De Jom Kipoer-oorlog of Oktoberoorlog, ook bekend als de Ramadanoorlog (Arabisch: حرب أكتوبر, Ḥarb ʾUktōbar, of حرب تشرين Ḥarb Tišrīn; Hebreeuws: מלחמת יום הכיפורים, Milẖemet Jom HaKipoerim of מלחמת יום כיפור, Milẖemet Jom Kipoer), was een militair conflict tussen Israël en een coalitie gevormd door Egypte en Syrië, tussen 6 oktober 1973 en 22 of 25 oktober, afhankelijk van het oorlogsfront. "Jom Kipoer-oorlog", ook gespeld als Jom Kippoer-oorlog of Yom Kippoer-oorlog is de naam die in Israël aan deze oorlog gegeven is omdat op Jom Kipoer, de Grote Verzoendag, Egypte en Syrië Israël aanvielen in een poging hun in 1967 door Israël bezette gebieden te heroveren. Ook Marokko, Irak, Algerije, Koeweit en Saoedi-Arabië zouden via expeditiemachten aan de strijd deelnemen.

In de Zesdaagse Oorlog van 1967 veroverde Israël de Sinaï op Egypte en de Hoogten van Golan op Syrië. Na jaren van schermutselingen gedurende de Uitputtingsoorlog, wees in 1971 de Israëlische minister-president Golda Meïr toenaderingspogingen af van de nieuwe Egyptische president Anwar Sadat. Sadat besloot Israël naar de onderhandelingstafel te dwingen door bij verrassing het Suezkanaal over te steken. Hij vormde een bondgenootschap met de Syrische president Hafiz al-Assad die de Golan wilde heroveren. Een ingewikkeld misleidingsplan deed Israël de kansen op een oorlog te laag inschatten en het land mobiliseerde pas vier uur voor het begin van de aanval om 14.00 uur, 6 oktober 1973, zijn reserves.

Doordat het de capaciteiten van het Egyptische leger ernstig had onderschat, lukte het Israël niet de overstekende troepen in te sluiten. De Israëlische luchtmacht leed daarbij zware verliezen door luchtdoelraketten. De Egyptenaren bezetten op 6 en 7 oktober met een grote legermacht een brede strook langs de oostoever van het Suezkanaal, die ze sterk ter verdediging inrichtten. Door misverstanden werd een frontsector op de zuidelijke Golan onvoldoende versterkt en de Syriërs braken daar al op de eerste avond doorheen. De Israëlische regering vreesde dat Egypte en Syrië deze successen zouden uitbuiten door snel verder op te rukken en schijnt de inzet van kernwapens te hebben overwogen. Een weinig doortastende Arabische bevelvoering gaf Israël echter de tijd met reservetroepen de fronten af te grendelen. Door de doorbraak werd het Syrische opperbevel verleid toch zijn pantserreserves in te zetten voor massale aanvallen die echter met zware verliezen werden afgeslagen.

Op 8 oktober liep een poging van Israël om zelf het Suezkanaal over te steken vast in de Egyptische verdediging, mede door de inzet van geleide antitankraketten. Dezelfde dag begonnen Israëlische reserves de zuidelijke Golan te heroveren, wat op 10 oktober voltooid werd. Van 11 oktober af dreven ze het verslagen Syrische leger richting Damascus. Het arriveren van een Iraakse expeditiemacht voorkwam op 13 oktober echter een totale ineenstorting van Syrië en het noordelijk front zou tot 22 oktober vrij stabiel blijven. Sadat trachtte op 14 oktober Syrië te ontlasten door een groot offensief in de Sinaï maar verloor daarbij een aanzienlijk aantal tanks. In de avond van 15 oktober maakte een Israëlische eenheid daar gebruik van door achter de Egyptische linies langs te glippen en een oversteekpoging te beginnen. Na zware strijd om de aanvoerwegen naar het oversteekpunt, zette Israël het grootste deel van zijn strijdmacht in de Sinaï over het Suezkanaal. Het begon de hele rechterflank van het Egyptische leger te omsingelen. De Veiligheidsraad legde op 22 oktober een wapenstilstand op. Israël rukte tot 25 oktober naar het zuiden op en voltooide de omsingeling van het Egyptische Derde Leger waarna opnieuw een staakt-het-vuren inging.

In 1974 trok Israël zijn troepen terug tot de Mitla- en Gidipassen. Dat was het begin van een vredesproces dat zou leiden tot de Camp Davidakkoorden van 1978, de vrede tussen Israël en Egypte van 1979 en het geleidelijk ontruimen door Israël van de Sinaï tot 1982. Tijdens de oorlog kwam het tot een olieboycot die leidde tot de Eerste Oliecrisis. De oorlog markeerde zo het einde van de snelle westerse economische groei na de Tweede Wereldoorlog.

Achtergronden De Arabische wereld wilde zich in 1967 niet neerleggen bij de militaire nederlaag die Egypte, Jordanië en Syrië in de Zesdaagse Oorlog hadden geleden. De Arabische Liga had op 1 september 1967 in Khartoem een resolutie opgesteld die de "drie nee's" omvatte: geen onderhandelingen met Israël, geen vrede met Israël, geen erkenning van Israël. Hiermee verwierp men een Israëlisch voorstel om de in 1967 bezette Sinaï en Hoogten van Golan te demilitariseren. Weliswaar waren er aan zowel Israëlische als Arabische zijde ook 'duiven', die gebiedsteruggave in ruil voor vrede bepleitten conform resolutie 242 van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties, maar in het algemeen overheerste vanaf dat moment de harde lijn. Israël wenste niet meer te onderhandelen over een regeling, tenzij die mede gericht zou zijn op diplomatieke erkenning. Al snel kwam het zo tot vijandelijkheden in de vorm van beschietingen, bombardementen, luchtgevechten, zeeslagen en commando-overvallen tijdens de zogenaamde Uitputtingsoorlog die tot augustus 1970 duurde, toen een wapenstilstand gesloten werd. Deze gevechten verliepen over het algemeen sterk in het voordeel van Israël en versterkten het gevoel van militaire superioriteit in dat land. In feite echter was gedurende die jaren de professionaliteit van het Egyptische leger flink gestegen. Na 1970 legde Egypte een vernieuwde luchtafweergordel van luchtdoelraketten aan. De bescherming die dit verschafte tegen de Israëlische luchtmacht, bood de Egyptenaren goede kansen op een succesvolle poging het Suezkanaal over te steken. left|thumb|Sadat bespreekt in 1973 oorlogsplannen samen met Hosni Moebarak In Egypte was in september 1970 president Nasser overleden en opgevolgd door Anwar Sadat.Bregman (2000), p. 66 Sadat erfde een stagnerende economie, hoge schulden en enorme militaire uitgaven. Hij stelde een economisch herstel- en groeiprogramma op, met lagere overheidsuitgaven door een vermindering van het defensiebudget en impopulaire bezuinigingen. Tegelijkertijd waren ook voor Israël de lasten van de oorlogsdreiging sterk toegenomen: tussen 1966 en 1971 steeg het defensiebudget daar van een al aanzienlijke 10,4% naar 26,3% van het bnp. Deze kosten slokten een belangrijk deel van de economische groei tijdens deze periode op en verhinderden een opbouw van een verzorgingsstaat. In maart 1971 braken er vanwege de slechte sociaaleconomische omstandigheden in Jeruzalem rellen uit onder arme jonge Israëliërs van Noord-Afrikaanse afkomst.Bregman (2000), p. 65 Het leek er dus op dat beide landen veel te winnen hadden bij een vredesregeling. Sadat maakte op 4 februari 1971 in het Parlement van Egypte openlijk bekend dat hij, in ruil voor een terugtrekking van veertig kilometer door het Israëlische leger tot de Gidi- en Mitlapassen, een wapenstilstand voor zes maanden wilde aangaan, gecombineerd met een opening van het Suezkanaal en vredesbesprekingen in het kader van de missie van de VN-gezant Gunnar Valfrid Jarring gericht op een demilitarisering van de Sinaï ten oosten van de passen.Bregman (2000), p. 67 De Israëlische minister van Defensie Mosjee Dajan wilde hierop wel ingaan — de plannen kwamen nauw overeen met een voorstel dat hij de Egyptenaren zelf had willen doen. Premier Golda Meïr antwoordde echter op 9 februari in de Knesset dat er eerst vrede moest komen voordat er sprake kon zijn van enige terugtrekking. Achteraf zou ze toegeven niet onderkend te hebben dat hiermee een belangrijke kans op vrede verloren ging.Bregman (2000), p. 68 In de zomer van 1971 zond de Amerikaanse president Richard Nixon staatssecretaris Joseph John Sisco naar Meïr om haar te bewegen toch een gebaar te maken. Sisco had echter weinig middelen om Israël onder druk te zetten daar Nixon in 1970 bij de onderhandelingen over een wapenstilstand had moeten beloven nooit een vredesregeling op te zullen leggen. Hij zou onverrichter zake terugkeren. Dat betekende ook dat een gelijktijdige missie naar Sadat van de Amerikaanse gezant Michael Sterner vruchteloos zou blijven.

Voor Sadat was het gezien de politieke situatie in zijn land onacceptabel zich bij het verlies van de Sinaï neer te leggen, te meer omdat hij 1971 veelvuldig het "jaar der beslissing" genoemd had en het nu voorbij ging zonder enig positief resultaat. Hij begon te overwegen een oud plan uit te voeren, dat al was opgesteld onder Nasser, om Israël tot onderhandelingen te dwingen door de oostelijke oever van het Suezkanaal te bezetten. Een dergelijke overwinning zou hem ook steun opleveren voor zijn economische politiek. In 1972 ging Sadat een agressievere toon aanslaan en liet de militaire infrastructuur bij het Suezkanaal verbeteren. Op 24 oktober 1972 beval hij het Egyptische oppercommando om de bestaande operationele plannen voor een oorlog met Israël die uitgingen van een herovering van de gehele Sinaï, te vervangen door de uitwerking van een beperkte operatie. Dit was mede gemotiveerd door de vrees dat bij een totale oorlog de Israëlische luchtmacht de Egyptische industrie zou vernietigen. Alleen een dreiging met Scud-raketten of jachtbommenwerpers voor de lange afstand zou Israël hiervan kunnen afschrikken.Bregman (2000), p. 70 De Sovjet-Unie, Egyptes belangrijkste wapenleverancier, had echter in het verleden categorisch geweigerd zulke wapens te verschaffen en bleef in de zomer van 1972 bij dat standpunt.Bregman (2000), p. 71. Scuds zouden in augustus 1973 alsnog geleverd worden maar waren op 6 oktober nog niet operationeel Het Egyptische oppercommando had grote bedenkingen bij de operatie. Men voorspelde dat na successen in de beginfase het leger zou bezwijken onder het Israëlische tegenoffensief zodat er opnieuw een beroep op de Sovjet-Unie zou moeten worden gedaan om een totale nederlaag af te wenden. Sadat zette zijn wil echter door.Bregman (2000), p. 72 Alternatieve plannen, zoals een hervatting van de Uitputtingsoorlog of het uitvoeren van een luchtlanding in de Sinaï, werden als onpraktisch verworpen.

De weigering van de Sovjet-Unie had ten dele haar oorzaak in verslechterde verhoudingen met Egypte. In 1970 had een eskadron Sovjetvliegtuigen meegedaan aan de strijd tegen de Israëlische luchtmacht en bedienden vele duizenden Sovjetspecialisten de raketbatterijen. Na de Uitputtingsoorlog bleven deze troepen in het land. Ze legden nauwe contacten met procommunistische officieren. Sadat begon hierom te vrezen voor een communistische staatsgreep. Op 14 mei 1971 zuiverde hij de factie rond de socialistische vicepresident Ali Sabri. Op 18 juli 1972 stuurde hij vijftienduizend van de "militaire adviseurs" Egypte uit. Hij hoopte dat hij zo in een beter blaadje zou komen bij de Verenigde Staten. De Sovjet-Unie was erg ongelukkig met deze situatie en poogde Egypte gedurende 1973 te paaien met ruimere wapenleveranties. Begin 1973 deed Sadat nog een poging via de Amerikanen tot een regeling met Israël te komen. Op 23 februari 1973 zond hij zijn veiligheidsadviseur Hafez Ismael naar Nixon. Ismael had op 24 en 25 februari drie geheime besprekingen met zijn Amerikaanse tegenhanger Henry Kissinger. Die gaf echter aan weinig voor Egypte te kunnen doen tenzij het tot een crisis kwam. Sadat interpreteerde dat als een aanmoediging om de patstelling door een oorlog te doorbreken.Bregman (2000), p. 69

Aanloop naar de oorlog Sadat betrekt Syrië bij zijn plannen thumb|rechtop|Na zijn machtsgreep in 1970 streefde al-Assad naar een herovering van de Golan