thumb|right|320px|Kaart en stadsgezicht van Danzig uit 1687 Dit artikel beschrijft de geschiedenis van Gdańsk, een Poolse stad aan de Oostzee.
Oudheid Volgens archeologische opgravingen was de monding van de Weichsel (Pools: Wisła) een overslag- en handelscentrum tussen Scandinavië en oostelijk en Midden-Europa. De oude stad Truso lag oostelijk van het huidige Gdańsk. De Weichselmonding lag op de grens van Baltische volkeren. Baltische volken woonden al sinds 2000 v.C. ten oosten van de Weichsel, volgens Jordanes in zijn tijd onder de naam Estiërs of Aisten, niet te verwarren met de huidige Esten. Germaanse volken woonden sinds 300 v.C. westelijk ervan (het laatst onder de namen Rugiërs en Boergonden). Noord-Germaanse stammen uit Scandinavië, met name de Goten, trokken bij de Weichselmonding rond 200 n. C. het huidige Polen binnen om na enige tijd hun zwerftochten te beginnen door zuidelijk Europa. Door Jordanes werd het gebied rond het latere Danzig Gothiscandza genoemd (Gotenschans). In de 6de eeuw n.C. werden de Germaanse volken afgewisseld door Slavische stammen, die zich hier de Pomoranen (Duits: Pommern, Nederlands: Pommeren = kustbewoners) gingen noemen. Toen na 1200 zich Duitstaligen in dit gebied vestigden en de staat Pruisen stichtten, noemden zij de autochtone Baltische bevolking Pruzzen of later ook wel, ter onderscheiding van zichzelf, Altpreussen.
Middeleeuwen Het gebied van de Gotenschans was geen afgebakend stedelijk gebied. Als officiële "geboortedatum" van de stad wordt derhalve het jaar 997 gehanteerd, wanneer de stad als Gydannyzc voor het eerst in de historische kronieken vermeld wordt bij een bezoek van Boheemse bisschop, de heilige Adalbert (Pools: Wojciech), tijdens zijn kruistocht tegen de heidense Oude Pruisen (Baltische Pruzzen). In deze tijd is het slechts een vissersdorp. In 1148 werd de met aarden wallen en houten palissaden versterkte burcht zetel van de hertogen van Pommerellen, een geslacht dat zich in 1227 van de Poolse kroon onafhankelijk verklaarde door toenadering te zoeken tot de Rooms-Duitse keizer.
In het begin van de 13de eeuw was Gydannyzc, ook wel Kdancz genoemd, een vissersdorp en een handelsoverslagplaats van enige betekenis. De toenemende ‘internationale’ betekenis mag blijken uit de vestiging van een ‘Duitse’ handelskolonie, dat wil zeggen een stadswijk voor handelslieden uit het noorden van Duitsland en de Nederlanden, met een eigen kerk, de St. Katharina, en eigen bestuur en rechtspraak. De welvaart die deze kolonisten met zich meebrachten leidde ertoe dat zij in 1224 van de hertog een eigen rechtspleging kregen, zogeheten Duits recht, meer in het bijzonder Lübecker stadsrecht.
Duitse Orde Inmiddels probeerden de Poolse koningen de rechtsopvolgers (leenheren) van de hertogen te worden om zo de stad onder hun gezag te krijgen en de oostelijk wonende Baltische stam van de Pruzzen (waarvan afgeleid Pruisen, Duits: Preußen) onder controle te krijgen. Dat lukte niet, want de hertogen speelden de Duitse keizer en de Poolse koning tegen elkaar uit en Prussen waren niet te verslaan. Daarom riepen de Poolse koningen de ridders van de Duitse Orde te hulp. Nadat deze de Prussen had verslagen en gekerstend wilden zij het gebied van het latere Oost-Pruisen niet meer verlaten. De Poolse koning legde zich daar noodgedwongen bij neer omdat hij niet in staat was zijn land te beschermen tegen de sinds 1240 onder Dzjengis Khan ingezette Mongoleninvallen uit het oosten. Het systeem van weerburchten dat de Duitse Orde oprichtte voldeed namelijk om de Mongolen weg te houden van de Oostzeehavens, een van hun oorlogsdoelen. Na het uitsterven van het hertogengeslacht in 1294 brak tussen Polen, Pommeren, Brandenburg en de Duitse Orde een strijd los om het gezag over de stad en de toegang tot de Oostzee. Danzick groeide uit tot een van de belangrijkste steden in de regio met een rijke Nederduitstalige bevolking en handelslieden uit Scandinavië, Nowgorod en de Nederlanden. De Slavische en Pruzzische visserswijken speelden vanaf toen nog maar een marginale rol.
De Duitse Orde had vanuit haar Monastieke Staat in het onderworpen Pruisen zijn zinnen op deze plaats gezet. In 1308 lukte het de Duitse Orde de stad te veroveren en kreeg ze de erkenning daarvoor van haar concurrenten Brandenburg, Pommeren en Polen. De autochtonen die zich met de Orde verzoenden gingen deel uitmaken van de lagere landadel en vrije boeren. De stad werd voorzien van stenen weermuren en enige tijd later van een burcht op de plaats van de hertogelijke burcht.
De Hanze thumb|left|250px|Hoofdhandelsroutes van het Hanzeverbond Om haar onafhankelijkheid te kunnen verzekeren trad de stad toe tot het hanzeverbond van overwegend Noord-Duitse steden. Met enkele andere steden in het gebied van de Duitse Orde kwam Danzig gaandeweg steeds meer tegenover de centralistische en bureaucratische adelsmacht van de Orderidders te staan. Met andere steden en dissidente edelen vormden zij de Pruisische Bond (Preussischer Bund), die bij de Poolse koning steun zocht tegen de Orde. Pas toen de Orde in 1466 een grote en definitieve nederlaag leed tegen het Poolse leger, waarin ook deze Pruisische Bond deelnam, kwam de stad onder de Poolse kroon met uitdrukkelijk behoud van al zijn vrijheden. Hetzelfde gebeurde met andere Pruisische steden zoals Elbing (Pools: Elbląg) en Thorn (Pools: Toruń). Overigens moest de hele provincie West-Pruisen, de genoemde steden inbegrepen, door de Duitse Orde aan de Poolse kroon worden afgestaan, onder toezegging van een autonome status (het zogenaamde Grote Privilege). Hoewel die autonomie later weer onder druk kwam te staan en in West-Pruisen, de kleinere steden inbegrepen, praktisch opgeheven zou gaan worden, wist Danzig zich als 'vrije stadsrepubliek' toch te handhaven op grond van zijn economische macht, waarvan de Poolse koningen voor hun inkomsten mede afhankelijk waren.
Hoewel Danzig een sterk kosmopolitisch karakter bezat - er bestonden Scandinavische, Engelse en Schotse koopliedengemeenschappen - bleef zij tot de Duitstalige cultuurwereld behoren. De interne bestuurs-, gerechts-, kerk- en onderwijstaal was dan ook vanaf het begin van de stadsstichting voornamelijk Hoogduits, met daarnaast ook het gebruik van Nederduitse varianten. Alleen met het Poolse hof werd ook wel in het Pools gecorrespondeerd en dat hof schreef daarop vaak in het Hoogduits terug als een vorm van middeleeuwse taaletiquette. Inmiddels was het inwonertal van het begin van de stadsvestiging in de 16de eeuw verzesvoudigd tot 30.000 en daarmee hoorde Danzig tot de middelgrote steden in Europa. Economisch had de stad een sleutelpositie in de handel tussen Oekraïne en Polen enerzijds en Scandinavië en West-Europa anderzijds. Die handel was modern georganiseerd en omvatte een eigen krediet verschaffend bankwezen en zelfs verzekeringsmaatschappijen die het risico van transporten dekten.
Vanaf de 2de helft van de 14de eeuw bestonden er intensieve handelsbetrekkingen tussen Danzig en de Nederlanden en naast de constante instroom van immigranten uit de Noord-Duitse steden was een aanzienlijk deel van de nieuw ingeschreven burgers dan ook uit het gebied van het huidige Nederland en Vlaanderen afkomstig. Zij kregen een dusdanige machtspositie dat de stadsraad in 1457 verdere immigratie verbood, maar dat nam niet weg dat Nederlandse en Vlaamse handelsschepen de meerderheid bleven vormen onder de schepen die de Danziger haven in- en uitvoeren en een eeuw later begonnen zich opnieuw Nederlanders in groten getale in de stad te vestigen.
Reformatie In de 16de eeuw zouden zich Friese, Hollandse en Vlaamse en daarnaast ook Engelse en Schotse handelarengemeenschappen in de stad vestigen. Het stadsbestuur zelf demonstreerde zijn onafhankelijkheid door tot de Lutherse protestantse kerkhervorming over te gaan in 1522, waartegen de rooms-katholieke Poolse koningen niets konden ondernemen. De Contrareformatie die zij na een halve eeuw godsdienstvrijheid in geheel Polen doorvoerden, kreeg slechts beperkte toegang tot de stad en alleen drie kerken van kloosterorden bleven in handen van het oude geloof, waarvoor een kwart van de stadsbevolking (merendeels Kasjoeben en een klein deel van de Duitse stadsbevolking) de voorkeur had. Bovengenoemde buitenlanders en ook Polen kregen wel vestigingsrechten maar geen volledig burgerrecht. Zij konden eigen, bijvoorbeeld calvinistische, geloofsgemeenschappen oprichten. Friese en Noord-Hollandse mennonieten (doopsgezinden) werden aangetrokken om de moerassige Weichseldelta in te polderen. Zij stichtten daar bloeiende dorpen, van waaruit elke volgende generatie tot ver in Polen langs de Weichsel weer nieuwe kolonies inrichtte. Het grootste deel van de mennonieten zou na twee eeuwen weer vertrekken, toen tsarina Catharine de Grote van Rusland hen op aantrekkelijke voorwaarden nieuw land aanbood in het zuiden van Oekraïne.
Het lutheranisme manifesteerde zich al in 1522 door volkspredikers en kreeg een sterke positie in de stad als spreekbuis van de volksmassa tegenover het patriciaat. De stedelijke raad koos uiteindelijk ook voor de nieuwe godsdienst om zich tegenover de koning beter te kunnen positioneren, immers hij was katholiek en oefende via kerk en bisschoppelijke hiërarchie een invloed uit die zij met een eigen kerkorganisatie nu konden neutraliseren. In 1557 moest de Poolse koning de nieuwe religie als gelijkberechtigd erkennen. Toch zou het Poolse hof herhaaldelijk proberen zijn macht via de katholieke minderheid tot gelding te brengen. Dat werkte averechts en in 1577 werden de katholiek gebleven kerken en kloosters geplunderd. Daarna zou het streven van de Poolse koningen vooral met geld afgekocht worden en het enige prestigieuze symbool van de koningsmacht zou ten slotte gestalte krijgen in een koninklijke kapel die tegen de lutherse hoofdkerk van de stad werd aangebouwd. Ook het aanbrengen van het Poolse wapen aan de gevels van de stadskantoren was zo'n symbool: formeel bleef de Poolse koning immers soeverein over de stad.
thumb|right|250px|Gezicht op Danzig omstreeks 1628 Het calvinistische element in de stad werd in deze tijd opnieuw zo sterk dat de Lutherse burgerij met hulp van de Poolse koning in 1605 aan calvinisten de toegang tot officiële functies ontzegde. Deze hervormden zouden daarna opgedeeld raken tussen in een Duitstalige en Nederlandstalige gemeente (de laatste bleef tot 1810 bestaan). Het katholieke bevolkingselement vond onder het Poolse koningsgezag bescherming, zodat het toenam van een vijfde tot een derde, maar het werd daarom ook gevaarlijk geacht en de stad probeerde dat in te dammen door de vestiging van Polen als burger te bemoeilijken. Dat kon niet door godsdienst als criterium te stellen, maar wel door te eisen dat nieuwe burgers ‘von Deutscher Zunge’ waren, waarmee de kans dat zij Polen en dus koningsgetrouw waren verminderd werd.
Bloeitijd In de 16e en 17e eeuw kende Danzig zijn gouden eeuw. Bijna de gehele Poolse graanexport ging door haar haven, waardoor zij als grootste en rijkste havenstad aan de Oostzee gold, met de eretitel van Koningin van de Oostzee. Met 60.000 tot 80.000 inwoners was Danzig de grootste stad, niet alleen van het Koninkrijk Polen, maar van het gehele Oostzeegebied.
Uit deze periode stamt de Nederlandse/Vlaamse invloed op de architectuur van de stad en dan met name de burgerhuizen en stadsgebouwen. Om slechts een paar te noemen: Anthonis van Obbergen en Abram en Willem van den Blocke en (Duits: vom Blocke) en zonen, allen uit Mechelen, bouwden objecten van grote schaal zoals stadspoorten, vestingwerken en sluizen; Hans Vredeman de Vries uit Leeuwarden werd stadsarchitect. Het is daarom niet verwonderlijk dat historisch Danzig aan Amsterdam en Antwerpen doet denken.
Terugval