Het arrest Wormerveerse brandstichting (HR 2 oktober 1934, NJ 1934, p. 1673) is een uitspraak van de Nederlandse Hoge Raad die betrekking heeft op mededaderschap en medeplichtigheid bij het plegen van een strafbaar feit.

Casus Twee personen stichten brand in een schuurtje in Wormerveer. Een persoon klimt op een ladder naar de hooizolder om het hooi aan te steken met een bosje stro, dat wordt aangereikt door de ander, die de ladder vasthoudt. Beiden worden vervolgd wegens brandstichting. Degene die de ladder vasthield stelt als verweer dat hij "slechts" medeplichtig is geweest.

Rechtsvraag Mededaderschap of (slechts) medeplichtigheid? (Beide personen worden als mededader aangemerkt.)

Procesgang De Hoge Raad oordeelde:

Relevantie Dit arrest is een klassieker wat betreft daderschap en deelneming. De opvatting, dat voor mededaderschap een eigen (door de medepleger verrichte) uitvoeringshandeling vereist is, werd in dit arrest door de Hoge Raad verlaten: de samenwerking kan zo volledig en nauw zijn dat het min of meer toevallig is wie daadwerkelijk de uitvoeringshandeling verricht. Zie ook (1934) Eindhovense brandstichting (geen begin van uitvoering) (1978) Cito-arrest (wél begin van uitvoering, Cito-criterium)) (1987) Grenswisselkantoor-arrest (geen begin van uitvoering) (1992) Hoevense brandstichting (geen begin van uitvoering)

Categorie:Nederlands arrest (strafrecht) brandstichting Categorie:Geschiedenis van Zaanstad