Het syndroom van Down of trisomie-21Everdingen, J.J.E. van, Eerenbeemt, A.M.M. van den (2012). Pinkhof Geneeskundig woordenboek (12de druk). Houten: Bohn Stafleu Van Loghum. is een aangeboren afwijking die gepaard gaat met een verstandelijke beperking, typerende uitwendige kenmerken en bepaalde medische problemen, en die veroorzaakt wordt doordat het erfelijk materiaal van chromosoom 21 in drievoud voorkomt (in plaats van in tweevoud).
Het syndroom komt voor op ongeveer 4,6 van de 10.000 geboortes en in alle bevolkingsgroepen. Vergelijkbare condities zijn ook bij diersoorten als chimpansees aangetroffen.
Geschiedenis en naam In 1838 beschreef de Franse psychiater Jean-Étienne Esquirol voor het eerst het klinische beeld van het syndroom dat later het syndroom van Down zou worden genoemd. In 1846 beschreef de Frans-Amerikaanse arts Édouard Séguin het syndroom. In 1866 publiceerde de Britse arts John Langdon Haydon Down een uitgebreid klinisch beeld van mensen met deze afwijking. Hij sprak over 'mongoloïde idiotie'. De oorzaak kende hij nog niet, maar later werd de afwijking naar hem vernoemd. In 1932 opperde de Nederlandse oogarts en geneticus Petrus Johannes Waardenburg dat het syndroom van Down veroorzaakt zou kunnen worden door een chromosoomafwijking. De Franse onderzoeker Marthe Gautier (1925-2022) ontdekte in 1958 in celmateriaal van een Downpatiëntje 47 in plaats van 46 chromosomen. Omdat haar microscoop dat 47e chromosoom niet goed kon weergeven, stuurde ze haar bevindingen voor advies naar de kinderarts Jérôme Lejeune. Deze antwoordde niet, maar schreef in 1959 in een wetenschappelijk tijdschrift, dat er sprake was van trisomie (de aanwezigheid van drie in plaats van twee chromosomen) van chromosoom 21.https://historianet.nl/wetenschap/achter-elke-grote-wetenschapper-stond-een-bedrogen-vrouw
Down gebruikte de in zijn tijd populaire indelingJohann Friedrich Blumenbach, De generis humani varietate nativa liber (Goettingae, Apud viduam Abr. Vandenhoek, 1781). van de Duitse antropoloog en anatoom Johann Friedrich Blumenbach om de bewoners van het Royal Earlswood Asylum for Idiots in te delen in verschillende "rassen". De basis van deze etnische classificatie was de meting van de diameter van het hoofd en de identificatie van verschillende kenmerken van het gezicht die hij vond op foto’s die hij zelf maakte. Door middel van deze indeling probeerde hij onderscheid te maken tussen aangeboren en verworven aandoeningen.Ward OC, John Langdon Down: the man and the message (Downs Syndr Res Pract. 1999, 19-24). Naar aanleiding van zijn bevindingen publiceerde Down in 1866 in de London Hospital Reports een artikelJ. Langdon H. Down, Observations on an Ethnic Classification of Idiots (London Hospital Reports, 3:259-262, 1866). waarin hij verstandelijk gehandicapten indeelde in deze etnische categorieën. In het artikel Ethnic classifications of idiots besteedde hij vooral veel aandacht aan wat hij noemt “The great Mongolian family”. In het artikel beschrijft hij een jongetje met trisomie-21. Van Downs indeling is alleen zijn beschrijving van mongolisme algemeen bekend geworden. De term 'mongolisme' is binnen de westerse wereld zo’n 100 jaar een geaccepteerde term gebleven. Na de ontdekking in 1959 van de oorzaak van zijn syndroom, de trisomie-21, raakte de term in onbruik. Op verzoek van onderzoekers en van Mongolië is de term in 1965 officieel verdwenen als naam voor trisomie-21.
Oorzaken Mensen die dit syndroom hebben, hebben het DNA van alle genen die gelegen zijn op chromosoom 21 te veel in al (of veel van) hun lichaamscellen. Daardoor worden in die cellen allerlei eiwitten in overmaat geproduceerd. Een daarvan is bijvoorbeeld het β-amyloïd precursor-eiwit APPBronnen Nederlandse nomenclatuur: (1) "Neuropsychiatrische diagnostiek bij verstandelijk gehandicapten" (pdf), waarin de zin: "De pathogenese hiervan hangt vermoedelijk samen met een overexpressie van het β-amyloïd precursor-eiwit op chromosoom-21"; (2) schriftelijke weergave (pdf) van de toespraak "Algemene liquor diagnostiek en diagnostiek van neurodegeneratieve aandoeningen" van biochemicus M.M. Verbeek in Ziekenhuis Gelderse Vallei te Ede op 23 mei 2002, waarin staat: "De functie van het amyloïd β protein (Aβ) is nog onbekend. Aβ is een afsplitsingsproduct van het amyloïd precursor eiwit APP en is het belangrijkste bestanddeel van seniele plaques bij de ziekte van Alzheimer." (peptidase nexin-II), dat een rol speelt bij het ontstaan van de ziekte van Alzheimer. Het teveel aan chromosoom 21 kan op drie manieren ontstaan: thumb|Karyogram (chromosomenkaart) van iemand met trisomie-21: er is een derde chromosoom 21 aanwezig. In 95% van de gevallen is er sprake van trisomie-21. Dat wil zeggen, dat er in iedere cel drie in plaats van twee exemplaren van chromosoom 21 aanwezig zijn. Bij de vorming van de geslachtscel, meestal de eicel, zijn er twee chromosomen 21 in plaats van 1 in de kern gekomen, doordat de twee chromosomen 21 bij de reductiedeling niet van elkaar losraakten (non-disjunctie). Na de bevruchting waren er daardoor drie. Bij het verouderen van de eicellen komt deze afwijking beduidend vaker voor. Op gevorderde leeftijd van de moeder stijgt het risico op de geboorte van een kind met trisomie-21 aanmerkelijk. Het risico van het hebben van een kind met het syndroom van Down op leeftijd van de moeder 25 is 1 in 1250; op leeftijd 30 is 1 in 1000; op leeftijd 35 is 1 in 400; op leeftijd 40 is 1 in 100; op leeftijd 45 is 1 in 30.Down Syndrome (cont.), medicinenet.com (gearchiveerd)Down syndrome marchofdimes.com Hoewel de kans op een kind met het syndroom van Down groter is bij oudere moeders, worden de meeste kinderen met dit syndroom geboren uit jonge moeders. Er bestaat overigens ook een geringe correlatie met de leeftijd van de vader. Bij 4% van de downpatiënten is er sprake van een ("ongebalanceerde") translocatie van chromosoom 21. Het is ook mogelijk dat de vader of moeder een "gebalanceerde" translocatie had. Ook hierbij is er een derde chromosoom 21 in elke cel, maar dit ligt niet los in de celkern, maar zit vast aan chromosoom 14, of er zitten twee chromosomen 21 aan elkaar vast. Wanneer echter het totaal aantal exemplaren van chromosoom 21 in iedere celkern twee blijft, is er met een drager zelf meestal niets aan de hand. Hun kinderen lopen echter een grote kans op het syndroom van Down (bij 14/21 translocatie 1:3 en 1:3 zal drager zijn; een drager van 21/21 translocatie zal alleen maar kinderen met het syndroom van Down kunnen krijgen). In de meeste gevallen zijn de ouders echter geen drager en is de translocatie bij de vorming van de geslachtscellen voor het eerst ontstaan. In Nederland zijn enkele tientallen families opgespoord met dragers die zelf niet het syndroom van Down hebben. Kinderen van dragers kunnen zelf ook weer drager zijn zonder dat zij dat weten of merken. In 1% van de gevallen is er sprake van mozaïcisme voor chromosoom 21; dat wil zeggen dat slechts een deel van de cellen een derde chromosoom 21 heeft. Deze stoornis is ontstaan bij een van de eerste celdelingen in het jonge embryo, doordat het verdubbelde chromosoom 21 bij de celdeling niet van elkaar losraakte (non-disjunctie).
Verschijnselen Kenmerken Verstandelijke handicap Epicantusplooi van de ogen (ronde ooghoek) Amandelvormige, ietwat scheefstaande ogen Atypische gelaatsvorm Vlak achterhoofd Slappe, groot lijkende tong en open mond Eén dwarse, doorlopende handplooi Vaak een ontbrekend kootje van de ringvinger Vaak een grotere ruimte tussen de grote en naastgelegen teen In ongeveer 40 tot 50 procent van de gevallen een congenitale hartafwijking In 60 tot 70 procent van de gevallen bij prenatale screening een kleiner/geen neusbeentje zichtbaar op de echo Hyperlaxiteit (slappe banden, spieren en gewrichten) Vaak een kleine gestalte Vaak sluik, dun haar Kortere levensverwachting (70 jaar en ouder is zeldzaam) thumb|Amandelvormige, ietwat scheefstaande of 'Brushfield'-ogen. thumb|Voeten van een jongen met het syndroom van Down, gekenmerkt door de relatief brede ruimte tussen de grote teen en de andere tenen
Medische problemen Mensen met het syndroom van Down hebben een groter risico op het krijgen van de volgende aandoeningen. Voor een betrokkene of hulpverlener die een individu met het syndroom begeleidt, is het daarom van belang bij klachten aan de volgende aandoeningen te denken: De verstandelijke beperking varieert van zeer licht tot zeer ernstig. Slechts een zeer kleine minderheid heeft een normaal tot hoog IQ.Interview: "Down Syndrome is not a Disease, but Another Personal Characteristic" disabilityworld.org (gearchiveerd) Ongeveer 40 tot 50 procent heeft een congenitale hartafwijking; meestal een opening in het tussenschot tussen de hartkamers (ventrikelseptumdefect), de hartboezems (atriumseptumdefect) of op de grens van boezems en kamers (atrioventriculair septumdefect). (jaar onbekend). Paediatrische en orthopaedische afwijkingen bij het syndroom van Down, Juliana Kinderziekenhuis Den Haag (gearchiveerd) Wanneer deze hartafwijking fors is en niet operatief gecorrigeerd wordt, treedt later in het leven chronisch zuurstofgebrek op met alle gevolgen van dien. Bij de geboorte kan er sprake zijn van aanlegstoornissen van slokdarm, twaalfvingerige darm of anus. Patiënten met het syndroom van Down hebben een minder goed werkend afweersysteem en lopen daardoor meer kans infecties te krijgen. Zo lopen zij na een hepatitis B-infectie een grotere kans om drager te worden van het virus. Dit is een reden voor het advies alle pasgeborenen met het syndroom van Down te vaccineren tegen het hepatitis B-virus. Vaak komen ook huidproblemen voor, zoals vormen van eczeem (constitutioneel eczeem, seborroïsch eczeem) of voetschimmel. Op de kinderleeftijd is er een verhoogde kans op leukemie. Schildklierproblemen (te langzaam of te snel werkend) komen vaak voor bij het syndroom van Down. Problemen met de ogen (bijvoorbeeld staar, bijziendheid, keratoconus) komen vaker voor bij het syndroom van Down. Veel mensen met het syndroom van Down zijn slechthorend. Atlanto-axiale instabiliteit (instabiliteit van de eerste twee nekwervels) veroorzaakt een risico bij intuberen tijdens operaties. Onderontwikkeling van de heupkop en de heupkom (heupdysplasie) komen ook voor. Coeliakie, een glutenovergevoeligheid in de darm waardoor er stoornissen kunnen ontstaan in de opname van bepaalde voedingsstoffen, komt regelmatig voor bij lijders aan het syndroom. Daarnaast komt ook frequent obstipatie voor. Osteoporose komt bij het syndroom van Down vaker voor, en op jongere leeftijd. Op latere leeftijd (boven de 50, 60 jaar) zien we meestal dementie ontstaan, dikwijls van het Alzheimer-type. Deze vorm van dementie geeft bij patiënten met het syndroom van Down heel specifieke afwijkingen op het EEG (hersenfilmpje) en is daarmee op te sporen. Ook kan epilepsie ontstaan, vaak op oudere leeftijd bij mensen die ook lijden aan de ziekte van Alzheimer. Mensen met het syndroom van Down zijn gevoeliger voor de effecten en de bijwerkingen van anti-epileptica.
Ethische problemen De Franse arts Jérôme Lejeune (1926-1994), die zijn medisch onderzoek verrichtte in de hoop dat het in de toekomst mogelijk zou worden om mensen met een chromosomale afwijking te genezen en voor het eerst kon aantonen dat het syndroom van Down door een chromosomale afwijking werd veroorzaakt, was later verbitterd over het feit dat zijn onderzoeksresultaten worden gebruikt om chromosomale afwijkingen voor de geboorte op te sporen en zwangerschappen vervolgens af te breken.