Het brahmanisme was een vedische religie waaruit de eerste vormen van hindoeïsme zijn ontstaan. (2005): 'Vedism and Brahmanism' in The Encyclopedia of Religion, p. 9552–9553 Een van de pijlers van het brahmanisme is het systeem van varna's waarin brahmanen de dominante klasse zijn. Het is dan ook meer een sociopolitiek systeem dan een religie, wat onder meer blijkt uit het vermogen om goden uit andere religies te absorberen, zoals Krishna en Shiva. (2016) Het brahmanisme vloeit voort uit het idee dat de brahmanen niets verschuldigd zijn aan de samenleving, maar dat die samenleving juist alles aan de brahmanen te danken heeft. Een andere pijler is het offer (yajna) en de daarmee gepaard gaande shrauta-rituelen. Meer dan het vedisme waar het uit voortkwam en waar de nadruk lag op lofzangen voor de deva's of goden, is het dan ook een offerreligie. Met het ontstaan van het neobrahmanisme verschoof de nadruk naar concepten als Atman die Brahman is, karma, samsara (de cyclus van dood en wedergeboorte) en moksha (de bevrijding daarvan), maar offers bleven een rol spelen in het dagelijkse leven en zouden dat ook in het hindoeïsme doen, de religie die als synthese met andere religies en culten uit het brahmanisme evolueerde.

De brahmanisering, de succesvolle verspreiding van het brahmanisme buiten het oorspronkelijke kerngebied is opmerkelijk, aangezien het brahmanisme geen missionaire beweging is en bekering niet mogelijk is, alleen via geboorte kan iemand brahmaan worden. Dit succes is waarschijnlijk te danken aan de definitiemacht die zij hadden als de geleerde klasse, waardoor zij een imago wisten te creëren dat navolging vond. Deze vorm van acculturatie ging overigens ook gepaard met de aanpassing van het brahmanisme zelf, waarbij goden als Shiva en Vishnu werden geabsorbeerd door het brahmanisme.

Religieus exclusivisme, het idee dat slechts een enkele religie waar is, is een belangrijk onderdeel van religies als het christendom. Dit heeft als model gediend bij de beschrijving van veel Aziatische bewegingen die dit exclusivisme niet of nauwelijks kenden. Hoewel deze bewegingen ook wel tegenover elkaar stonden, stonden zij veel meer naast elkaar en beïnvloedden zij elkaar in sterke mate. Veelal pas in hun beschrijving door westerse geleerden werden ze onderscheiden als ismes en in isolatie behandeld. Een goed begrip ontstaat echter pas door de wisselwerking van deze bewegingen te beschouwen. Wel moet daarbij in ogenschouw genomen worden dat het brahmanisme de wisselwerking en aanpassing altijd negeerde en ontkende dat het in het verleden anders was geweest. Daarmee kon het wel een exclusivisme pretenderen.

Vedisme Het brahmansime ontstond uit het vedisme, een religie gebaseerd op een geloof in de macht van de arya en hun goden. Het vedisme komt naar voren in de Rigveda dat verhaalt over veehoudende semi-nomadische pastorale stammen. Belangrijke goden waren Agni, Indra en Varuna. Mensen waren nog ondergeschikt aan de goden, die dan ook werden uitgenodigd om deel te nemen aan uitgebreide rituelen als het soma-ritueel waar dichters hen prezen met traditionele hymnen. (1995)

De Bharata domineerden uiteindelijk de andere stammen uit de Rigveda en zouden daarna oostelijker richting de Yamuna zijn getrokken. Aan het einde van de Rigveda komen de Kuru's uit heilige land Kurukshetra in beeld. Zij zouden de 50 stammen verenigen tot een enkele superstam. (1997)

Brahmanisme Mantra-periode, Kuru-reformatie De periode volgend op de Rigveda is die van de mantra's van de Atharvaveda, de Yajoerveda en enkele van de oudere Brahmana's. Het vedisch Sanskriet van deze mantra-periode wijkt af van dat van de eerdere Rigveda-periode.

De periode wordt gekenmerkt door de vestiging van het Kuru-rijk. Om hun dominantie zeker te stellen, zouden onder de mogelijk historische Parikshit en zijn opvolger Janamejaya bestaande rituelen, posities van priesters (ritvij) en teksten opnieuw zijn ingedeeld en gerangschikt. Dit zou een politieke strategie zijn om de stammen verenigd te houden onder de Kuru's.

Varna's Daartoe werd de samenleving hervormd door de instelling van een sociale stratificatie in vier verschillende klassen of varna's. Niet-arya's werden daarin opgenomen als shudra, die evenwel uitgesloten waren van de rituelen. Dit werd wel gelegitimeerd op basis van in mandala 10, hymne 90, de Purusha sukta, uit de Rigveda. Hierin wordt Purusha beschreven als een van de scheppende krachten. In vers 12 wordt verhaald hoe deze in verschillende stukken wordt gehakt, de brahmán (mond), rājanya (armen), vaiśya (dijen) en śūdra (voeten). Dit is wel uitgelegd als het ontstaan van de vier varna's, waarbij zijn mond de priester (brahmana) werd, zijn armen de krijger (kshatriya), de dijen het volk (vaishya) en de voeten de dienaren (shudra). Deze uitleg wordt om meerdere redenen betwist. Allereerst wijkt de stijl af van alle andere hymnen, wat er op zou kunnen duiden dat deze later is toegevoegd. Daarnaast is het de enige plek in de Rigveda waar shudra wordt genoemd, waarmee er vier en niet drie klassen zou bestaan. Ook wordt varṇa in de Rigveda nog niet gebruikt om een sociale klasse aan te duiden, maar refereert het aan kleur, voorkomen en vooral vorm. Ook de benamingen van de vier lichaamsdelen hadden nog niet de latere betekenis. (2008): Discovering the Vedas. Origins, Mantras, Rituals, Insights, Penguin Books India, p. 60 Zo werd de eerste aanzet gegeven tot het Indische kastenstelsel. De Yajoerveda-Samhita laat al zien dat de brahmanen en de kshatriya's steeds meer een front vormden tegen de vish, de vaishya's, shudra's en dasa om hen te exploiteren, zoals de brahmanen zelf schreven. Voor het belangrijke vak van wagenmaker (rathakara) en voor prominente niet-arya's (nishada) werd wel een uitzondering gemaakt.

Shrauta-rituelen Terwijl de niet-arya's op deze manier werden geneutraliseerd, hielden de Kuru-koningen hun mede-raja's en -kshatriya's bezig met gecompliceerde shrauta-rituelen. Er was een hiërarchie van rituelen en zo konden ook de andere varna's hun rituelen uitvoeren. Aangezien deze praxis deels ten koste ging van de achterliggende religie, is wel gesuggereerd dat er meer sprake was van orthopraxie dan van orthodoxie. Er werd zoveel mogelijk teruggegrepen op de oude rituelen uit de rigvedische tijd om de nieuwe rituelen te legitimeren, een vroege vorm van sanskritisering.

Net als in de rigvedische tijd waren de rituelen gericht op het verkrijgen van vee, zonen en toegang tot de hemel (dyu). De rivier Sarasvati zou de belichaming zijn van de godin Sarasvati. Kurukshetra werd het gebied waar zelfs de goden offerden (devayajana). De grootste offers waren de agnicayana dat twaalf dagen duurde en ashvamedha, het paardenoffer. Dit laatste ritueel was na de vroege vedische tijd aangepast, waarbij het offerpaard werd losgelaten, waarna het gebied waar het doorheen liep door de stam geclaimd moest worden. Als dit al aan een andere stam behoorde, moest deze worden onderworpen. Pas nadat al het land daadwerkelijk geconfisqueerd was, vond het offer zelf plaats. Hieruit blijkt dat in deze periode het bezit van land een rol ging spelen nadat de seminomadische stammen steeds meer een sedentair bestaan volgden. Mensenoffers (purushamedha) werden ook genoemd, maar het is niet zeker of deze ooit werkelijk zijn uitgevoerd. (2015): Vedic Voices. Intimate Narratives of a Living Andhra Tradition, Oxford University Press, p. 237

Waar de andere werken er vooral voor de priesters waren, weerspiegelde de inhoud van de Atharvaveda het meest de zorgen van het gewone volk met spreuken om welvaart, kinderen en gezondheid te verwerven. (2008)

Canonisering Deze kunstmatige archaïsering werd ook toegepast op de oude teksten. Aanvankelijk had elke stam (jana) eigen hymnen en mantra's, maar tijdens de Kuru-reformatie werden deze bijeengebracht in een verzameling (samhita). Veelal waren de teksten van een stam geheim en waarschijnlijk was er dan ook overreding nodig om de teksten te delen. Het resulteerde in een gecompliceerd systeem waarbij voorafgaand aan het reciteren van een hymne de auteur genoemd moet worden. Waar de brahmanen ten tijde van de Rigveda nog fungeerden als auteurs, lagen de verhalen vanaf dan min of meer vast.

Hoe dit proces verlopen is, is onduidelijk, omdat er een gat zit tussen de Rigveda en de Maitrayani-Samhita en Katha-Samhita, de vroegste werken van de Yajoerveda. Wel is duidelijk dat gedurende deze periode het aantal priesters van zeven afnam naar vier. Elke priester droeg bij offers, wat de uiteindelijke reden is dat de andere drie Veda's ontstonden. Zo werd de Rigveda voorgedragen door de hotar of roeper, de Samaveda door de udgatar of zanger, de Yajoerveda door de adhvaryu of celebrant en de Atharvaveda door de brahman of opperpriester. Omdat de rituelen de macht van de goden in toom hield, nam ook het belang van de priesters toe. Omdat de rituelen de macht van de goden in toom hield, nam ook het belang van de priesters toe. Aan het begin van deze mantra-periode waren de hotri van de oude Rigveda nog de meest prominente priester, maar gaandeweg verloren zijn hun dominante positie aan de adhvaryu van de Yajoerveda. Vanwege de onderlinge concurrentie deden de hotri aanpassingen in de Rigveda om bij te blijven. Mandala 9 bevat dan ook samans en mandala 10 atharva-achtige hymnen.

Brahmana-periode Kuru-Panchala De Kuru's gingen een verbond aan met de Panchala uit het oostelijker gelegen middenland Madhyadesha, wat met Kurukshetra het belangrijkste gebied werd en zo de eerste staat werd van de vedische tijd.

Hoewel het een verbond was, bleef er de nodige rivaliteit. Polygamie maakte een huwelijkspolitiek mogelijk waarbij veel belangrijke families met elkaar verbonden werden. De rivaliteit kwam ook naar voren in debatten (brahmodya) over de heilige kennis. Zaken als veediefstal en andere rooftochten werden in toom gehouden met de nieuwe rituelen. Naast de oude overgangsrituelen uit de rigvedische tijd werden er grootse koninklijke rituelen gehouden.

Madhyadesha nam de centrale rol over nadat de Salva Kurukshetra binnenvielen. De Panchala-koning Keshin Dalbhya zou de diksha-initiatie hebben ingevoerd.

Gedurende de brahmanische en aranyaka-periode nam het belang van offers verder toe. In de Brahmana's kwam de theologie achter de offers tot volledige ontwikkeling en verminderde de angst voor de goden, aangezien deze door yajna's in toom gehouden kunnen worden. In de Rigveda was de schepping nog teweeg gebracht door het offeren van de oermens Purusha. In de Brahmana's was Prajapati de scheppergod, de personificatie van Brahma, en tegelijk het offer zelf en degene uit wiens offer de schepping plaatsvindt. Offers waren ook essentieel voor de goden die daarmee in de hemel terecht konden komen en onsterfelijkheid (amrita) verkregen. In hun strijd met de demonen (asura) hadden de goden gewonnen door hun kennis van de offers. Hierna wilden de goden verhinderen dat mensen kennis verkregen van mantra's en offerrites en hen zo konden volgen naar de hemel. De zieners (rishi's) wisten deze kennis echter te doorgronden en deelden deze in de Veda's. Zo werden offers een manier voor de mens om onsterfelijkheid te verkrijgen en om de goden te imiteren en zo de goddelijke werelden (loka's) te verkrijgen. (1993)

Videha De oostelijker gelegen gebieden Koshala en Videha werden waarschijnlijk bevolkt door Indo-Arische stammen die onder druk van de Bharata en Kuru al eerder naar het oosten waren getrokken. Hier ontwikkelde de witte Yajoerveda zich en werd niet aan vuuroffers gedaan. Ze werden in het westen dan ook als buitenstaanders gezien en brahmanen werden geacht niet naar deze gebieden te trekken. Net als de Kuru's eerder, wisten de Videha zichzelf door sanskritisering een betere positie te geven en inheemse volken werden voorouders gegeven uit de tijd van de Rigveda.