopterygius macrophasma McGowan 1979 (SMNS 16811) omvat evenals exemplaren eerder toegewezen aan Stenopterygius hauffianus en Stenopterygius megacephalus. Maisch volgde Woodward (1932) en beschouwde Ichthyosaurus triscissus als een geldige soort van Stenopterygius. De type-exemplaren van Stenopterygius longifrons Owen 1881 (NHM 33157),Godefroit P. 1993. "The skull of Stenopterygius longifrons (Owen, 1881)". Revue de Paléobiologie 7: 67–84 Stenopterygius megacephalus Huene 1922 en Stenopterygius megalorhinus Huene 1922 (BMK 813 B) werden allemaal door hem aan deze soort toegewezen, aangezien de naam Ichthyosaurus triscissus voorrang heeft.Michael W. Maisch. 2008. "Revision der Gattung Stenopterygius Jaekel, 1904 emend. von Huene, 1922 (Reptilia: Ichthyosauria) aus dem unteren Jura Westeuropas". Palaeodiversity. 1: 227–271
Sommige exemplaren eerder aan Stenopterygius megalorhinus toegewezen, evenals het holotype van Stenopterygius cuneiceps McGowan 1979, NMC 8161, bleken tot een eigen soort te behoren waarvoor het binomen Stenopterygius uniter Huene 1931 kan worden gebruikt. Uniter betekent "samen tot één verenigd". Omdat het holotype van Stenopterygius uniter SMNS 14216, een gearticuleerd compleet skelet, in de Tweede Wereldoorlog werd vernietigd, stelde Maisch een neotype voor, GPIT 1491/10, een in verband liggend bijna volledig skelet. Het dier is een jongvolwassen exemplaar van ongeveer 2,34 meter lang. Het werd verzameld uit de Harpoceras falcifer ammonoïde subzones (meer specifiek Lias ε II10), de Harpoceras falcifer-zone, van de Posidoniaschalie in Holzmaden, daterend uit het midden van het Vroeg-Toarcien van het Vroeg-Jura. Maisch wees aan deze soort tien extra exemplaren toe, allemaal afkomstig uit Holzmaden. Ze werden verzameld uit de Harpoceras exaratum tot Harpoceras falciferum ammonoïde subzones (Lias ε II6-II11, midden Vroeg-Toarcien), en de Harpoceras falcifer zones van de Posidoniaschalie.
Maisch stelde ook dat Stenopterygius banzensis Huene 1922 en Stenopterygius promegacephalus Huene 1949 nomina dubia zijn, want gebaseerd op respectievelijk een te beperkt (wat wervels) en een juveniel exemplaar, en dat het lectotype van Stenopterygius hauffianus, GPIT 18387, kon worden bepaald als een Stenopterygius cf. Stenopterygius quadriscissus op zijn best, en dat deze soort als een nomen dubium moet worden beschouwd. Hij stelde dat de meeste exemplaren die eerder aan Stenopterygius hauffianus werden toegewezen, kunnen worden verplaatst naar Stenopterygius quadriscissus, terwijl de rest behoort tot een zeer onderscheidend nieuw taxon dat niet kan worden beschouwd als een geldige soort van Stenopterygius. Deze soort werd door hem geplaatst in zijn eigen geslacht Hauffiopteryx.
Stenopterygius zetlandicus Seeley 1880 achtte Maisch een jonger synoniem van Temnodontosaurus acutirostris en Stenopterygious crassicostatus van Eurhinosaurus longirostris.
In 2007 hernoemde Fernandez Chacaicosaurus in een Stenopterygius cayi, maar dat is omstreden. Volgens latere analyses bevindt het zich op een andere positie in de stamboom.
Aanvullende materialen werden beschreven door Hannah Caine en Michael J. Benton in 2011, van de Beacon Limestone uit het Vroeg-Toarcien van Strawberry Bank, Ilminster in Engeland. De exemplaren zijn allemaal juvenielen of baby's, die meestal werden bewaard door bijna complete skeletten en enkele schedels. Ze omvatten BRLSI M1405, BRLSI M1407, BRLSI M1408, BRLSI M1409. Caine en Benton verwezen deze exemplaren naar Stenopterygius triscissus. Hannah Caine & Michael J. Benton. 2011. "Ichthyosauria from the Upper Lias of Strawberry Bank, England". Palaeontology. 54(5): 1069–1093
De nieuwe soort Stenopterygius aaleniensis uit het Midden-Jura uit het zuidwesten van Duitsland werd in 2012 benoemd door Erin Maxwell e.a. Het holotype, SMNS 90699, werd in juni 1976 gevonden bij Zell unter Aichelberg.Maxwell, E.E.; Fernández, M.S. & Schoch, R.R. 2012. Farke, Andrew A (ed.). "First Diagnostic Marine Reptile Remains from the Aalenian (Middle Jurassic): A New Ichthyosaur from Southwestern Germany". PLOS ONE. 7(8): e41692
Beschrijving Grootte Stenopterygius was een kleine ichthyosauriër, die maximaal drie tot vier meter lang was en 150-310 kilogram woog. Jonge volwassenen bereikten een lengte van minstens twee meter, zoals blijkt uit het type-exemplaar van Stenopterygius triscissus dat 2,2 meter lang was. Stenopterygius kwam van 185,6 tot 183 miljoen jaar geleden voor. Jongere soorten werden steeds groter en de jongste fragmentarische exemplaren aan een Stenopterygyius sp. toegewezen zijn het grootst, wijzend op een lengte van vijf meter.
Algemene bouw Dit geslacht leek fysiek op de beter bekende Ichthyosaurus, maar had een kleinere schedel en smallere vinnen. In Duitsland zijn prachtig bewaarde fossielen van Stenopterygius gevonden. Zijn schedel was verlengd tot een soort snavel en was bewapend met een aantal grote tanden. De ledematen waren getransformeerd tot vinachtige structuren. De staart eindigde in een grote, halfronde, leerachtige, verticale staartvin en er was zelfs een driehoekige rugvin aanwezig. Een goed bewaard gebleven fossiel van Stenopterygius bewaart sporen van huid, waarvan werd ontdekt dat de kleur van het dier tegenschaduw had (donkerder op de rug dan de onderbuik).
Onderscheidende kenmerken
Stenopterygius is moeilijk te diagnosticeren op afgeleide kenmerken en het geslacht kan parafyletisch zijn. De borst- en bekkenvinnen waren van gemiddelde lengte. De borstvinnen hadden vier hoofd- en een kortere vijfde vinger, de bekkenvinnen drie vingers en een gereduceerde vierde. Oudere exemplaren waren gedeeltelijk tandeloos. De schedel achter de oogkas is erg kort, het slaapvenster is groot, het maxillaire (maxillaire bot), het palatinebot en de quadratojugale (een ander schedelbot) waren kort. Stenopterygius had vierenveertig tot zesenveertig wervels vóór het heiligbeen. Jonge dieren van de drie door Maisch erkende soorten zijn lastig uit elkaar te houden.