Rode Draak (Frans: Dragon Rouge) en Zwarte Draak (Dragon Noir) waren twee militaire operaties die in 1964, ten tijde van de Congocrisis, in Congo-Leopoldstad werden uitgevoerd om westerse gijzelaars te bevrijden uit Stanleystad (nu Kisangani) en Paulis (nu Isiro).
De beide operaties vonden respectievelijk plaats op 24 en 26 november 1964, tijdens de opmars van de 'Ommegang' door de tijdens de Simbaopstand door Simba's veroverde gebieden van het net onafhankelijke Congo-Leopoldstad. Ze werden uitgevoerd door Belgische en Amerikaanse troepen, ondersteund door Congolese huursoldaten. De operaties vonden in het geheim plaats en leidden tot de redding van ongeveer 2.300 mensen. Ongeveer 60 gijzelaars kwamen om en ongeveer 350 mensen werden geëxecuteerd tussen beide operaties, waaronder 300 Congolezen op 25 november 1964 in Paulis. Over het aantal doden onder de Simba's is niets bekend. De operaties staan bekend als zeer succesvol. Volgens Odom (1986) was het de eerste en in veel opzichten de meest complexe multinationale operatie ter bevrijding van gijzelaars van de Koude Oorlog.
Naast Rode Draak en Zwarte Draak waren vooraf nog twee operaties gepland; Witte Draak (Dragon Blanc) in Bunia en Groene Draak (Dragon Vert) in Watsa. Deze operaties werden op bevel van de Amerikaanse president Johnson niet uitgevoerd.
Achtergrond Simbaopstand De Simba's (lokale grotendeels animistische stammen uit de provincies Kivu en Orientale) waren in 1964 in reactie op incompetentie van de Congolese overheid om opstanden elders (Pierre Mulele; zie verder), en represailles en misstanden en door het slechtgetrainde regeringsleger in opstand gekomen tegen de nieuwe Congolese overheid en werden geleid door linkse rebellen. Zij werden 'Simba's' (Swahili voor "leeuwen") genoemd omdat twee sjamanen (Mama Maria Onema en Mama Fumu) hen hadden wijsgemaakt dat ze 'onkwetsbaar' zouden zijn voor kogelsdie zouden volgens hen in water veranderen. Het ANC maakte overigens bij tijden gebruik van contra-tovenaars die de magische krachten van de sjamanen moesten tegengaan. en in 'leeuwen' zouden veranderen in de strijd (het dacwa-ritueel). De Simba's stonden onder leiding van de Comité National de Libération (CNL), een marxistische beweging, geleid door Christophe Gbenye en Gaston Soumialot, beiden leden van de Mouvement National Congolais (MNL). Met haar marxistische achtergrond wist de CNL zich te verzekeren van steun van de Sovjet-Unie en Cuba. Gbenye wist zich te profileren als belangrijkste leider tijdens het conflict. Zijn belangrijkste militaire leider was Nicholas Olenga, een oud bondgenoot van Patrice Lumumba, die in 1963 een mislukte staatsgreep had gepleegd.
thumb|De Congolese premier Moïse Tshombe
Het Congolese regeringsleger Armée Nationale Congolaise (ANC) stond onder leiding van Mobutu en was berucht om haar wreedheden, die veel aversie onder de bevolking opriep en leidde tot steun aan opstanden tegen de Congolese regering. De regering van Congo was zwak en werd in 1964 geleid door premier Moïse Tshombe, oud-leider van de Staat Katanga. Tshombe was aangetrokken door Cyrille Adoula, maar had deze binnen een paar dagen aan de kant gezet. Het ANC werd vanaf 1963 getraind met hulp van de Belgen (de organisatie CAMAC onder leiding van kolonel Guillame Logiest) en Amerikanen (COMISH onder leiding van kolonel Frank Williams) in een poging de politieke situatie in het land te stabiliseren. Na de opstand van Pierre Mulele in Kwilu begin 1964 ondersteunde de CIA het ANC in haar strijd tegen Muléle door luchtaanvallen met huurlingpiloten die waren gerekruteerd uit Cubaanse bannelingen; veteranen van de Invasie in de Varkensbaai. Het ANC maakte zich echter schuldig aan vele misdaden tegen de menselijkheid en vergrootte zo de steun aan voortdurende opstanden in 1964, waaronder die van de Simba's in Oost-Congo.
In juli 1964 begonnen de Simba's hun opmars en wisten binnen een paar weken zonder veel moeite grote delen van oostelijk Congo te veroveren op het regeringsleger, dat meer vluchtte dan verzet bood. Een kernelement binnen de Simba's werd gevormd door ontevreden jongeren, die zich als de jeunesse hadden verenigd in bendes en zich aansloten bij de Simba's, daar ze elke aanval tegen de regering steunden. Hun loyaliteit was echter gering en hun acties waren vaak onberekenbaar. Hun aanval op Kasongo werd bijvoorbeeld gevolgd door de executie van ongeveer 200 stamleiders en regeringsleiders. Als reactie op de aankomst van de Belgische para's in Stanleystad op 24 november werden verschillende missionarissen, o.a. de Dox broers, gevangen gezet. Twee dagen later werd een aantal van hen geëxecuteerd.Predikbroeders in woord en daad dominicanen in Vlaanderen in de twintigste eeuw Lamberigts Mathijs, Halewijn, 10/09/2016, p.98
Verovering van Stanleystad Op 5 augustus trokken de Simba's de grote stad Stanleystad (300.000 inwoners) binnen, waar ongeveer 1.600 buitenlanders woonden; ongeveer 500 Belgen (165 waren de stad vlak voor de aanval ontvlucht), 700 andere Westerlingen en ongeveer 400 niet-Westerlingen, hoofdzakelijk Pakistani en Indiërs. Ondanks de dreiging waren de meesten van hen gebleven, omdat ze er economische belangen hadden (plantages, zaken, technici, e.d.) en de risico's daarbij voor lief namen.Bekend was de uitdrukking c'est le Congo; 'het hoort erbij'. De stad werd zonder veel verzet opgegeven door de 1500 man garnizoenstroepen van het ANC, aangezien hun leider, de ervaren kolonel Leonard Mulamba, afwezig was omdat hij in opdracht van Mobutu Bukavu poogde te behouden. Na een eerste aanval door de jeunesse te hebben afgeslagen vluchtten de troepen. De Simba's waren berucht om de ratissage; de rituele wraak die soms op tegenstanders werd genomen en soms gepaard ging met kannibalisme. De gevluchte Congolese soldaten lieten een grote voorraad wapentuig achter, die de Simba's in staat stelde om ook de jeunesse van vuurwapens te voorzien.
L'Ommegang De Belgische reactie op de inname van Stanleystad was het sturen van kolonel Frédéric Vandewalle, de voormalige Belgische consul in het door België gesteunde Katanga, die eerder daar betrokken was geweest met het opzetten van een leger. In opdracht van de ministers Paul-Henri Spaak (buitenlandse zaken) en Paul-Willem Segers (landsverdediging) werd hem min of meer de vrije hand gegeven in het opzetten van een militaire operatie om de Simba's terug te slaan en Stanleystad te ontzetten. Er mochten echter geen Belgische soldaten aan de operatie deelnemen omdat duidelijkheid over Belgische deelname aan de strijd bij de Simba's waarschijnlijk slecht zou uitpakken voor de Belgen in hun gebied. Vandewalle moest Tshombe daarom ondersteunen met een blank huurlingenleger, dat als speerpunt van het ANC moest functioneren en onder Tshombe's oppergezag zou vallen. Tshombe had in juli al een aantal oudgediende huurlingen overkomen, waaronder de Brit Mike Hoare ("Mad Mike"), die in 1961 Katanga was uitgezet door de Verenigde Naties na te zijn gearresteerd door het Ethiopische leger, en nu de huurlingentroepen zou gaan leiden in hun offensief tegen de Simba's. Hoare nam als eerste de opdracht aan om Albertstad te bevrijden, waar 120 Belgen vast zaten. Zijn Operatie Watch Chain (met 30 man troepen; tussen 24 en 28 augustus) liep echter uit op een mislukking (2 doden en 7 gewonden) en het was aan het ANC te danken dat de stad op 30 augustus weer in Congolese handen was en de Belgen gespaard bleven van een bloedbad. Helaas voor België lekte naar de internationale pers uit, dat zich onder Hoare's leger ook een Belg bevond.
miniatuur|Troepen van l'Ommegang in opmars naar Stanleystad miniatuur|ANC-troepen vuren op Simba-posities
Vandewalle overlegde daarop met Tshombe, die hem toestemming gaf om Hoare onder zijn bevel te plaatsen. Vandewalle doopte de militaire operatie om het Simbagebied te heroveren (en de buitenlanders te redden) l'Ommegang naar het jaarlijkse Brusselse festival Ommegang. Deze operatie werd voorafgegaan door de opbouw van troepen; op 1 oktober telde het legertje ruim 250 blanke huurlingen en een paar duizend Katangezen. Ondertussen hadden de leiders van de Simba zich half september bijna allemaal verzameld in Stanleystad, dat zodoende het onofficiële hoofdkwartier van de rebellen werd. Gbenye en Olenga en andere Simbaleiders bekeken elkaar echter met wantrouwen en Gbenye bezat geen werkelijke macht over Olenga, wat de situatie voor de Belgen en Amerikanen nog meer gespannen maakte, daar onduidelijk was wat ervan kon worden verwacht. Olenga was kwaad over de Amerikaanse CIA-bombardementen en eiste begin oktober meermaals de executie van alle Amerikanen. De andere leiders twijfelden tussen het behouden van de Westerlingen als gijzelaars en het evacueren van hen om de westerse goodwill te behouden. Op 9 oktober dreigde echter ook Gbenye alle westerse gijzelaars te doden.
De Amerikaanse ambassadeur G. McMurtrie Godley had ondertussen de grootste moeite om Tshombe en Mobutu ervan te weerhouden om het radiostation van Stanleystad met een luchtaanval te treffen om hun kracht te laten zien na het falen van Operatie Watch Chain; dit zou de gespannen situatie in Stanleystad alleen nog maar verder op de spits drijven. Na een bezoek van het Rode Kruis aan Stanleystad op 22 september werd duidelijk dat zelfs het overvliegen van de stad al tot zware sancties tegen de gevangenen zou kunnen leiden. Uiteindelijk werd na het tijdelijk staken van de luchtsteun door de CIA met Tshombe en Mobutu overeengekomen dat de luchtaanvallen aan banden zouden worden gelegd en er een vliegverbod zou gelden tot op 25 mijl van Stanleystad.
Begin oktober begonnen Tshombe's huurlingen, ANC met hun opmars tegen de Simba's, ondersteund door luchtaanvallen. Ze boekten snelle terreinwinst, waarop Mobutu en Tshombe zich steeds meer gingen onttrekken aan het bevel van Vandewalle en hun eigen plannen maakten met de huurlingen, zodat Vandewalle zijn eigen plannen niet kon doorzetten.
Operatie Rode Draak Voorbereidingen Een deel van het Amerikaanse ambassadepersoneel in Stanleystad had zich aanvankelijk verstopt voor de Simba's en vroeg om een reddingsoperatie. Deze operatie (Flag Pole) werd op 7 augustus echter afgeblazen vanwege de aanwezigheid van Simba's nabij de ambassade. In de weken erop werden plannen overwogen om hen en andere Amerikanen te redden, maar omdat het alleen redden van de Amerikanen een internationaal schandaal zou kunnen betekenen werd uiteindelijk besloten om de actie op alle buitenlanders te richten. Aanvankelijk werd de niet-Congolese bevolking grotendeels met rust gelaten. De Congolese bevolking daarentegen kreeg te maken met grote represailles; naar schatting werden in Stanleystad tussen augustus en november 1000 tot 2000 mensen vermoord door de Simba's onder leiding van Simbaleider Alphonse Kinghis. In Paulis was de situatie nog erger en werden in dezelfde periode 2000 tot 4000 Congolezen vermoord.