Het Dreigbrief-arrest (HR 9 februari 1971, NJ 1972/1) is een arrest van de Nederlandse Hoge Raad dat betrekking heeft op de wederrechtelijkheid als bestanddeel van de delictsomschrijving van afpersing (art. 317 Sr).

Casus De heer W.G.v.E. stuurt aan A.E.G. een brief waarin hij haar sommeert om ƒ 2200, te betalen die hij stelt van haar te goed te hebben. Hij voegt hier ernstige bedreigingen aan toe ten aanzien van haar man. Ook krijgt H.W. Sr. in Duitsland een brief, dat diens zoon v.E. heeft beroofd. Als H.W. Sr. hem niet spoedig DM 600 betaalt, zal hij hem "pakken". Rechtsvraag Kan er sprake zijn van (het oogmerk van) wederrechtelijke bevoordeling alleen omdat het middel waarmee het voordeel wordt nagestreefd onbehoorlijk is? (Nee) Procesgang Wegens genoemde brieven wordt W.G.v.E. vervolgd voor afpersing ex art. 317 Sr.:

Volgens de verdachte is er geen sprake van afpersing. Nu hij – naar eigen zeggen – recht had op het geld, bestond er niet het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen en is dus niet aan de delictsomschrijving voldaan. Volgens de aanklagers was dit wel het geval, gezien de onbehoorlijkheid van het dreigen met geweld.

Hoge Raad De Hoge Raad beantwoordt deze vraag bevestigend:

Relevantie Het Dreigbrief-arrest is met name van belang voor het leerstuk van de wederrechtelijkheid. Een gedraging kan als poging tot wederrechtelijke bevoordeling worden aangemerkt, niet alleen wanneer de bevoordeling op zichzelf wederrechtelijk zou zijn, maar ook wanneer de wijze waarop de bevoordeling wordt nagestreefd verregaand onbehoorlijk is.

Categorie:Nederlands arrest (strafrecht)