De Zevendagenslag was een reeks van zes veldslagen die plaatsvonden tussen 25 juni en 1 juli 1862 nabij Richmond, Virginia tijdens de Amerikaanse Burgeroorlog. Generaal Robert E. Lee slaagde erin om het Noordelijke Army of the Potomac onder leiding van George B. McClellan tot de terugtocht te dwingen via het schiereiland van Virginia. Deze slagen worden soms de Zeven Dagen Campagne genoemd. Toch maken ze integraal deel uit van de Schiereiland-veldtocht.
De Zevendagenslag begon op 25 juni 1862 met een kleine Noordelijke aanval tijdens de Slag bij Oak Grove. McClellan verloor zeer snel het initiatief toen Lee een reeks van aanvallen begon op 26 juni met de Slag bij Beaver Dam Creek, de Slag bij Gaines' Mill op 27 juni en een kleinere confrontatie bij Garnett's and Golding's Farm op 27 juni en 28 juni. Op 29 juni werd de Noordelijke achterhoede aangevallen bij Savage's Station. McClellans leger trok zich verder terug naar Harrison Landing. Lee’s laatste poging om de vijand te blokkeren was in de Slag bij Glendale op 30 juni. Door slechte communicatie bij het Zuidelijke leger slaagden de Noordelijken erin om te ontsnappen en zich te verschansen in de versterkte stellingen bij Malvern Hill. Op 1 juli probeerde Lee via een reeks mislukte frontale aanvallen in de Slag bij Malvern Hill de vijand te verslaan.
De Zevendagenslag eindigde met de aankomst van McClellans leger in Harrison Landing bij de James River. Hij verloor ongeveer 16.000 soldaten bij de terugtocht. Lee verloor ongeveer 20.000 manschappen. Overtuigd van zijn succes tegen McClellan trok Lee naar het noorden voor de Veldtocht in Noord-Virginia en de Maryland-veldtocht.
Begin van de Schiereiland-veldtocht thumb|400px|Kaart met de gebeurtenissen tijdens de Schiereiland-veldtocht tot en met de Slag bij Seven Pines. De Schiereiland-veldtocht was een mislukte poging van de Noordelijken onder McClellan om Richmond in te nemen via een amfibische landing op het schiereiland van Virginia. In maart 1862 verzamelde McClellan zijn leger waarna het bij Fort Monroe landde. Begin april marcheerden ze in noordelijke richting naar Richmond. De Zuidelijke Warwicklinie bij Yorktown was (aangelegd door brigadegeneraal John Magruder) een onverwacht obstakel voor het Noordelijke leger. McClellan liet zijn leger halt houden en voorbereidingen treffen om de stad te belegeren. Net toen de voorbereidingen afgerond waren, trokken de Zuidelijken onder leiding van Joseph E. Johnston zich terug richting Richmond. De Noordelijken hadden de achtervolging ingezet via land en via rivier. Bij Williamsburg kwam het tot een eerste treffen op 5 mei. Na een onbesliste strijd slaagden de Zuidelijken erin om de terugtocht voort te zetten. Ook de achtervolging via de rivier slaagde niet in zijn opzet. In de Slag bij Eltham's Landing op 7 mei werd de Zuidelijke terugtocht niet geblokkeerd. De Noordelijke marine probeerde via de York River om tot bij Richmond te geraken, maar werden gestopt door de verdedigingslinie bij Drewry’s Bluff op 15 mei.Miller, pp. 8-18; Burton, Peninsula & Seven Days, p. 5; Eicher, pp. 268-74.
Eind mei had McClellan eindelijk de buitenwijken van Richmond bereikt. Na een kleinere confrontatie bij Hanover Court House op 27 mei, voerde Johnston een verrassingsaanval uit op de Noordelijke stellingen bij Fair Oaks op 31 mei en 1 juni. Hoewel de slag onbeslist eindigde, vielen er veel slachtoffers en had het toch grote gevolgen voor het verder verloop van de campagne. Johnston werd gewond en vervangen op 1 juni door generaal Robert E. Lee. Lee spendeerde de volgende weken om de verdedigingswerken rond de hoofdstad te versterken en zijn Army of Northern Virginia te reorganiseren.
McClellan liet Lee rustig begaan terwijl hijzelf wachtte op betere weersomstandigheden en begaanbare wegen. Lee wist dat het Noordelijke leger meer soldaten telde. Toch plande hij een offensief om het Army of the Potomac tot de aftocht te dwingen.Rafuse, p. 220; Miller, pp. 20-25; Burton, Extraordinary Circumstances, p. 26; Eicher, pp. 275-80.
Samenstelling van de legers De gecombineerde sterkte van beide legers telde bijna 200.000 manschappen. De onervarenheid en behoedzaamheid van beide zijden liet het echter niet tot een grote slag komen die nodig was om tot een tactische overwinning te komen.
De Noordelijke zijde Noordelijke bevelhebbersZuidelijke bevelhebbers McClellans Army of the Potomac telde ongeveer 104.000 manschappen. De indeling was vrijwel dezelfde zoals in Seven Pines.Eicher, p. 282; Sears, Gates of Richmond, pp. 195, 359-63. II Corps: Brigadegeneraal Edwin V. Sumner: bestaand uit twee divisies onder leiding van brigadegeneraals Israel B. Richardson en John Sedgwick. III Corps: Brigadegeneraal Samuel P. Heintzelman: bestaande uit twee divisies onder leiding van of brigadegeneraals Joseph Hooker en Philip Kearny. IV Corps: Brigadegeneraal Erasmus D. Keyes: bestaande uit twee divisies onder leiding van brigadegeneraals Darius N. Couch en John J. Peck. V Corps: Brigadegeneraal Fitz John Porter: bestaande uit drie divisies onder leiding van brigadegeneraals George W. Morell, George Sykes en George A. McCall. VI Corps: Brigadegeneraal William B. Franklin: bestaande uit twee divisies onder leiding van brigadegeneraals Henry W. Slocum en William F. "Baldy" Smith. Reserve inclusief de cavaleriereserve onder leiding van brigadegeneraal Philip St. George Cooke en bevoorradingsdepot in White House Landing onder leiding van brigadegeneraal Silas Casey.
De Zuidelijke zijde Lee’s Army of Northern Virginia was groter dan het leger dat hij geërfd had van Johnston en telde 92.000 soldaten. Het grootste leger tijdens het conflict.Eicher, pp. 281-82; Sears, Gates of Richmond, 195, 364-67. Generaal-majoor Thomas J. "Stonewall" Jackson net terug van zijn veldtocht in de Shenandoahvallei had zijn eigen divisie onder zijn bevel en de divisies van general-majoor Richard S. Ewell, brigadegeneraal William H. C. Whiting en generaal-majoor Daniel H. Hill. Generaal-majoor A.P. Hills "Light Division" (zo genoemd omdat het marcheerde met weinig bagage en zeer snel kon manoeuvreren) bestond uit de brigades van brigadegeneraals Charles W. Field, Maxcy Gregg, Joseph R. Anderson, Lawrence O'Bryan Branch, James J. Archer en William Dorsey Pender. Generaal-majoor James Longstreets divisie bestond uit de brigades van brigadegeneraal James L. Kemper, Richard H. Anderson, George E. Pickett, Cadmus M. Wilcox, Roger A. Pryor en Winfield Scott Featherston. Longstreet had ook het operationeel commando over Hills lichte divisie. Generaal-majoor John B. Magruder had het bevel over de divisies van general-majoor Lafayette McLaws, brigadegeneraal David R. Jones en zijn eigen divisie die geleid werd door brigadegeneraal Howell Cobb. Generaal-majoorBenjamin Hugers divisie bestond uit de brigades van brigadegeneraals William Mahone, Ambrose R. Wright, Lewis A. Armistead en Robert Ransom, Jr. Generaal-majoor Theophilus H. Holmess divisie bestond uit de brigades van brigadegeneraals Junius Daniel, John G. Walker, Henry A. Wise en de cavaleriebrigade van brigadegeneraal J.E.B. Stuart.
Aanvalsplannen Lee’s eerste plan was, zoals Johnstons plan voor Seven Pines, complex. Het vereiste een goede coördinatie en communicatie tussen de verschillende onderdelen. Lee wist dat hij het Noordelijke leger niet kon overwinnen via een uitputtingsslag of een belegering. Op 23 juni werden de plannen uit de doeken gedaan in een vergadering van de Zuidelijke bevelhebbers. Het Noordelijke leger had stellingen ingenomen langs de Chickahominy-rivier met het merendeel van de troepen (vier korpsen) langs de zuidelijke oever van de rivier. Het V Corps van brigadegeneraal Fitz John Porter lag ten noorden van de rivier bij Mechanicsville in een L-vorm achter Beaver Dam Creek en ten zuidoosten langs de Chickahominy
Lee’s plan bestond er uit om de Chickahominy over te steken met het merendeel van zijn leger om de vijandelijke Noordelijke flank aan te vallen. De divisies van Benjamin Huger en John B. Magruder moesten de Zuidelijke stellingen behouden tegenover het merendeel van het Noordelijke leger. Dit betekende dat er 65.500 Zuidelijke troepen 30.000 Noordelijken zouden aanvallen terwijl de andere 25.000 Zuidelijken de 60.000 soldaten van de Noordelijken moest vasthouden. De Zuidelijke cavalerie onder leiding van brigadegeneraal J.E.B. Stuart had Porters rechterflank verkend en vastgesteld dat hier de zwakke schakel van de Noordelijken te vinden was.Rafuse, p. 221; Harsh, pp. 80-81; Burton, Extraordinary Circumstances, pp. 18-23; Sears, Gates of Richmond, pp. 195-97; Eicher, pp. 282-83.
Jackson zou in de vroege morgen van 26 juni de rechterflank van Porter moeten aanvallen terwijl A.P. Hill van Meadow Bridge naar Beaver Dam Creek zou oprukken. Lee hoopte dat Porter door de uitgeoefende druk zijn loopgraven zou evacueren, wat een frontale aanval onnodig zou maken. Daarna zouden Longstreet en D.H. Hill via Mechanicsville aansluiting zoeken bij de eerste aanvalsgolf. Huger en Magruder zouden schijnaanvallen uitvoeren op hun front om McClellan zand in de ogen te strooien. Lee hoopte om Porter te overrompelen met 65.000 soldaten om daarna op te rukken naar Cold Harbor en McClellans communicatielijnen af te snijden met White House Landing.Eicher, p. 283; Time-Life, p. 31; Rafuse, p. 221.
McClellan plande eveneens een nieuw offensief. Hij ontving rapporten dat Lee klaar was en dat de aankomst van generaal-majoor Thomas Jacksons voor elk ogenblik kon zijn. (McClellan was op de hoogte van Jacksons aanwezigheid bij Ashland Station, maar deed niets om Porters kwetsbare flank te versterken.)Salmon, pp. 96-97. Hij zou Lee een stap voor zijn en zijn eigen aanval lanceren. Hij stuurde cavaleriepatrouilles naar de mogelijke marsroutes waarlangs Jackson zou marcheren. Hij wilde zijn zware artillerie ongeveer 2 km opschuiven naar Richmond door de heuvels bij Nine Mile Road in te nemen. Ter voorbereiding hierop opende hij de aanval op Oak Grove, ten zuiden van Old Tavern en de Richmond and York River Railroad.Sears, Gates of Richmond, p. 183; Esposito, map 44; Time-Life, p. 31; Burton, Extraordinary Circumstances, pp. 41-43; Salmon, p. 97.
De Zeven Dagen thumb|300px|De Zevendagenslag, 26 en 27 juni 1862.
De Slag bij Oak Grove McClellans plan bestond hier in dat het leger in westelijke richting zou oprukken langs de Williamsburg Road naar Richmond. Tussen de twee legers was er een klein maar dicht begroeid bos van ongeveer 1.200 m breed doorsneden door de White Oak Swamp. Twee divisies van het III Corps vormden de voorhoede voor de aanval onder leiding van brigadegeneraals Joseph Hooker en Philip Kearny. Tegenover hem stond de divisie van generaal-majoor Benjamin Huger.Burton, Extraordinary Circumstances, p. 43; Sears, Gates of Richmond, p. 184.
Op 25 juni om 08.00u vielen de Noordelijke brigades van Daniel E. Sickles, Cuvier Grover (van Hookers divisie) en John C. Robinson aan. Robinson en Grover boekten vooruitgang in het centrum en de linkerflank. Sickles had het moeilijker met de grote tegenstand van de Zuidelijken. De Noordelijke slaglinie had een verzwakte rechterflank. Huger profiteerde van de Noordelijke verwarring en lanceerde een tegenaanval met Ambrose R. Wrights brigade tegen Grovers brigade. Op het cruciale moment vuurden de 25th Carolina (van brigadegeneraal Robert Ransoms brigade) een perfect gesynchroniseerde salvo af op Sickles brigade. De aanval van Sickles haperde en de 71st New York trok zich in verwarring terug.Sears, Gates of Richmond, pp. 185-87; Time-Life, p. 31; Burton, Extraordinary Circumstances, p. 45; Salmon, p. 98.