Het menselijk lichaam, Latijn: corpus humanum, is het fysieke geheel van een menselijk individu. Soms wordt ook de geest als onderdeel van het lichaam beschouwd.

Binnen het menselijk lichaam worden onderscheiden: de lichaamsbouw of menselijke anatomie, de lichaamsfuncties of fysiologie, en de biochemische processen die zich in het lichaam afspelen, met name de stofwisseling in alle lichaamscellen.

Het menselijk lichaam bestaat in uitwendige, anatomische zin uit verschillende lichaamsdelen, met name het hoofd, de romp, de armen met daaraan de handen en vingers, en de benen met de voeten en tenen.

In inwendige, fysiologische zin zorgen verschillende organen voor de verschillende lichaamsfuncties, en daarmee voor de instandhouding - of homeostase - van het levende individu. Deze organen zijn de longen voor de ademhaling, het hart voor de bloedsomloop, de lever voor de stofwisseling, en de nieren voor de verwijdering van afvalstoffen en overtollig water. De coördinatie van veel van deze levensfuncties gebeurt vanuit het onbewuste deel van de hersenen, het autonome zenuwstelsel. Ook in de hersenen, specifieker in het willekeurige zenuwstelsel, vinden de bewuste processen als voelen, ademen, waarneming en denken plaats. De huid is het orgaan dat zich over de hele buitenkant van het lichaam uitstrekt, en het inwendig milieu afschermt van de omgeving - het (uitwendig) milieu. Verschillende organen vormen samen een samenwerkend orgaansysteem met een specifieke functie. Zo bestaat het spijsverteringsstelsel uit achtereenvolgens de mond, slokdarm, maag, dunne -, dikke- en endeldarm. Ook het voortplantingssysteem is een orgaanstelsel.

Organen zijn ieder samengesteld uit vier soorten weefsel: dekweefsel, bindweefsel, spierweefsel en zenuwweefsel. Iedere weefselsoort wordt gevormd door gespecialiseerde, weefselspecifieke lichaamscellen.

Buiten de lichaamseigen cellen is ook de symbiose met micro-organismen, waarvoor de mens de gastheer is, van essentieel belang voor het menselijk lichaam. Hoewel deze microbiota, en dan vooral de darmflora, in gewicht een relatief klein deel vormen, overtreffen zij in aantal de lichaamseigen cellen met een factor tien.

Leven Processen die het levend zijn kenmerken: metabolisme of stofwisseling, het opnemen van energie van het geheel van biochemische processen dat plaatsvindt in cellen en organismen ten behoeve van activiteit, groei, voortplanting en instandhouding. Energie wordt van de ene vorm in de andere vorm getransformeerd. Daarbij kan onderscheid gemaakt worden tussen weefselafbraak, katabolisme, en weefselopbouw, anabolisme; groei, het lichaam neemt toe in lengte en gewicht; voortplanting, noodzakelijk voor nakomelingen en het voortbestaan van de soort. Voor geslachtelijke voortplanting zijn twee individuen nodig. De nakomelingen hebben kenmerken van beide ouders in nieuwe combinaties; adaptatie in structuren of aanpassingen van gedrag, die de organismen beter in staat stellen te overleven of voor nageslacht te zorgen. Dit principe van adaptatie aan het milieu is fundamenteel voor de evolutie; homeostase, het vermogen van een organisme om het interne milieu constant te houden; prikkelopvang en prikkelverwerking, het kunnen reageren op stimuli, op veranderingen in het uitwendige of inwendige milieu van het lichaam; beweging, door spierwerking kunnen lichaam en lichaamsonderdelen van vorm en positie veranderen.

Dit alles hangt met elkaar samen. Zo zal tijdens een krachtsinspanning door het bewegingsapparaat de metabolietenconcentratie in het menselijk lichaam hoger worden. Herstel houdt daarbij in dat het fysiologisch evenwicht weer normaliseert doordat deze concentratie weer omlaag wordt gebracht. Dit herstel kan plaatsvinden door slaap en voeding.

Voor adaptatie dient deze verhoogde concentratie echter juist als inductor of aanjager om op een hoger niveau te komen. Om dit te bereiken, dient het herstel dus juist uitgesteld te worden. Op de korte termijn leidt dit tot een tijdelijke vermindering van het prestatieniveau, op de langere termijn brengt de adaptatie echter een hoger prestatieniveau door supercompensatie.

Groei thumb|De embryogenese gedurende de eerste 23 dagen

De eerste fase van groei is die van de bevruchte eicel tijdens de embryogenese. Tot een dag of 16 bestaat het embryo uit hetzelfde type cellen. Daarna ontstaan drie verschillende cellagen of kiembladen. Van buiten naar binnen ontstaan volgende cellagen: ectoderm, vormt later de huid, hersenen en het zenuwstelsel; mesoderm, vormt later de meeste organen, het bloed, het skelet, de spieren, het bindweefsel en het urogenitaal stelsel; endoderm, vormt later het spijsverteringsstelsel en de longen.

Lichaamssamenstelling In het vijf-compartimentenmodel wordt de samenstelling van het menselijk lichaam weergegeven op vijf niveaus: atomair, moleculair, cellulair, functioneel (weefsels en organen) en het gehele lichaam.

Voor de referentieman die de International Commission on Radiological Protection ICRP in 1975 heeft vastgesteld, geldt onderstaande indeling.

thumb|left|734px|Lichaamssamenstelling op vijf niveaus

Orgaansystemen De menselijke orgaansystemen zijn: orgaansysteem omvat functie 60px Skelet Ossa, systema skeletale TA A02.0.00.000 A02.1.00.001, schedel, cranium A02.2.00.001, wervelkolom, columna vertebralis A02.3.00.001, borstkas, skeleton thoracis A02.4.00.001, ossa membri superioris A02.5.00.001, ossa membri inferioris stevigheid en spieraanhechting 75px Gewrichten Juncturae TA A03.0.00.000 A03.1.00.001, gewrichten van de schedel, juncturae cranii A03.2.00.001, gewrichten van de wervelkolom, juncturae columnae vertebralis A03.3.00.001, gewrichten van de borstkas, juncturae thoracis A03.4.00.001, gewrichten van de bekkengordel, juncturae cinguli pelvici A03.5.00.001, gewrichten van de bovenste extremiteit, juncturae membri superioris A03.6.00.001, gewrichten van de onderste extremiteit, juncturae membri inferioris verbinding tussen botten 75px Spierstelsel Musculi TA A04.0.00.000 A04.1.00.001, hoofdspieren, musculi capitis A04.2.00.001, nekspieren, musculi colli A04.3.00.001, rugspieren, musculi dorsi A04.4.00.001, borstspieren, musculi thoracis A04.5.00.001, buikspieren, musculi abdomis A04.6.00.001, armspieren, musculi membri superioris A04.7.00.001, beenspieren, musculi membri inferioris A04.8.00.001, peesscheden en slijmbeurzen, vaginae tendinum et bursae beweging Spijsverteringsstelsel Systema digestorium TA A05.0.00.000 A05.1.00.001, mond, os A05.2.01.001, keel, fauces A05.3.01.001, slokdarmhoofd, pharynx A05.4.01.001, slokdarm, oesophagus A05.5.01.001, maag, gaster A05.6.01.001, dunne darm, intestinum tenue A05.7.01.001, dikke darm, intestinum crassum A05.8.01.001, lever en galblaas, hepar et vesica biliaris A05.9.01.001, alvleesklier, pancreas voedingsstoffenopname en uitscheiding Ademhalingsstelsel Systema respiratorium TA A06.0.00.000 A06.1.01.001, neus, nasus A06.2.01.001, strottenhoofd, larynx A06.3.01.001, luchtpijp, trachea A06.4.01.001, luchtpijpvertakkingen, bronchi A06.5.01.001, longen, pulmones zuurstofopname, koolzuurafgifte Borstholte Cavitas thoracis TA A07.0.00.000 A07.1.01.001, pleurale ruimte, cavitas pleuralis 75px Urinewegstelsel Systema urinarium TA A08.0.00.000 A08.1.01.001, nier, ren A08.2.01.001, urineleider, ureter A08.3.01.001, blaas, vesica urinaria A08.4.01.001, vrouwelijke urinebuis, urethra feminina A08.5.01.001, mannelijke urinebuis urethra masculina uitscheiding afvalstoffen 75px Voortplantingssystemen Systemata genitalia TA A09.0.00.000 A09.1.00.001, inwendige vrouwelijke geslachtsorganen, organa genitalia feminina interna A09.2.00.001, uitwendig vrouwelijk voortplantingssysteem, organa genitalia feminina externa A09.3.00.001, inwendige mannelijke geslachtsorganen, organa genitalia masculina interna A09.4.00.001, uitwendig mannelijk voortplantingssysteem, organa genitalia masculina externa A09.5.00.001, bilnaad, perineum voortplanting Buikholte en bekkenholte Cavitas abdominopelvica TA A10.0.00.000 Endocrien systeem Glandulae endocrinae TA A11.0.00.000 A11.1.00.001, hersenaanhangsel, hypophysis A11.2.00.001, pijnappelklier, glandula pinealis A11.3.00.001, schildklier, glandula thyroidea A11.4.00.001, bijschildklier, glandula parathyroidea A11.5.00.001, bijnier, glandula suprarenalis A11.6.00, eilandjes van Langerhans, insulae pancreaticae chemische beïnvloeding Hart en vaatstelsel Systema cardiovasculare TA A12.0.00.000 A12.1.00.001, hart, cor A12.2.00.001, slagaders, arteriae A12.3.00.001, aders, venae A12.4.01.001, lymfebanen en -vaten, trunci et ductus lymphatici transport van zuurstof, brandstof en voeding Lymfevatenstelsel Systema lymphoideum TA A13.0.00.000 A13.1.00.001, primaire lymfoïde organen, organa lymphoidea primaria A13.2.00.001, secundaire lymfoïde organen, organa lymphoidea secundaria A13.3.00.001, regionale lymfeknopen, nodi lymphoidei regionales immuunafweerfunctie 75px Zenuwstelsel Systema nervosum TA A14.0.00.000 A14.1.00.001, centraal zenuwstelsel, pars centralis A14.2.00.001, perifeer zenuwstelsel, pars peripherica A14.3.00.001, autonoom zenuwstelsel, divisio autonomica coördinatie Zintuigen Organa sensuum TA A15.0.00.000 A15.1.00.001, reukorgaan, organum olfactorium A15.2.00.001, oog en bijbehorende structuren, oculus et structurae pertinentes A15.3.00.001, oor, auris A15.4.00.001, smaakorgaan, organum gustatorium waarneming Integument Integumentum commune TA A16.0.00.001 A16.0.00.002, huid, cutis A16.0.01.001, nagel, unguis A16.0.02.001, borst, mamma A16.0.03.001, subcutis, tela subcutanea bescherming

Geschiedenis Oudheid Hippocrates (ca. 460 v.Chr.–370 v.Chr.) meende dat het menselijk lichaam was samengesteld uit slijm, bloed, gele gal en zwarte gal. Hij was ervan overtuigd dat gezondheid bij de mens afhing van de balans tussen lichaamssappen; onbalans zou ziekte veroorzaken. Dit wordt de leer der humores genoemd. De fysieke en psychische toestand (het temperament) en ziekteverschijnselen werden verklaard uit het bestaande gehalte aan de verschillende sappen. Een teveel aan slijm (flegma) zou een flegmatisch of kalm temperament tot gevolg hebben; een teveel aan bloed een sanguinisch of optimistisch, gepassioneerd temperament; een teveel aan gele gal een cholerisch of prikkelbaar, opvliegend temperament; en een teveel aan zwarte gal een melancholisch, depressief temperament. Een onbalans zou behandeld moeten worden met een dieet.

Later werden deze ideeën, die lange tijd grote invloed op de medische wetenschap zouden houden, overgenomen door de invloedrijke Grieks/ Romeinse arts Galenus (131-201/216). Deze zou de theorie verbinden met die van de vier elementen: het flegmatische verbond hij met water, het sanguine met lucht, het cholerische met vuur en het melancholische met aarde.

Vroegmoderne Tijd Opmerkelijk lang bleven verdere inzichten in het menselijk lichaam uit. De grote verandering kwam met Vesalius (1514-1564). Deze legde zich niet neer bij de boekenwijsheid van Galenus en had al vroeg belangstelling voor ontleding. Dit leidde tot veel nieuwe inzichten die hij publiceerde in Fabrica (1543), daarmee de grondslag leggende voor de moderne studie van de anatomie. Hij ondervond echter grote weerstand van aanhangers van Galenus en het zou nog lang duren voordat de nieuwe inzichten algemeen werden gedeeld.

Op fysiologisch gebied was het werk van Bernard (1813-1878) van groot belang. Hij stelde dat het niet de physis was, het sturend levensbeginsel van Hippocrates, dat het evenwicht bewaarde, maar kwam met het idee van het milieu intérieur, tegenwoordig homeostase genoemd, dat weefsel en organen een stabiele beschermde omgeving biedt. Bernard stelde dat ziekte te wijten was aan verstoring van het milieu intérieur en net als bij Hippocrates moest de balans worden hersteld.