De tempel dankt deze naam aan het feit dat het ten oosten van het Heijo-paleis lag. is een boeddhistisch tempelcomplex in de Japanse stad Nara, waarvan de bouw te situeren valt in de 8e eeuw na Christus. Het complex bevat het grootste houten gebouw ter wereld; de hal van de Grote Boeddha (大仏殿 Daibutsuden),JNTO Website | Find a Location | Nara | Nara-koen Park (Todai-ji Temple), Japan National Tourist Organization, geraadpleegd op 5 februari 2009 Dit gebouw bevat op zijn beurt het grootste bronzen Boeddhabeeld van Japan en het grootste ter wereld van de Boeddha Vairocana. Het tempelcomplex is tevens het Japanse hoofdkwartier van de Kegonschool voor Boeddhisme. De tempel behoort samen met zeven andere gebouwen tot de historische monumenten van oud-Nara, die op de werelderfgoedlijst van UNESCO staan.
Geschiedenis De Tōdaiji kent een rijke geschiedenis, die een tijdspanne van meer dan 1200 jaar omvat. Hij werd in de 8ste eeuw gebouwd, maar viel ten prooi aan meerdere brandstichtingen en werd dus meerdere malen herbouwd. 395px|thumb|left|Maquette van de oorspronkelijke Tōdaiji De eerste brandstichting vond plaats in 1180, een datum die samenvalt met het begin van de Genpei-oorlogen (源平合戦, genpei kassen, ook gekend als 治承・寿永の乱, jishōjuei no ran, 1180-1185). De oorlog tussen de Minamoto en de Taira spaarde de tempels niet. De monniken van de Tōdaiji hadden de kant van de Minamoto gekozen en werden daarom gestraft door de Taira. Na de slag te Uji beval Taira no Shigehira (平重衡, 1158–1185) de tempel plat te branden. Hij is ook verantwoordelijk voor de moord op vele monniken van de Tōdaiji. Vier jaar later werd hij gearresteerd en uitgeleverd aan de monniken die het overleefd hadden. In 1185 lieten ze hem onthoofden. Uit dank voor de trouw die hen betoond was, bouwden de Minamoto de tempel onmiddellijk na hun overwinning over de Taira opnieuw op. De twee pagodes die de Daibutsuden (het hoofdgebouw van de Tōdaiji) flankeerden, werden echter nooit herbouwd.
Verdere brandstichtingen volgden in de 16de eeuw: in 1508 brandde de hal waar toespraken worden gehouden af en in 1567 ging het complex in vlammen op tijdens de toenmalige burgeroorlog. De kwaliteit van de herstellingen liet te wensen over en het duurde tot 1691 voor de Daibutsu (het beeld van Vairocana) hersteld werd. Op het einde van de 17de en in het begin van de 18de eeuw werden ook de Daibutsuden en enkele secundaire gebouwen gerestaureerd. Hierin speelde de monnik Kōkei (公慶, 1648-1705) een grote rol. Hij maakte echter de voltooiing in 1709 niet meer mee aangezien hij vier jaar daarvoor overleed. De pagodes en de toespraken-hal werden door een tekort aan sponsoring en materialen nooit heropgebouwd.
Onder het gewicht van het dak.Het dak van de Tōdaiji weegt 1300 ton. dreigde in de 19de eeuw het gebouw in te storten. Tussen 1903 en 1911 werden grootschalige werken ondernomen. Het hout voor extra draagbalken werd helemaal vanuit Engeland geïmporteerd.
In 1998 nam UNESCO de Tōdaiji op in de werelderfgoed-lijst, als onderdeel van de ‘Historische Monumenten van oud-Nara’.
Bouw Van 735 tot 737 woedde er een pokkenepidemie in Japan. Keizer Shōmu (聖武天皇, Shōmu-tennō, 701-756, reg. 724-749) reageerde met een verlaging van de belastingen. Daardoor hoefden de mensen minder rijst verbouwen voor de keizer, en konden ze beter zorgen voor hun eigen gezondheid. De keizer ondernam ook een poging om de door hem zo genoemde "goden" gunstig te stemmen door een tempel te bouwen in Nara, met daarin een beeld van de Grote Boeddha Vairocana -- die vanuit rein-boeddhistisch gezichtspunt geen god is in de religieuze betekenis van het woord. Het gebouw is de Tōdaiji. Ten behoeve van deze bouw richtte de keizer een bureau op, de Zōtōdaijishi (Departement voor de Bouw van de Tōdaiji). Werkers werden gerekruteerd uit dienstplichtigen, loonarbeiders, slavenIn 769 bezat de Tōdaiji 311 slaven, voornamelijk afkomstig uit schenkingen van het keizerlijke hof. en lijfeigenen. thumb|De Nandaimon De Tōdaiji kreeg een terrein toegewezen dat even groot was als dat van het keizerlijk paleis: 800 bij 900 meter. Net zoals in China, staan de gebouwen van het Tōdaiji-complex op een noord-zuid-as. Oorspronkelijk (in de 8ste eeuw) waren er talrijke secundaire gebouwen en poorten. Buiten de Daibutsuden zijn ook de Shōsōin, de TegaimonDe noordwestelijke toegangspoort van de Tōdaiji. en de SangatsudōLetterlijk 'Maart Hal', mogelijks oorspronkelijk het hoofdgebouw van de Kinshōji. bewaard gebleven. Van de originele architectuur van de Tōdaiji zijn geen bouwtekeningen of beschrijvingen teruggevonden. Vermoedelijk was de stijl gelijkaardig aan die van de NandaimonDe Zuidelijke Grote Poort, onderdeel van het Tōdaiji-complex. die in 1199 naar zuid-oost Chinese stijl gebouwd werd. Door de vele branden en restauraties is de bouwstijl van de huidige Tōdaiji eclectisch.
Daibutsu thumb|left|Daibutsu De Daibutsu (大仏 of 大佛, 'Grote Boeddha' - Vairocana) in het centrum van het Tōdaiji-complex is het meest indrukwekkende boeddhabeeld van geheel Japan. Hij is 16,2 hoog en weegt 500 ton. Het gieten van deze bronzen Grote Boeddha vereiste 380 ton koper en tinHiermee was bijna de gehele voorraad brons van Japan opgebruikt, wat leidde tot grote economische problemen.. De Daibutsu werd gedeeltelijk gefinancierd door de keizer, maar de kostprijs was zo hoog dat er belastingen voor werden geheven. De monnik Gyōgi (行基, 668–749) stond in voor de inzameling van het geld.
De Daibutsu in de Tōdaiji is een voorstelling van de boeddha Vairocana (毘廬遮那仏, birushanabutsu), de centrale boeddha in de Kegon-schoolDe Kegon-school is gebaseerd op de huayan-leer uit China., een afgeleide van de chinese Huayen-traditie. Binnen de japans-esoterische stromingen is dit de Boeddha van het Universele Zonlicht: hij beschijnt het universum met zijn hemelse licht en is aanwezig in alles. Buiten deze japans-esoterische richtingen verbeeldt hij echter het al-aanwezige boeddhaschap als zodanig. De Tōdaiji-boeddha zou geïnspireerd zijn op het grote boeddhabeeld uit de Chinese rotstempel in de Longmen-grot . Het verval van de Longmen-tempel trad echter al snel in en deze tempel verloor zijn religieuze macht, terwijl die van de Tōdaiji nog altijd stevig verankerd is.
De geschiedenis van de Daibutsu valt terug te voeren tot in het jaar 743, toen keizer Shōmu het Boeddhabeeld liet gieten. Hij trad hiermee in de voetsporen van de Chinese keizerin Wu Zetian (reg. 684-705), die een monnik uit de Huayan-school-stroming uitnodigde haar te onderwijzen in het boeddhisme.
Aanvankelijk werd de Daibutsu gegoten in Shigaraki no Miya, een stadje in de Shiga prefectuur, bekend vanwege het daar vervaardigde aardewerk. De Koreaan Kuninaka no Kimimaro (国中公麻呂, †774) voerde de leiding over de constructie van de Daibutsu en het bouwwerk eromheen, de Daibutsuden. In 745 werd de constructie verplaatst naar het voorportaal van de Kinshōji te Nara. Na acht pogingen werd in 749 het gieten voltooid. Het vergulden liet op zich wachten tot 771. Bij de voltooiing hield de keizer een ceremonie voor het openen van de ogen, een gebruikelijk gebeuren bij het installeren van een nieuw boeddhabeeld, hoewel er standaard senior-monniken aan te pas om dit ritueel te volvoeren.
Ook het ontwerp van de Daibutsu staat op naam van Kimimaro. De rechterhand van de Daibutsu staat in de semuiin-positie, met de vingers gestrekt en de handpalm naar voren wordt hij ter hoogte van de borst gehouden. Deze mudra betekent 'vrees niet'. De linkerhand staat in de yoganin-positie, liggend op de linkerknie, met de handpalm naar boven gericht. Deze mudra staat symbool voor bescherming, althans in deze japanse stroming.
De Daibutsu staat op een sokkel in de vorm van een lotusbloem. De bloem telt 56 bloemblaadjes die in twee rijen geschikt zijn, waardoor de voorste bladeren de achterste gedeeltelijk verbergen. Het zijn die achterste die nog delen van het originele voetstuk uit de 8ste eeuw bevatten. In de bloemblaadjes is een secundaire lotusbloem met acht bloemblaadjes gegraveerd. In elk van die acht bloemblaadjes is de boeddhistische kosmos weergegeven, met in het centrum de Sumeru-berg, centrum van die verbeeldde kosmos. Boven deze secundaire lotusbloem is een afbeelding van Vairocana Boeddha gegraveerd, aan beide zijden geflankeerd door 11 bodhisattva's. In deze sokkel wordt de hoofdgedachte van de Kegon-leer weergegeven: niets bestaat onafhankelijk van andere dingen, alles staat in onderling verband.
De laatste werkzaamheden, na een zoveelste brand, werden voltooid in 1692.
Daibutsuden De Daibutsuden is de Gouden Hal van de Tōdaiji. De constructie van de Daibutsuden begon in 747 en werd voltooid in 751; de werkzaamheden duurden 4 jaar. Zoals de naam al doet vermoeden, biedt de Daibutsuden onderdak aan de Daibutsu. De Daibutsu bereikte samen met het voetstuk een hoogte van ruim 16 meter en vereiste een tempel van immense afmetingen. Met een breedte van 88 meter, een diepte van 51,5 meter en een hoogte van 48,5 meter is de Daibutsuden het grootste houten gebouw ter wereld. Het oorspronkelijke gebouw was nog groterHet huidige gebouw is nog 2/3 van het oorspronkelijke., maar uit economische noodzaak, en gedurende verschillende restauraties verkleinde de schaal telkens een beetje.
Kunst De twee bloeiperiodes van beeldhouwkunst in de Tōdaiji situeren zich rond de eerste oogopeningsceremonie (752) in de Nara-periode (710-784), en in het begin van de Kamakura-periode (1192-1333). Uit de Heian-periode (794-1185) zijn slechts enkele sculpturen bewaard gebleven.
De Zōtōdaijishi stond niet alleen in voor de bouw van de Tōdaiji maar ook voor de restauratie en het onderhoud van de gebouwen en standbeelden. Daarnaast liet het kantoor enkele tempelhallen bouwen en sculpturen maken. De Zōtōdaijishi richtte een speciaal subkantoor op voor de herstellingswerken aan de Daibutsu.
De sculpturen uit de Nara-periode die in de Tōdaiji te vinden zijn, geven blijk van een grote chinese invloed. Een van de weinige overgebleven standbeelden uit het begin van de Heian-periode is dat van de boeddha Maitreya. Toen zich in Kyōto in de 10de en 11de eeuw een nieuwe kunststijl ontwikkelde, bleven de kunstenaars uit Nara zich aan de Chinese voorbeelden vastklampen. Pas in de late Heian-periode bereikte de nieuwe stroming Nara. De standbeelden van de Twaalf Hemelse Generaals zijn er een voorbeeld van.
Tussen 1180 en 1220 won de Tōdaiji op sculpturaal vlak opnieuw aan belang. Na de brandstichting van 1180 moest de Tōdaiji net als de Kōfukuji herbouwd worden. De tempel was ook het merendeel van zijn sculpturen verloren aan de vlammen. De monnik Chōgen werd met de heropbouw en restauratie van de Tōdaiji belast. Met het geld dat hij kreeg van beschermheren liet hij de topkunstenaars van die tijd religieuze standbeelden maken. Door de restauratie verwierf de Kei-school hoge faamDe Kei-school werd naar zijn oprichter Kōkei (康慶, actief tussen 1175 en 1200, geboorte en sterfdatum ongekend) genoemd..
Hachiman 150px|thumb|Hachiman Een van de belangrijkste leden van de Kei-school, Kaikei (快慶), kreeg omwille van zijn connecties met Chōgen tal van grote opdrachten, onder andere het maken van een Hachiman-standbeeld. Hachiman wordt in de japanse archipel sinds 749 gezien als de beschermer van de TōdaijiIn de Nara-periode werden vaak shintoïstische 'goden' (kami) aangeduid als beschermers van boeddhistische tempels.Velen maakten misbruik van het hoge aanzien van de Hachiman in de Tōdaiji. Zo fabriceerde de monnik Dōkyō (700-772, 道鏡) een orakel: de kami Hachiman had hem opgedragen de nieuwe keizer van Japan te worden. Wake no Kiyomaro (733-799, 和気清麻呂) kon deze troonsbestijging echter voorkomen door op zijn beurt een visioen te fabriceren. Na deze verwikkelingen werd Hachiman geacht de legitimiteit van het keizershuis te bewaken..