Een converso was een jood die in Spanje of Portugal, veelal gedwongen, bekeerd was tot het katholicisme. De joden zelf spreken van anusim, gedwongenen. De oorsprong van het begrip ligt in de 14e-15e eeuw, maar strekt zich - bij uitbreiding - uit tot de geschiedenis van de 20e eeuw.

Deze bekering tot het katholicisme vond vaak plaats onder bedreiging, politieke druk en door discriminatie. Ze werden met de beledigende term marranos (maranen) aangeduid: het woord marrano betekent in het Spaans viezerik of varken. Tegenwoordig wordt het woord in Spaanstalige landen nog steeds in deze betekenis gebruikt. Al in 1380 onder Johan I van Castilië werd het gebruik van dit soort woorden om joden aan te duiden verboden. Het woord wordt door joden als zeer kwetsend ervaren, omdat voor hen het varken een onrein dier is.

In de Spaanse Nederlanden werd ook het scheldwoord spekjood gebruikt, om aan te geven dat de joden hun omgeving trachten te misleiden door in het openbaar varkensvlees te eten .

Spanje thumb|Synagoge in Toledo, Spanje

Wat voorafging De joodse bevolking was al vanaf de 2e eeuw na Chr. op het Iberisch Schiereiland prominent aanwezig. Er hebben verschillende factoren meegespeeld waardoor de aversie tegen de Joodse bevolking - nochtans zeer algemeen verspreid in de hele middeleeuwse christelijke wereld - culmineerde in Spanje:

De Visigoten begonnen in de 7e eeuw na Chr. met een erosie van de joodse rechten. Ze mochten geen land bezitten. vooral toen koning Reccared I zich bekeerde tot het katholieke geloof in 587. In 616 (onder koning Sisebut) werden de joden gedwongen te kiezen tussen doop of ballingschap. Volgens de katholieke autoriteiten bekeerden zich 90 000 joden tot het katholicisme Het Iberisch Schiereiland kende een Moorse bevolking vanaf 711 tot in 1492. Er begon een bloeitijd voor de Spaanse Joodse bevolking. Eeuwenlang leefden moren, joden en christenen lange perioden vreedzaam naast elkaar, de convivencia. De Spaanse Joodse bevolking was omvangrijker dan elders in Europa. Schattingen geven aan dat tot 10% van de Spaanse bevolking Joods was (ca. 200 000), in tegenstelling tot bv. 5000 joden in England in 1290 (toen dat land als eerste al zijn Joodse inwoners verdreef). In de nasleep van de kruistochten, was heel Europa overspoeld door Jodenhaat, vermomd als christelijke vroomheid.: jaloezie: de middenstand en (lagere) adel konden de vooraanstaande positie van de joden maar matig waarderen. Hun groeiend maatschappelijk belang werd met steeds meer wantrouwen bekeken. de Vaticaanse geloofsijver: haar gelovigen moesten beschermd worden tegen de vermeende kwade invloeden van de joden, die godsmoordenaars werden genoemd. Het derde Lateraans concilie (1179) bepaalde dat de joden apart moesten gaan wonen van de katholieken Het vierde Lateraans concilie (1215) besloot dat joden zich aan een aantal regels moesten houden, zoals herkenbaarheid als jood, verbod om openbare ambten te bekleden In 1256 vinden we antisemitische wetten terug in het 7° deel van Las Siete Partidas, een codificatie van het middeleeuwse recht, onder Alfonso X van Castilië. In 1348 kregen ze kracht van wet onder koning Hendrik II van Castilië. Er werd bevolen weliswaar de joodse godsdienst met rust te laten, maar de joden zelf werden aan zeer strenge regels onderworpen; alle mogelijke interacties tussen joden en katholieken werden zwaar bestraft. Toen de Zwarte Dood als vermeende gesel Gods in het midden van de 14e eeuw ongeveer een derde van de (West)-Europese bevolking had gedood, was de schrik en de angst groot. Het gerucht verspreidde zich dat de pest kwam doordat bronnen door de joden zijn vergiftigd. Een aantal voorafgaande incidenten kondigden de grote antisemitische pogroms van 1391 aan:

Op het concilie van Vienne (1311-1312) werd de tolerantie tegenover de joden en muzelmannen in Spanje streng veroordeeld. Peter de Wrede was tolerant t.o.v. de joden, maar zijn halfbroer Hendrik van Trastamara bestreed ze hevig, tijdens hun strijd om de macht. Bij de bevrijdingsactie van Blanche van Bourbon in Toledo in 1355, liet Hendrik er een kleiner joods getto plunderen, en deed een poging om de grote joodse buurt te plunderen, maar Peter verhinderde dit. Bij de invasie van Castilië in 1360 door Hendrik van Trastamara (gesteund door Peter IV van Aragon) tegen zijn eigen halfbroer Peter de Wrede, liet hij bij het naderen van Najara een plundering van de joodse wijk toe. In 1366 plunderden Bertrand du Guesclin (de bondgenoot van Hendrik van Trastamara) en zijn huurlingen de joodse getto's. Sommige wijken slaagden erin zich vrij te kopen, maar velen konden het losgeld niet betalen en werden afgeslacht. Velen namen de vlucht naar Parijs. In 1369 verloren de joden Peter de Wrede, hun beschermheer, toen die vermoord werd door Hendrik van Trastamara op het einde van de Castiliaanse Burgeroorlog. Hendrik was nu de onbetwistbare leider van Castilië.

Antisemitische pogroms (1391) Na een periode van relatieve rust tijdens de eerste eeuwen van de Reconquista, vonden er een reeks anti-Joodse pogroms plaats in 1391.

Door de plotse dood van Johan I van Castilië in oktober 1390 - op het ogenblik dat zijn zoon Hendrik III elf jaar was - werd Ferrand Martínez (aartsbisschop van Écija en fanatiek Jodenhater) een belangrijke machtsfactor in Castilië. Reeds vele jaren pleitte hij van de kansel voor uitzetting van de joden en de afbraak van de 23 synagogen in Sevilla.

De plunderingen, moorden en vernielingen begonnen op 4 juni 1391 in Sevilla, op 20 juni werden de joden van Toledo gelyncht, op 6 juli was Valencia aan de beurt en een maand later Barcelona. Het geweld sloeg tevens over naar de Balearen (met hun grote en langdurige joodse aanwezigheid). Tot in de herfst van 1391 teisterde deze volkswoede het Iberisch schiereiland. Het lakse optreden van o.m. de Castiliaanse overheid wees op een zeker gedoogbeleid t.o.v. deze incidenten. Enkel de autoriteiten in Granada en in Portugal slaagden er in hun joodse gemeenschappen te beschermen tegen de volkswoede.

De gerenommeerde joodse filosoof en leraar Hasdai Crescas (c.1340-1410/11) was ooggetuige van deze gebeurtenissen:

In deze brief uit Saragossa van 19 oktober 1391 aan de joodse gemeenschap in Avignon, wordt voor de allereerste keer melding gemaakt van een volstrekt nieuw fenomeen : de converso.

Doordat omliggende landen al eerder joden hadden uitgestoten, zoals Engeland in 1290, Frankrijk in 1306 en in 1394, zagen vele joden geen toekomst meer voor hun geloof en lieten zich massaal dopen tot het katholicisme om zo aan de dood te ontsnappen. Prominente joden gingen hierin voor en hun gemeenschappen volgen hen daarin:

Samuel Abrabanel in Toledo Joseph Abarim en Samuel Abravalla in Valencia

Velen volgden hen in het doopsel, maar anderen vluchtten massaal naar Portugal. en de Noord-Afrikaanse kustgebieden (voornamelijk Marokko). Een groot aantal vluchtten ook naar de Aragonese bezittingen over de zee (Sicilië, Sardinië en Napels).

Antisemitische preken (1412) De dominicaan Vincent Ferrer voerde vanaf 1412 campagne om joden zich te laten bekeren, waarbij hij synagogen binnendrong. Zijn preken leidden tot Jodenvervolgingen. Ook het Dispuut van Tortosa (1413-1414), een geargumenteerde discussie tussen joden en christenen, dat door Tegenpaus Benedictus XIII werd verordonneerd en waarin de converso Gerónimo de Santa Fe (voorheen Joshua Haloriki) de leiding had, pakte slecht uit voor de joden. Er volgden opnieuw bekeringscampagnes en de instelling van anti-Joodse wetten.

De conversos waren onderling sterk verschillend. Sommigen oefenden het joodse geloof in het geheim uit (cryptojoden), terwijl anderen Jodenhaters werden. Een terugkeer naar het jodendom was onmogelijk, omdat men in dit geval als ketter werd beschouwd door beide partijen.

Reactie tegen de conversos (1449) De vele duizenden conversos palmden in enkele generaties het hele staatsbestel in. Immers, ze hadden nu het correcte geloof en konden niet meer geweigerd worden voor openbare functies, universiteiten en de kerkelijke hiërarchie. Zo drongen ze door tot het hoogste gezag. De Spaanse adel van de 15e eeuw kende bijgevolg vele belangrijke families, leden van de adel en koningshuizen, die afstamden van conversos, zoals de families Santángel en De la Caballeria. Tegen het einde van de 15e eeuw was de volledige administratie van Aragon in converso-handen. De vijf belangrijkste posten werden bezet door vijf conversos: Luis Santangel, Gabriel Sanches, Sanche de Paternoy, Pelipe Climent en Alfonso de la Caballeria. De nieuwe christenen klommen bovendien op tot de allerhoogste kerkelijke instanties, tot ergernis van de oud christenen:

Rabbi Solomon Halevi werd bisschop van Burgos Bartolomeo Carranza werd aartsbisschop van Toledo en de primaat van Spanje Hernando de Talavera werd aartsbisschop van Granada

Ook de kloosters waren een veilige haven voor conversos.

De onlusten begonnen in 1449 in Toledo naar aanleiding van een gedwongen lening aan de bevolking van 1.000.000 maravedi en uitte zich in plunderingen van de huizen van de belasting-ophalende conversos. Na de bestraffing van de plunderaars werd via het gerechtshof rassenwetten (Estutates de Limpieza de Sangre) uitgevaardigd die de conversos van openbare ambten uitsloten in een poging om de rust te doen weerkeren. De aartsbisschop van Toledo, Juan Martinez Silecese, was de meest gepassioneerde voorvechter van deze wetten. Hij was een tegenstander van de hogere standen die hij bijna allen als besmet met joods bloed beschouwde. Deze wetten pleitten in het voordeel van de lagere klassen die daardoor de mogelijkheden kregen om op te klimmen in de maatschappij, ten nadele van de edelen.

Om in 1464 een opstand van zijn edelen te beheersen, vaardigde Hendrik IV van Castilië op 16 januari 1465 het concordaat van Medina del Campo uit om aan hun verzoeken en wensen te voldoen; een van de voorwaarden in het vonnis was de belofte dat hij alle conversos van openbare ambten moest verwijderen (ze waren immers concurrenten van de opstandige edelen).

In 1473 kwam het tijdens een processie in Córdoba tot een incident tussen tussen conversos en katholieken, wat aanleiding gaf tot plunderingen in de conversos-wijken. De orde kon enkel hersteld worden met de belofte dat er geen meer in de stad mochten wonen.

Stilaan groeit het besef dat door de gedwongen dopen een voorheen extern probleem (joden, ongelovigen buiten de katholieke kerk) getransformeerd was in een intern probleem van onbetrouwbare conversos, schijngelovigen binnen de katholieke kerk). Terugkomen op de beslissing van gedwongen gedoopten was in de tijdsgeest onmogelijk. De enige oplossing was het onderzoek van de ware aard van de conversos met een kerkelijke rechtbank, de inquisitie.

De Spaanse Inquisitie (vanaf 1478) miniatuur|Geheime seder in Spanje gedurende de inquisitie (1892, door Moshe Maimon) In 1451 waren de eerste gedachten over een inquisitie om het converso-probleem aan te pakken door Álvaro de Luna al besproken met paus Nicolaas V. Vanaf 1461 begon de Franciscaan Alonso de Spina te ijveren voor een speciaal tribunaal, om dit probleem op te lossen. Als hoofd van de Hiëronymieten pleitte Alfonso de Oropesa eveneens voor het opstarten van de bestaande machinerie van de inquisitie.

Op 1 november 1478 vaardigde paus Sixtus IV, op verzoek van Ferdinand II van Aragón en Isabella I van Castilië, de bul Exigit sincerae devotionis affectus uit waarmee hij het katholieke koningspaar toestond in Castilië een inquisitietribunaal op te richten en eigenhandig de inquisiteurs ervan te benoemen; zo kregen ze meer armslag om de cryptojoden onder de conversos uit te schakelen; al snel had de paus geen greep meer op deze Spaanse Inquisitie.