Het arrest Betonstaf/Ballast Nedam (HR 7 april 2006, RvdW 2006/377) is een arrest van de Nederlandse Hoge Raad dat betrekking heeft op een resultaatsverbintenis.
Casus In opdracht van Ballast Nedam heeft Betonstaf BV in mei/juni 1999 een bedrijfsvloer van beton aangelegd en opgeleverd, inclusief 2000 m² op het buitenterrein van een rioolwaterzuiveringsinstallatie in aanbouw. In de betonvloer op het buitenterrein zitten scheuren die door en door zijn. In opdracht van Ballast Nedam hebben deskundigen vastgesteld dat de vloer niet vloeistofdicht is en dat er voor de scheurvorming geen directe oorzaak aangewezen kan worden. Ballast Nedam heeft betaling van de factuur van f 88.301 opgeschort. Betonstaf vordert betaling van de factuur. Ballast Nedam vordert in reconventie nakoming van de overeenkomst met een dwangsom.
Procesgang De vordering van Betonstaf BV is door de rechtbank afgewezen. De vordering van Ballast Nedam in reconventie is toegewezen uitvoerbaar bij voorraad. Dit vonnis is in hoger beroep door het gerechtshof bekrachtigd. Dit arrest is in cassatie door de Hoge Raad vernietigd, terwijl het geding voor verdere behandeling is doorverwezen naar een ander hof. Ballast Nedam is veroordeeld in de kosten.
Hof
Hoge Raad Tegen dit oordeel van het hof wordt in het cassatiemiddel geklaagd. De Hoge Raad overwoog:
Tot besluit Conclusie: Het hof heeft geoordeeld dat sprake is van een resultaatsverbintenis wat betreft de eigenschap dat de betonvloer vloeistofdicht moet zijn. Indien fouten van de schuldeiser ertoe leiden dat een schuldenaar tekortschiet in het nakomen van een verbintenis, dan oordeelt de Hoge Raad dat dergelijke fouten, óók als het een resultaatsverbintenis betreft, voor rekening van de schuldeiser komen. Dus het is niet onmogelijk dat de scheur in de betonvloer moet worden toegerekend aan fouten die Ballast Nedam heeft gemaakt.
Betonstaf/Ballast Nedam