Jacob Jansz. Quaeckernaeck, ook Quackernaeck of Kwakernaak (Rotterdam, ca. 1555 - Malakka, 22 oktober 1606) was een Nederlands zeevaarder en kapitein van De Liefde, een schip dat naar Japan voer in 1600. Quaeckernaeck werd in Japan vastgehouden tot hij in 1605 mocht vertrekken met een schip van de daimyo van Hirado, samen met nog een ander bemanningslid van De Liefde, Melchior van Santvoort. Voor de kust van Malakka voegde hij zich bij de vloot van Cornelis Matelieff de Jonge die daar tegen een Portugese armada vocht. Hij sneuvelde daarbij op 22 oktober 1606. miniatuur|Kaart van Azië van ca. 1600, inclusief Japan. Quaeckernaeck was getrouwd met Maritgen Cornelisdochter, een zus van Cornelis Matelieff de Oude, zodat hij een oom was van de admiraal Cornelis Matelieff de Jonge. Quaeckernaeck had één dochter, Geertgen, rond 1580 geboren.

De Magelhaensche Compagnie Op 27 juni 1598 vertrok de expeditie van de Magelhaensche Compagnie uit Rotterdam. Het doel van de reis werd door Emanuel van Meteren beschreven: 'Dese namen haer reyse op Brasilien toe, om soo door de strate van Magellan te varen, volghende de Custen van Chili ende Peru, na de Philippinas, ende soo na China ofte Japan te varen, ende soo haren handel gedaen hebbende lancx Capo de bone Esperance, des Werelts Cloot omseylende, weder thuys te keeren'. De reders hoopten hiermee de reis van Francis Drake van 1577 te emuleren, inclusief de strijd tegen de Spanjaarden, waarbij gehoopt werd op samenwerking met de inheemse bevolking, de Araucanen (Mapuche). Hiertoe waren veel soldaten aan boord. Het handelsplan was om de meegebrachte koopwaren in Zuid-Amerika en Japan te ruilen voor zilver en daarmee in de Molukken specerijen te kopen. De route via de gevaarlijke en zelden bevaren Straat Magellaan in plaats van rond de Kaap de Goede Hoop was voor het merendeel van de bemanning geheim gehouden. Een van de Engelse stuurlieden, Timothy Shatton op de Hoop, was daar met Thomas Cavendish doorheen gevaren. miniatuur|De Japanse handelspas met het rode zegel. Jacques Mahu was admiraal, Simon de Cordes viceadmiraal. Beiden waren kooplieden en ook aandeelhouders in de onderneming. De vloot vertrok op 27 juni 1598 uit Rotterdam. Het admiraalschip was de Hoop, een schip van 500 ton, met in het ruim een pinasje in vier stukken, de Postillon, dat in Straat Magellaan in elkaar gezet zou worden. Het viceadmiraalschip was de Liefde, 300 ton, met Quaeckernaeck als schipper. Ook Melchior van Santvoort en Jan Joosten van Lodensteyn voeren op dit schip. Schout-bij-nachtHet schip dat 's nachts vooraan de vloot voer met aan de achtersteven een lamp. was het Geloof. De Trouw en de Blijde Boodschap waren kleinere schepen van respectievelijk 220 en 150 ton.

Naar het zuiden miniatuur|De jacht op pinguïns. Varend langs de Afrikaanse kust waren er veel sterfgevallen op de vloot, aan scheurbuik, malaria, dysenterie en andere ziektes. Jacques Mahu stierf al eind september, aan een 'heete rasende kortse', en werd opgevolgd door De Cordes, die overstapte van de Liefde op de Hoop. Gerrit van Beuningen werd toen viceadmiraal op de Liefde. Het bleek erg moeilijk om aan levensmiddelen te komen, door het gebrek aan havens en vruchtbaar land aan de kust, zodat ook honger zijn tol eiste. Onder andere Kaapverdië en Annobón voor de kust van West-Afrika werden aangedaan, maar de Portugezen daar wilden hen geen voedsel verkopen. Ook militaire acties tegen hen leverden niet veel proviand op. In de buurt van de evenaar werden de zieken een poos aan land gebracht om te herstellen, maar 16 moesten er begraven worden. Sebald de Weert, kapiteinAlle schepen hadden naast een schipper ook een kapitein aan boord die het opperbevel had. op de Geloof, bracht een bezoek aan een Afrikaanse koning. Deze was 'opt sierlijckste toeghemaeckt, hadde daer toe zijn zwart aenghesight met asschen gewit'. De Weert trakteerde de koning op een maaltijd met scheepsvoedsel, waarbij Spaanse wijn werd geschonken 'die den Koningh zeer wel smaeckte, soo dat hy daer van zoo veel in nam, dat hy vertrecken moste om wat te slapen'. Na het oversteken van de Atlantische Oceaan arriveerde de vloot pas op 6 april 1599 bij Straat Magellaan. Hier konden de manschappen honderden pinguïns vangen.

Straat Magellaan miniatuur|Zuid-Amerika. Kaart van Arnold van Langren uit 1596. Het gunstige jaargetijde was echter voorbij dus het koste grote moeite om door de Straat heen te komen. Wel kon de stuurman van de Geloof, Jan Outhgersz., de kustlijnen en -profielen goed in kaart brengen voor toekomstige schepen. Ongeveer halverwege werd men in een baai lang opgehouden door harde tegenwind, hagel, sneeuw, regen en mist. De kleding van het scheepsvolk was er niet op berekend, terwijl ze hard moesten werken, 'door welcken ghedurighen arbeydt, koude, vochtigheydt ende vuyligheydt ’t volck seer afghesloft werdt'. Ook tijdens deze doortocht vielen meer dan honderd doden te betreuren, waaronder de kapitein van de Trouw, Jurriaen van Bockholt. Hij werd opgevolgd door de jeugdige Balthasar de Cordes, een neef van Simon. Eind augustus slaagde men er in een volgende baai te bereiken, die men de Ridderbaai noemde. Er werd namelijk een 'Broederschap vanden ontbonden Leeu' met 'Ridderlijcke Ceremonien' opgericht.Zij beloofden daarbij onder ede: 'dat zy hun door geen perijckelen, noodt, noch oock door de vreese des doodts en souden laten beweghen om yets t’onderstaen, dwelck teghens hunne eere, tot nadeel van den welstandt haers vaderlandts ende de begonne reyse soude moghen strecken'. Aan de wal plaatste men een gedenkteken met de namen van de gezagvoerders: Simon en Balthasar de Cordes, Gerrit van Beuningen, Sebald de Weert, Dirck Gerritsz. Pomp en Gilles Jansz., schipper van de Postillon. Nog bij het wegvaren zag men hoe Patagoniërs vanuit de heuvels kwamen aanrennen en het vernielden. De Vuurlanders waren volgens de chirurgijn van de Geloof Barent Jansz. Potgieter in zijn in 1600 gepubliceerde Wijdtloopigh Verhael 'soo veel men konde mercken, 10 ofte 11 voet langh', in overeenstemming met de mythische Patagonische reuzen. miniatuur|Vuurlanders en de vijf schepen van de vloot. Alle schepen raakten bij het verlaten van Straat Magellaan van elkaar gescheiden. In eerste instantie geraakten alleen de Hoop (met zijn pinas Postillon) en de Liefde aan de andere kant. De andere drie schepen werden teruggeworpen door de wind en de stroming.Sebald de Weert besloot met de Geloof terug te keren naar Rotterdam. De Blijde Boodschap raakte wel uit de Straat Magellaan maar Dirk China en zijn uitgehongerde bemanning gaven zich verderop aan de Chileense kust over aan de Spanjaarden. De Trouw voer de Grote Oceaan over naar de Molukken, waar Balthasar de Cordes en het merendeel van de bemanning werden vermoord door de Portugezen. De Geloof was daarmee het enige schip dat terugkeerde, en zonder opbrengst. Voor de Magelhaensche Compagnie was dat rampzalig. De oprichter Pieter van der Hagen ging er aan failliet, de andere oprichter, Johan van der Veeken, kon zijn schulden betalen, maar schreef aan de Staten van Holland dat daarmee wat hem betreft 'dese quade ongeluckige reyse maer vergeten en uit den sin worde gestelt'. Op dat moment waren al zo'n 200 van de oorspronkelijk 500 opvarenden dood. De Hoop en de Liefde verloren vervolgens hun beste overgebleven bemanningsleden in pogingen aan land te komen. De Hoop kwam in november aan bij het eiland La Mocha, waar Simon de Cordes met 26 man aan land ging. Allen werden vermoord door de inheemse bewoners, wellicht omdat zij dachten dat ze Spanjaarden waren. Zijn zoon, de twintigjarige Simon de Cordes junior, nam het bevel op de Hoop over. De Liefde overkwam hetzelfde. Ook Gerrit van Beuningen ging aan land, waarschijnlijk bij Punta Valapié op het vasteland van Chili, en werd op 10 november met zijn 22 metgezellen vermoord door de bewoners. Jacob Quaeckernaeck werd toen naast schipper ook kapitein van de Liefde.

De Liefde miniatuur|Kaart van Jodocus Hondius van de Straat Magellaan, met het zuiden boven. Aan een kant van de Straat de Hoop, Geloof, Liefde, Trouw, Blijde Boodschap en Postillon. Aan de andere kant de Blijde Boodschap, die terug ging. Beide schepen vonden elkaar terug op het eiland Santa Maria (zoals in Rotterdam was afgesproken voor het geval de vloot uiteen mocht raken). De Cordes junior werd toen admiraal en Quaeckernaeck viceadmiraal. Verder langs de kust varend opperden de stuurlieden, William Adams en Timothy Shatton, om de aanzienlijk geslonken bemanning op één schip samen te brengen en het andere te verbranden, maar noch De Cordes noch Quaeckernaeck wilde zijn schip opofferen. Besloten werd de 60 overgebleven zeelieden gelijkelijk te verdelen over de twee schepen en op zoek te gaan naar Japan. Eerst werd nog contact gemaakt met de Spanjaarden, van wie ze levensmiddelen loskregen door te doen alsof ze trouwe onderdanen van de koning van Spanje waren en hun schepen in dienst van de Spaanse gouverneur van Chili wilden stellen. Op 27 november vertrokken de schepen van Santa Maria. Ze raakten op 24 februari 1600 in een zware storm uiteen. De Hoop verdween daarna spoorloos op de Grote Oceaan. De Postillon ging ervandoor. Volgens een latere brief van Adams deserteerde het naar een groep onbekende eilanden, waar hij vreesde dat de 8 bemanningsleden zouden worden opgegeten door kannibalen.Er is wel gesuggereerd dat het om Hawaï ging. De Britse missionaris William Ellis hoorde daar in 1822 van de inheemse bewoners een volksverhaal over zeven in wit of geel geklede vreemdelingen die in een geverfde boot in de baai van Kealakekua waren verschenen. Ze waren daarna met Hawaïaanse vrouwen getrouwd en hadden hoge posities verworven in de samenleving. Zij zouden dan met hun aankomst in Hawaï James Cook 179 jaar voor geweest zijn. - Henry B. Restarick (1927), Historic Kealakekua Bay in Papers of the Hawaiian Historical Society, nr. 15, blz. 5. De Liefde kwam na bijna vijf maanden op de oceaan op 19 april met een zeer verzwakte bemanning op de noordoostkust van het eiland Kyushu in Japan aan. Ook Quackernaeck verkeerde op het randje van de dood. Slechts Adams en vijf of zes matrozen konden nog op hun benen staan. Drie mannen stierven na aankomst alsnog. Een kleine twintig (van de oorspronkelijke 110 die Rotterdam verlieten) overleefden en konden herstellen.De bij naam bekende overlevenden waren Jacob Quaeckernaeck, William Adams, Melchior van Santvoort, Jan Joosten van Lodensteyn, Jan Cousynsen, Gisbert de Coning, Jan Abelsz., Jan Gerritsz. Tol, Jan Jacobsz. Roos, Pieter Jansz., Pieter Adriaensz. Blanckert, Michiel Physz., Thomas Cornelisz., Jacob Swager, Jan Cornelisz., en drie mannen zonder achternaam, Albartus, Jacob en Willem. De Coning en Abelsz. liepen over naar de Portugezen.

De Shogun miniatuur|370x370px|De Slag bij Sekigahara.