thumb|Twijg, blad en knoppen van Magnolia (Yulania) denudata. Let op de lenticellen op de twijg en op het langgerekte litteken van een steunblaadje op de bladsteel van het onderste blad.
thumb|Rijpe zaden van Magnolia virginiana.
Magnolia (Nederlandstalige naam beverboom) is de naam van het typegeslacht van de Magnoliafamilie (Magnoliaceae). Het geslacht is in West-Europa niet inheems en is hier het bekendst vanwege de rijk bloeiende soorten en kruisingen die in veel tuinen en parken zijn aangeplant.
Magnolia's hebben ongedifferentieerde bloembladeren: de bloemen hebben een bloemdek bestaande uit bloemdekbladeren (tepalen). De bloemdekbladeren, de meeldraden en de vruchtbeginsels zijn spiraalsgewijs op de kegelvormige bloemas ingeplant. Deze bloembouw komt overeen met de oudst bekende fossiele bloemen en duidt erop dat de oorsprong van de groep in de buurt van de eerste bloemplanten moet liggen.Crane, P.R. (1998), The phylogenetic position and fossil history of the Magnoliaceae. in: Hunt, D. (ed.), Magnolias and their allies (Milborne Port): 21.
In de indeling van de Tulpenboomfamilie die tot het eind van de twintigste eeuw gangbaar was, was Magnolia een van de grotere geslachten van de onderfamilie Magnolioideae. Met de introductie van moleculaire technieken voor onderzoek naar verwantschappen (DNA-sequencing) werd duidelijk dat het geslacht parafyletisch was.Dit betekent dat de soorten in het geslacht Magnolia hun recentste gemeenschappelijke voorouder deelden met soorten die niet binnen het geslacht vielen. Bij het indelen van soorten in taxa is de belangrijkste doelstelling dat een taxon monofyletisch is, met andere woorden, dat het alle nakomelingen van één voorouder omvat en geen andere. Een parafyletisch geslacht is om die reden ongewenst. Zie verder de paragraaf Indeling op grond van genetisch werk in dit artikel. Daarmee is de omgrenzing van het geslacht Magnolia in beweging gekomen. De benadering die door de meeste taxonomen wordt gekozen, is om alle andere geslachten van de Magnolioideae samen te voegen met het oorspronkelijke geslacht Magnolia, waarmee dan één groot geslacht ontstaat dat wél monofyletisch is, en ongeveer 300 soorten telt.
Kenmerken Het geslacht Magnolia bestaat uit groenblijvende of bladverliezende bomen en struiken met grote, doorgaans opvallende bloemen.
Twijgen Magnolia's hebben twijgen die bij kneuzing sterk aromatisch zijn, vaak met een anijsachtige geur. Daarnaast dragen ze veel, meestal elliptische, lenticellen die in de lengterichting van de twijg liggen.
Knoppen De blad- en bloemknoppen van Magnolia's zijn omgeven door een of meer harde, meestal sterk behaarde schubben (perulae). De bloemknoppen zijn daarnaast ook nog eens omgeven door een of meer vliezige, meestal ook behaarde, schutbladen (bracteae). De perulae en bracteae worden bij het uitlopen snel bruin en vallen dan af, waarbij ze op de twijg een ringvormig litteken achterlaten.
Bladeren De bladeren staan afwisselend op de stengel.Bij de soorten uit de subsectie Rytidospermum en, in iets mindere mate, uit de secties Auriculata en Macrophylla staan de bladeren in schijnkransen aan het eind van de stengel. De schijnkransen zijn het gevolg van het niet uitgroeien van de internodiën tussen de knopen waarop de bladeren zitten. Ook bij deze soorten staan de bladeren dus in werkelijkheid afwisselend, dat wil zeggen niet tegenoverstaand of in echte kransen, op de stengel. De bladsteel draagt aan beide zijden twee steunblaadjes (stipulae) die vaak verbonden zijn met de bladsteel, en daarop dan bij het afvallen een litteken (cicatrix annularis) achterlaten. Bij de meeste soorten vallen de steunblaadjes snel af. De bladeren zijn nooit gedeeld en vrijwel altijd volledig gaafrandig. Alle soorten hebben een ovaal tot langwerpig-ovaal blad. Enkele soorten hebben een bladschijf die aan de basis lobben heeft (geoord blad), en enkele soorten hebben een bladschijf die aan de top twee lobben heeft. Veruit de meeste soorten hebben een blad dat zich gelijkmatig vanuit de bladsteel verbreedt en aan de top uitloopt in een punt.
Bloemen De bloemen van Magnolia's hebben ongedifferentieerde bloembladeren, wat wil zeggen dat ze geen afzonderlijke kelkbladeren (sepalen) en kroonbladeren (petalen) hebben, maar een bloemdek bestaande uit zes of meer bloemdekbladeren (tepalen).De term tepaal (Engels: tepal) is in 1827 bedacht door Augustin Pyramus de Candolle. Tepal is een samensmelting van petal (kroonblad) en sepal (kelkblad). In tegenstelling tot de meeste bloemplanten, waarbij de bloemdelen in opeenvolgende kransen zijn gerangschikt, zijn bij de Magnolia's de bloemdekbladeren, de meeldraden en de vruchtbeginsels spiraalsgewijs op een kegelvormige bloemas ingeplant. De bloemen zijn doorgaans tweeslachtig, met uitzondering van die van de soorten in subgenus Magnolia sectio Kmeria (genus Kmeria) en subgenus Gynopodium sectio Gynopodium (genus Parakmeria). Bij de meeldraden is geen duidelijke differentiatie tussen de helmdraad (filament) en de helmhokken: de helmhokken vormen een onderdeel van de zijkant van de helmdraad. Magnolia's hebben veel meeldraden en doorgaans ook veel vruchtbeginsels. De bestuiving geschiedt door kevers.Naast de primitieve bloembouw is dit een tweede aanwijzing dat we hier te maken hebben met een evolutionair gezien oude groep: ontstaan vóór het verschijnen van de bijen, die bij zo veel andere bloemplanten de bestuiving voor hun rekening nemen. De vruchtbeginsels hebben een dikke wand, die ze beschermt tegen de kevers die erover kruipen en eraan knagen.
De bloemen van Magnolia's hebben de volgende bloemformule: 12px CaCo3(x) A∞ G∞
Vruchten en zaden De vrucht van een Magnolia is een verzamelvrucht. Ieder vruchtbeginsel groeit uit tot een bes. Van onbevruchte vruchtbeginsels blijft de bes evenwel klein of verschrompelt zelfs, wat in subsectie Yulania vaak zeer onregelmatig gevormde verzamelvruchten tot resultaat heeft. Bij de rijpe vrucht van een Magnolia is het deel van de bloemas waaraan de bessen zitten (de gynophoor) uitgegroeid. De bessen zijn vaak met elkaar vergroeid maar niet altijd: in de meeste Michelia-soorten groeit de gynophoor zo ver uit, dat de afzonderlijke bessen ook bij rijpheid los van elkaar blijven. Als de zaden rijp zijn, barsten bij veel soorten de bessen overlangs open langs een groef die aan de buitenkant in de lengterichting loopt, waarna de altijd felgekleurde zaden tevoorschijn komen. De zaden blijven middels een flexibele draad nog gedurende een dag of meer met de vrucht verbonden en hangen dan naar buiten. Bij sommige subsecties van Magnolia (Blumiana, Talauma, Dugandiodendron en Aromadendron) barsten de bessen niet overlangs open, maar valt het buitenste gedeelte er in z'n geheel af, vaak samen met dat van de aangrenzende bessen.
De rijpe zaden hebben een harde, meestal erg donkere tot zwarte, zaadhuid, waaromheen een vettige en zachte zaadmantel (arillus) zit, met een leerachtige glanzende huid die vrijwel altijd fel rood of oranje gekleurd is.
Voorkomen Recent (holoceen) komen Magnolia's voor in het oosten en zuidoosten van Noord-Amerika, in Mexico, Centraal-Amerika, het tropisch deel van Zuid-Amerika en in de Caraïben. Het zwaartepunt van de moderne verspreiding ligt in China, Indochina en Malesië, en verder komen Magnolia's voor in het zuiden en oosten van India, in Sri Lanka, in Korea en in Japan.
Ouderdom De bloembouw van Magnolia's komt overeen met die van de oudst bekende fossiele bloemen en duidt erop dat de oorsprong van de groep in de buurt van de eerste bloemplanten moet liggen. Fossiele vondsten van soorten uit het geslacht Magnolia of een onmiddellijke voorloper daarvan, zijn gemeld uit het Boven-Krijt.Peigler, R.S. (1989), Fossil Magnoliaceae: a review of literature. in: Journal of the Magnolia Society 25(1): 1-11. Een soort met Magnolia-achtige bloemen en zaden, maar met diep gelobd blad (Archaeanthus linnenbergeri)Zie hier voor een afbeelding van een reconstructie. Gearchiveerd op 8 september 2023. wordt gerapporteerd uit de Dakotaformatie van het Cenomanien (100-95 miljoen jaar geleden), de oudste formatie van het Boven-Krijt in Centraal-Kansas.Dilcher, D.L., & Crane, P.R. (1984), Archaeanthus, An Early Angiosperm from the Cenomanian of the Western Interior of North America. in: Annals of the Missouri Botanical Garden 71(2): 351-383. Gearchiveerd op 8 september 2023. Het geslacht moet dus zo rond de honderd miljoen jaar geleden ontstaan zijn. Overigens zijn erg veel fossiele bladeren die een bladvorm en nervatuur hebben die gelijk is aan die van moderne Magnolia's aan dit geslacht toegeschreven maar die determinaties zijn niet erg betrouwbaar. Bloemen, vruchten en zaden, ook fossiel, kunnen echter wel met vrij grote betrouwbaarheid worden gedetermineerd.
De naam Magnolia thumb|Catesby's plaat van de soort die we nu als Magnolia virginiana kennen. Magnolia is een eponiem van Pierre Magnol (1638-1715). De Franse botanicus Plumier introduceerde de naam in 1703,Plumier, C. (1703), Nova Plantarum Americanarum Genera (Parijs): pagina 38 en plaat 7 toen hij een soort van het tropische eiland Martinique vernoemde naar de in die tijd beroemde botanicus uit Montpellier. De geslachtsnaam werd in 1730 overgenomen in plaat 39 van Mark Catesby's The Natural History of Carolina etc..Catesby, M. (1730), The natural history of Carolina, Florida and the Bahama Islands (Londen), deel 1: plaat 39, uitgekomen in 1730 en geschreven in de vier jaar daarvoor. en in 1732 in plaat 168 van Hortus Elthamensis van Johann Jacob Dillenius.Dillenius, J.J. (1732), Hortus Elthamensis (Londen), deel 2: pagina 207 en plaat 168, uitgekomen in 1732 en geschreven in de vier jaar daarvoor. Dit werk is een beschrijving van de planten in de tuin van James Sherard, de broer van William Sherard. De naam Magnolia wordt hier gebruikt voor een soort in de tuin van James in Eltham, dezelfde soort die Catesby in plaat 39 van de Natural History heeft afgebeeld, en die we nu kennen als Magnolia virginiana. De wetenschappelijke namen in beide werken waren verzorgd door William Sherard,Sherard had van 1686 tot 1688 in Parijs botanie gestudeerd bij Joseph Pitton de Tournefort, die ook een leraar was van Plumier. Het is niet bekend of Sherard Plumier zelf heeft ontmoet in Parijs. In zijn bibliotheek van (bij zijn overlijden) ruim 600 banden bevond zich wél een exemplaar van Plumiers Nova Plantarum Americanarum Genera en Sherard heeft Plumiers plaat en beschrijving zeker gekend, aangezien op pagina 208 van Hortus Elthamensis een verwijzing is te vinden naar Plumiers beschrijving van het geslacht. die daarmee als eerste de naam van de tropische Magnolia van Plumier gebruikte voor de soort uit de gematigde streken die later het type van het geslacht werd.