260px|thumb|Prent (1756) van het rariteitenkabinet van Catharina Sinolt von Schutz, hofdame van prinses Anne en echtgenote van Douwe Sirtema van Grovestins.https://archive.today/20120530194044/http://www.mailchristies.com/LotFinder/lot_details.aspx?pos=9&intObjectID=5075045&sid=
Douwe Sirtema van Grovestins (Leeuwarden, 24 december 1710 - Brussel, 26 februari 1778) was een Friese jonker uit de familie Sirtema van Grovestins die was aangesteld als kamerheer aan het Stadhouderlijk Hof van prins Willem IV.
Evenals zijn echtgenote, een hofdame van prinses Anna van Hannover, bleef hij in dienst bij de weduwe na het overlijden van de erfstadhouder. Als een van de belangrijkste vertegenwoordigers van de Friese adel bracht hij haar dagelijks een bezoek en besprak met haar de lopende zaken. Hij zou volgens Franse geruchten in 1756Gedenkschriften van G.J. Hardenbroek, deel I, p. 136. - die misschien te maken hadden met het uitbreken van de Zevenjarige Oorlog - bijzondere gunsten bij de prinses gehad hebben. Grovestins werd enige jaren later beschuldigd van alles wat vies of kwalijk was om hem weg te krijgen.
Biografie Douwe Grovestins was de zoon van Jan of Johannes Grovestins (1686 - 1717) en Catharina van Haren (1687 - 1771).http://wc.rootsweb.ancestry.com/cgi-bin/igm.cgi?op=GET&db=jansenk&id=I275788 De familie stamt uit Engelum.http://www.simonwierstra.nl/GROVESTINS.htm. Gearchiveerd op 18 augustus 2022. Zijn vader was ritmeester en kamerheer van Maria Louise van Hessen-Kassel. Douwe was een neef van Onno Zwier van Haren en Willem van Haren. In 1734 kwamen de prins en zijn kersverse echtgenote aan in de Friese hoofdstad. De onderhandelingen voor het huwelijk hadden twaalf jaar geduurd.
Grovestins moet de Franse kok Vincent la Chapelle die meekwam naar Leeuwarden gekend hebben, want beiden waren lid van de eerste vrijmetselarijloge.Onno Zwier van Haren (1713-1779): staatsman en dichter door P. Van Der Vliet Grovestins trouwde op 28 augustus 1736 te Londen met Catharina (ook Carolina) Sinolt genaamd von Schutz.Rijksbureau voor Kunsthistorische Documentatie: Portret van Douwe Sirtema van Grovestins (1710-1778) . Gearchiveerd op 8 maart 2016. Ook zijn neef Willem van Haren had een Engelse hofdame gehuwd.
Grovestins aan het stadhouderlijk hof In 1738 werd Grovestins kamerheer, in 1741 kolonel van de Garde du Corps. In dat jaar werd hij vooruit gestuurd naar Hannover om een bezoek van Anna aan haar vader George II van Groot-Brittannië mogelijk te maken met wie zij al jaren ruzie had.Geyl, P. (1924) Willem IV en Engeland tot 1748 (Vrede van Aken), p. 69 In 1746 werd hij benoemd tot opperstalmeester van de stadhouder, als opvolger van zijn broer die vanwege een oplichtingszaak moest aftreden.Gedenkschriften van G.J. Hardenbroek, deel I, p. 35; deel IV, p. 110. Grovestins was geboren voor het hof: soepel, beleefd, gemakkelijk in de omgangNassau en de macht van Oranje: de strijd van de Friese Nassaus voor hun ... door Marijke Bruggeman , maar in geldzaken niet te vertrouwen.Gedenkschriften van G.J. Hardenbroek, deel I, p. 68. In 1747, toen een einde was gekomen aan het Tweede Stadhouderloze Tijdperk verhuisde het hof van Leeuwarden naar Den Haag. Na de dood van Willem IV nam de wellevende en opgewekte Grovestins een belangrijke positie in; hij ging dagelijks anderhalf uur bij de prinses langs.Gedenkschriften van G.J. Hardenbroek, deel I, p. 99. Hij werd betrokken bij de opvoeding van prinses Carolina van Oranje-Nassau en prins Willem V.W.R.D. van Oostrum, Juliana Cornelia de Lannoy (1738-1782): ambitieus, vrijmoedig en gevat (1999) p. 287. . De prinses is omschreven als grillig, vreemd, heftig, trots, heerszuchtig, vals, dwaas en ijdel en er werden pogingen ondernomen de hertog als stadhouder te benoemen want de prinses Anna, die als absolutistisch en willekeurig bekendstond, werd beïnvloed door de Friese cabaal.Nijhoff, D.C. (1889) De hertog van Brunswijk, p. 27, 31, 33
In 1751 kocht Sirtema van Grovestins de suikerplantage Princes Carolina in Demerary (nu: Guyana). De plantage werd vernoemd naar Carolina van Oranje-Nassau.Paul Koulen (2014), Lijst van eigenaren van plantages, en houders van hypotheken op plantages in Berbice, Demerara en Essequebo, 1818-1819 (transcriptie), cbg.nl
In 1751 liet Grovestins dagelijks geld overmaken naar Engeland.Gedenkschriften van G.J. Hardenbroek, deel I, p. 76. Pas in 1758 werd bekend dat hij in het verleden winst had gemaakt door paarden uit de stadhouderlijke stal te verkopen en deze vervolgens op kosten van de prins weer terug te kopen.Gedenkschriften van G.J. Hardenbroek, deel I, p. 125, 280, 290. Grovestins maakte zich daarmee ongeliefd bij de tienjarige prins Willem V, die hem wilde laten vervolgen en uitriep dat hij met "eerlijke lieden" wilde omgaan. Bovendien werd bekend dat Grovestins intieme relaties onderhield met een man en als commandant van "gardes du corps" 24 stuivers per week had achtergehouden, op de uniformen koper in plaats van goud had gebruikt en 44 man minder in de lijfwacht had opgenomen dan hij behoorde te doen.Gedenkschriften van G.J. Hardenbroek, deel I, p. 156. Daarnaast werd hij beschuldigd van het verkopen van een openbaar ambt in zijn eigen voordeel toen hij in 1756 het gouverneurschap van Ceylon voor 70.000 gulden zou hebben verkocht aan een vriend.J. Israel (1995) The Dutch Republic, its rise, greatness, and fall, 1477-1806, p. 1082 ( hardcover, paperback) Het zou dan moeten gaan om Jan Schreuder, een Hamburger en ooit begonnen als soldaat, die in 1756 als gouverneur op Ceylon werd benoemdWijnaendts van Resandt (1944) De gezaghebbers der Oost-Indische Compagnie op hare buiten-comptoiren in Azië, p. 79. en in 1761 weer naar Batavia verhuisde. Zijn vijfjarig verblijf op Ceylon zou volgens tijdgenoten 625.000 tot 750.000 gulden kunnen hebben opgeleverdGedenkschriften van G.J. Hardenbroek, deel I, p. 181.; Schreuder zou als Raad van Indië "slechts" 4.000 gulden per jaar hebben verdiend. Het is niet erg duidelijk wat Grovestins het recht gaf deze functie te verkopen. Naar het zich laat aanzien was hij geen bewindhebber en misschien fungeerde hij als tussenpersoon; de Heren XVII, die zich niet graag het gras voor de voeten lieten wegmaaien, hebben deze benoeming bekrachtigd. Het gerucht was afkomstig van de koopman Dirk Willem van der Brugghen, de schoonzoon van Schreuders voorganger Joan Gideon Loten. Van der Brugghen had de reputatie alleen geïnteresseerd te zijn in geld. Toen Schreuder Loten in Ceylon afloste vertelde hij hem dat Van der Brugghen niet erg aangedaan was door de dood van Lotens dochter in Batavia. Vermoedelijk waren zij geen vrienden.
Omdat Grovestins op zeer goede voet met de prinses stond, kregen de praatjes de overhand. Toen zijn tafelgenoten bij een souper hem in april 1756 vroegen waaraan hij het eerste dacht als hij 's ochtends wakker werd, antwoordde Grovestins gewiekst welke dag het was.Gedenkschriften van G.J. Hardenbroek, deel I, p. 135. Samen met andere uit Friesland meegereisde adviseurs, als Jan de Back en Gemme Onuphrius van Burmania, raakte Grovestins in conflict met de Hollandse adel, onder wie de kundige Willem graaf Bentinck van Rhoon, die zelf graag de hoofdrol wilde spelen. In 1758 bood Grovestins aan te vertrekken als hem ergens een commandantschap werd aangeboden.Gedenkschriften van G.J. Hardenbroek, deel I, p. 140. In 1759 maakte zijn vrouw, Catharina Sinolt genaamd von Schutz, een knieval voor de 'dikke' hertog van Brunswijk om haar man niet te vervolgen omdat de familie dan geruïneerd zou worden. De hertog antwoordde dat het allemaal zo erg niet kon zijn, als men geld in Londen, Parijs en Venetië had uitstaan. Grovestins en zijn zoon namen afscheid van het korps en vertrokken naar Aken.Gedenkschriften van G.J. Hardenbroek, deel I, p. 152. Het is niet duidelijk of dat was om in deze badplaats een kuur te nemen. De leiding van de Friese cabaal werd overgenomen door zijn neef Onno Zwier van Haren, die later zelf in een schandaal verwikkeld zou raken. Ook hij moest het toen afleggen tegen Bentinck van Rhoon en de dikke hertog.
Na het overlijden van prinses Anna in 1759 leidde de weerstand van de Friese adel tegen de hertog en de huwelijkskandidaat van de 16-jarige prinses Caroline Karel Christiaan van Nassau-Weilburg tot heftige discussies en tegenstellingen. Grovestins, die ook het vertrouwen had van Caroline, dreigde in een proces verwikkeld te raken vanwege ongeoorloofde inkomsten van zijn regimenten. Een van zijn wachtmeesters, die werd opgesloten in de Gevangenpoort, kreeg bezoek van de als vrouw verklede Grovestins.Gedenkschriften van G.J. Hardenbroek, deel I, p. 163-164. De aanleiding is onduidelijk. Grovestins was de belangrijkste tegenstander van de hertog van Brunswijk, die hem probeerde kwijt te raken; de zaak bleef evenwel "aan de spijker hangen". Grovestins had namelijk brieven van stadhouder Willem IV in zijn bezit, waardoor hij van mening was nooit vervolgd te zullen worden.Gedenkschriften van G.J. Hardenbroek, deel I, p. 165, 174. Van Haren zou in 1760 juridisch vervolgd worden vanwege een incestaffaire; een lastercampagne waarin de hertog een aandeel had. Van Haren trok zich terug op zijn buiten Lindenoord bij Wolvega en Grovestins verkocht zijn bezittingen in Friesland en vertrok naar Brussel. De hertog leek de strijd aan het hof te hebben gewonnen.Archieven van de Friese stadhouders: inventarissen van de archieven van de ... Door A.P. van Nienes, M. Bruggeman
Grovestins in de Zuidelijke Nederlanden In 1762 was Grovestins commandant van Veurne, maar hij kreeg nog steeds uitbetaald als opperstalmeester en ontving een vergoeding voor zijn woning in Den Haag.Gedenkschriften van G.J. Hardenbroek, deel I, p. 211. Hij had al eerder een totale ontheffing verkregen van de verplichting tot verblijf in zijn gouvernement van de prinses.Bootsma, N.A. (1962) De hertog van Brunswijk 1750-1759, p. 32. De functie van opperstalmeester verloor hij echter in het volgende jaar.A.J.C.M. Gabriëls, De heren als dienaren en de dienaar als heer. Het stadhouderlijk stelsel in de tweede helft van de achttiende eeuw [=Hollandse Historische Reeks, deel 14 ('s-Gravenhage: Stichting Hollandse Historische Reeks, 1990), p. 128-129. Grovestins dreigde in 1763 zijn brieven van de stadhouder te publiceren als hij verder onder druk kwam te staan en het tot een proces zou komen.Gedenkschriften van G.J. Hardenbroek, deel I, p. 259. Hij werd inmiddels door velen voor onschuldig gehouden van de diverse, soms kleine, vergrijpen.Gedenkschriften van G.J. Hardenbroek, deel I, p. 231. Grovestins dacht terug te kunnen keren bij meerderjarigheid van de prins in 1766. De weerstand tegen de hertog nam ernstige vormen aan. Maria Theresia verwonderde zich over de ophef over haar neef Lodewijk Ernst. Ook Frederik de Grote begon zich met de zaak te bemoeien. Hij pleitte voor eerherstel van Grovestins.Gedenkschriften van G.J. Hardenbroek, deel I, p. 304. In 1769 reisde Grovestins opnieuw in het geheim naar Den Haag in een poging te zaak te redden, hetgeen hem toen niet gelukt is.
Grovestins bleef in Brussel en werd de beschermheer en minnaar van Etta Palm, die hij in een herberg in Breda had ontmoet. Ze trok bij hem in en vermaakte zich met de grande bourgeoisie in de stad. In 1773 verliet ze haar minnaar en trok naar Parijs. Zij zou daar als courtisane, suffragette en spionne naam maken.https://web.archive.org/web/20140701195849/http://www.cf2r.org/fr/notes-historiques/souvent-femme-varie-une-espionne-hollandaise-paris.php Palm organiseerde een politieke salon die bezocht werd door Franse revolutionairen, waaronder Jean-Paul Marat.