thumb|Charles Carton, stichter en eerste voorzitter (1839-1863) van het Genootschap voor Geschiedenis. (Bisschoppelijk Archief, Brugge). thumb|Toegangsbewijs tot de allereerste jaarvergadering van het Genootschap voor Geschiedenis, gehouden in het stadhuis van Brugge op 16 september 1839. thumb|Ferdinand Van de Putte, medestichter van het Genootschap voor Geschiedenis. Foto door Auguste Debedts. (Bisschoppelijk Archief, Brugge). Het Koninklijk Genootschap voor Geschiedenis te Brugge is het oudste nog actieve geschiedkundig genootschap in België.

Stichting De oprichting van het Genootschap voor Geschiedenis te Brugge werd op 1 september 1838 beslist en op 16 januari 1839 werden de statuten goedgekeurd van de vereniging, waaraan de naam werd gegeven van 'Société d'Emulation pour l'histoire et les antiquités de la Flandre Occidentale'.

De initiatiefnemer hiertoe was de 'duivel-doet-al'-kanunnik Charles Carton. Hij was hiertoe aangezet door Sylvain Van de Weyer, voormalig minister en op dat ogenblik ambassadeur van België in Groot-Brittannië, die voorbeelden van gelijkaardige 'learned societies' in Engeland had leren kennen. Carton had hem in september 1837 ontmoet tijdens de reis die hij naar Groot-Brittannië ondernam, om er de onderwijsmethodes gebruikt bij doofstommen en blinden te bestuderen. De basis voor de vereniging was al gelegd door het informeel bijeenkomen vanaf ongeveer 1836 van een kransje in geschiedenis geïnteresseerde bewoners van Brugge: drie priesters (Charles Carton, Joseph-Olivier Andries en Ferdinand Van de Putte), edelsmid François De Hondt en apotheker Philippe De Stoop, die als gastheer optrad.

De vereniging stelde zich tot doel geschiedkundige studies te ondernemen en vooral ook bronnen voor de geschiedenis te publiceren. Ze dacht hierbij aan oorkonden en diploma's, aan oude kronieken, gedenkschriften, verzamelingen van wetten, historische studies, enz. Hierbij voegden ze hun vooruitzicht om monumenten en kunstvoorwerpen te beschrijven en biografieën te publiceren van personen die de provincie hadden eer gedaan door hun talenten, activiteiten of diensten.

Voorzitterschap Karel Carton (1839-1863) Voor Carton was de suggestie van Van de Weyer voldoende om de daad bij het woord te voegen. Op 1 september 1838 beslisten de vrienden een 'Société d’Emulation pour l’histoire et les antiquités de la Flandre Occidentale' op te richten. Uitgebreide statuten werden gemaakt en drie leden kregen een functie toegewezen. De Stoop werd penningmeester, Edmond Veys secretaris en Carton 'natuurlijk' voorzitter. Hij zou het tot aan zijn dood in 1863 blijven. De kleine groep besliste ook onmiddellijk de provinciaal archivaris Joseph-Octave Delepierre (1802-1879) en de stadsarchivaris Pierre Bogaerts (1802-1877) uit te nodigen om eveneens als stichtende leden op te treden. Het was immers duidelijk dat men hun welwillende bijstand behoefde om gemakkelijk toegang tot de archiefdepots te krijgen.

Onder het voorzitterschap van Carton nam de uitgeversactiviteit van het Genootschap een hoge vlucht. Al tijdens zijn collegejaren was hij een volgeling van Clio. Het feit dat hij, onmiddellijk na de oprichting van de Société d’Emulation met zoveel afgewerkte studies voor de dag kon komen, bewijst dat hij de belangstelling voor de geschiedenis al voordien cultiveerde en onder meer geleerd had oude handschriften te ontcijferen.

Eerste periode (1839-1842) Uit de verslagen van de bijeenkomsten blijkt de aanvankelijk grote inzet, vooral van Carton. Tijdens de eerste vier jaar kwamen de bestuursleden bijna wekelijks bijeen. Dit betekent méér dan 180 bijeenkomsten, waarop de voorzitter slechts viermaal afwezig bleef. Zo groot was trouwens zijn impact op de vereniging dat men tijdens die zeldzame afwezigheid geen dagorde afhandelde en geen beslissingen nam.

Carton beredderde ongeveer alles voor de vereniging. Hij stelde het plan op voor de publicatie van de jaarlijkse Handelingen of Annales en voor de afzonderlijke uitgaven, hij vormde samen met Delepierre het redactie- en correctiecomité, hij koos het te gebruiken lettertype en karakter, hij verbeterde de drukproeven, hij onderhield de contacten met drukkers en lithografen, hij behandelde de facturen en de briefwisseling, hij hield de boekenvoorraad bij. Na anderhalf jaar stelde hij vast dat de jonge Veys maar een minimale medewerking verleende en ontnam hem het secretariaat. Archivaris Octave Delepierre, actief medewerker vanaf de stichting, nam het secretariaat over en ontlastte Carton van enkele materiële taken. Ook stadsarchivaris Bogaerts was een ontgoocheling: men zag hem zelden op de wekelijkse bijeenkomsten. Carton deed derhalve door het bestuur goedkeuren dat zes maal ongemotiveerde en opeenvolgende afwezigheid gelijk stond met ontslag. Bogaerts werd kort daarna bedankt. Ook priester Andries, die van september 1839 tot juli 1841 in Italië verbleef, werd als ontslagnemend beschouwd.

Bij de verkiezing van twee opvolgers werd Carton door zijn collega’s niet gevolgd. Hij stelde dr. Isaac De Meyer (1786-1861) voor en Delepierre stelde dr. Jacques De Mersseman (1805-1853) voor. De tweede werd verkozen en samen met hem werd … archivaris Bogaerts opnieuw als lid opgenomen. Veys, wellicht misnoegd door zijn degradatie, nam ontslag en Andries werd opnieuw in het bestuur opgenomen. Maar Andries was nog altijd in Italië en Bogaerts kwam zelden opdagen: ze werden dan ook opnieuw ontslagen. Carton achtte het nutteloos nog naar nieuwe bestuursleden te zoeken. In september 1840 werd het comité van acht naar zes leden teruggebracht.

Vanaf de aanvang beperkten de bijeenkomsten zich niet tot de administratieve punten. Op voorstel van Delepierre moest ieder lid om de beurt een voordracht houden. Carton liet zich hierbij opnieuw als de meest actieve gelden. De door hem naar voor gebrachte onderwerpen verwerkte hij dan meestal tot artikels voor de 'Handelingen'. Carton gaf dus aan zijn collega’s het passende voorbeeld van historische ijver. Daarbij zette hij ze telkens weer aan tot grotere activiteit. Zo vroeg hij hun, naast de beurtrol van een wekelijkse voordracht, ook elke week vragen en problemen ter bespreking voor te leggen en verzocht hij ze om wekelijks elk een korte notitie voor te bereiden over een straat of een gebouw, om aldus gaandeweg tot een globale topografie van Brugge te komen. Hij nodigde ze uit om allen mee te werken aan de bibliografie van de publicaties over de geschiedenis van Vlaanderen die hij zich voornam jaarlijks te publiceren. De leden konden kennelijk het ritme van hun voorzitter niet volgen, want van dit alles kwam niet zo veel terecht.

Het genootschap werd in elk geval al direct als een gezaghebbende autoriteit beschouwd. Vooral gouverneur Felix de Mûelenaere en burgemeester Jean-Baptiste Coppieters 't Wallant steunden nadrukkelijk. De algemene vergaderingen mochten op het stadhuis gehouden worden en de gouverneur was er op aanwezig. Het eerste jaar al werd het genootschap door de gouverneur belast met opzoekingen naar de grafsteen van Jacob van Maerlant in Damme en twee jaar daarna met archeologische opgravingen in Harelbeke. Beide opdrachten werden door Carton en Van de Putte vervuld en achteraf uitgebreid gerapporteerd. De provincie verleende toelagen. Voor wat Damme betreft, hield Carton het niet bij de archeologische opzoeking, waarbij hij tot de conclusie was gekomen dat de grafsteen van Maerlant enkele jaren voordien was stuk geslagen. Hij deed een publieke oproep en opende een inschrijving voor het oprichten van een standbeeld van Jacob van Maerlant. Hij stelde zelfs een datum voor de onthulling voorop: september 1841. Het standbeeld zou evenwel nog tot in 1860 op zich laten wachten.

Het hoofddoel van het genootschap was het publiceren van bronnen en historische studies en dit werd met grote ijver aangepakt. Over de periode 1839-1842 verschenen vier afleveringen van de Handelingen en negen afzonderlijke uitgaven: méér dan 2600 pagina’s tekst. De inhoud van de Handelingen werd vooral bepaald door de bijdragen van F. Van de Putte (28), O. Delepierre (27) en Carton (9). Negen andere auteurs zorgden in totaal voor dertien bijdragen. Van die 1500 pagina’s kwam dus meer dan vijfenzeventig procent uit de pen van het productieve trio.

Wat de afzonderlijke uitgaven betreft, deze gaven nog méér dan de Annales uiting van wat Carton in de eerste plaats nastreefde: authentieke bronnen publiceren die moesten toelaten in de toekomst, met een betere kennis gewapend, de geschiedenis op wetenschappelijk verantwoorde wijze te schrijven. Zelf gaf hij de Rerum Flandricarum uit, van de hand van Jacob de Meyer. Van de Putte nam vijf publicaties voor zijn rekening, waaronder de kronieken van de Duinenabdij en van de Abdij van Sint-Andries. Octave Delepierre en de latere bisschop Malou (1809-1864) zorgden ook voor tekstpublicaties.

Jules de Saint-Genois kon in de 'Messager des sciences historiques' dan ook in 1843 schrijven dat Brugge het belangrijkste centrum was geworden in België voor historische uitgaven. Om het belang van Cartons’ pionierswerk te situeren, kan men Albert Schouteet en Egied Strubbe citeren: "Het is niet alleen door het hooggestemde doel en de ruimte van opvatting dat Charles Carton zich onderscheidde; met een waarlijk profetische blik zag hij de bevoorrechte rol die de diplomatische bronnen en vooral de oorkonden in de toekomstige geschiedvorsing zouden vervullen. Op een ogenblik dat de historici nog bijna uitsluitend de verhalende bronnen, en vooral de oude kronieken tot grondslag van hun uiteenzettingen namen, dat zelfs de Koninklijke Commissie voor Geschiedenis zich tot de uitgave van de verhalende bronnen beperkte, moedigde hij de bewerking van het oorkondenmateriaal aan en zorgde ervoor dat reeds het allereerste deel van de afzonderlijke uitgaven een 'codex diplomaticus' met een keus van oorkonden bevatte".

Naar aanleiding van inwendige twisten binnen het genootschap dreigden evenwel de zo schitterend ingezette activiteiten na vier jaar onverdroten arbeid onderbroken te worden. Vanaf midden 1842 verzwakte de verstandhouding tussen de bestuursleden van de Emulation. In mei was dr. De Mersseman uit het bestuur gestapt. In augustus was het de beurt aan F. De Hondt om uit het bestuur te verdwijnen. Voor de jaarlijkse algemene vergadering kwamen, naast de vier overgebleven comitéleden Carton, Delepierre, De Stoop en Van de Putte, slechts drie leden opdagen: de dokters De Meyer en De Mersseman en kanunnik Andries. De drie leden protesteerden tegen de uitsluiting van De Hondt, die ze onrechtmatig vonden. Het bestuur bleef evenwel bij zijn beslissing. Ze stemden ook tegen het voorstel van Carton om het bestuur terug te brengen van 6 op 4 leden, maar de vier comitéleden keurden dit goed.

Nu was er hevige ruzie. Enkele misnoegde leden besloten zelf een algemene vergadering bijeen te roepen. Het werd een grievenbijeenkomst tegen het bestuur en meer bepaald tegen de voorzitter. Men vond dat de algemene vergadering voortaan het bestuur en de voorzitter moest aanstellen. Het was duidelijk dat men voor het voorzitterschap niet aan Carton dacht. Tegen de algemene vergadering optornen bleek moeilijk, ook al vond men dat ze onwettig was samengeroepen en ongepaste beslissingen had genomen. Het bestuur besloot dan ook op 10 oktober 1842 collectief ontslag te nemen en de vereniging zonder meer te ontbinden. Men zou met een batig saldo eindigen, nadat de boekenvoorraad aan de drukker werd verkocht. Meteen beslisten de bestuursleden een nieuwe vereniging op te richten die als naam zou dragen 'Société d’Emulation pour l’étude de l’histoire et des antiquités de la Flandre'. En onmiddellijk werd een omzendbrief rondgestuurd om leden te werven voor het nieuwe genootschap.