Het arrest Losser/Kruidhof (HR 28 mei 1999, NJ 1999/564), ook wel Theeongeval-arrest genoemd, is een arrest van de Nederlandse Hoge Raad dat richtinggevend is geweest voor de wijze van bepaling van vermogensschade, wanneer een kind met letselschade door de ouders wordt bezocht en verzorgd.

Casus Op 17 mei 1990 heeft een elfjarige leerlinge van een openbare school te Losser koffie- en theedienst. Wanneer zij iets wil pakken uit het boven het gasfornuis gelegen kastje, vat haar T-shirt vlam. Tot overmaat van ramp is de waterleiding net afgesloten wegens werkzaamheden elders en wordt het vuur pas later gedoofd door een leerkracht. Het meisje heeft brandwonden over 23% van haar lichaam, blijvende littekens en ze moet lang verzorgd worden, onder andere in het Brandwondencentrum in Beverwijk, maar ook gedurende lange tijd thuis.

Rechtsvraag Het arrest richtte zich op een specifiek onderdeel van de schadevergoeding waar de ouders om gevraagd hadden. Zij vroegen een vergoeding voor de werk- en vakantiedagen die zij hadden opgeofferd voor enerzijds de ziekenhuisbezoeken en anderzijds de verpleging thuis.

Hoge Raad De Hoge Raad oordeelde dat op grond van artikel 6:107 BW het kind aanspraak kon maken op vermogensschade wegens de verzorging thuis. Het staat de rechter in dit geval vrij te abstraheren van de concrete zaak en langs abstracte schadebepaling de kosten voor thuisverpleging te begroten op het bedrag dat dit gekost zou hebben indien de thuisverpleging door professionele hulp verleend was:

De Hoge Raad verwierp de aanspraak op schadevergoeding wegens het verlies van vakantiedagen als gevolg van ziekenhuisbezoek. Hiervoor voerde hij als grond aan dat de vermogensschade niet als vermogensschade van het kind was aan te merken, omdat het niet door professionele hulp gedaan of vervangen had kunnen worden:

Losser/Kruidhof