thumb|Leden van de sociaaldemocratische fractie in de Rijksdag, 1889. De SPD is de oudste nog bestaande Duitse partij van belang. De moderne politieke partijen in Duitsland zijn in het midden van de 19e eeuw ontstaan, toen afgevaardigden in parlementen zich begonnen te verenigen tot hechtere groeperingen. In het begin stonden de regeringsgezinde conservatieven en de oppositionele liberalen tegenover elkaar. In de loop van de decennia ontstonden hechte organisaties die belangrijke functies in het politieke systeem vervulden.
Belangrijk voor de ontwikkeling van het partijenstelsel was het Frankfurter Parlement van 1848/1849, het eerste parlement voor heel Duitsland. In de jaren 1860 ontstonden de eerste eigenlijke partijen met programma's. In het Duitse Keizerrijk, dat in 1871 tot stand kwam, konden de partijen via de Rijksdag meebeslissen over de wetgeving. Twee conservatieve partijen en de nationaal-liberalen (rechts-liberalen), die zich in 1867 van de liberalen hadden afgesplitst, steunden de rijksregering. Het katholieke Zentrum en de links-liberalen werkten eveneens soms met de regering samen. De Sozialdemokratische Partei Deutschlands (SPD), zoals deze partij sinds 1891 heet, bleef in principe oppositioneel tegenover de toenmalige staat. Daarnaast zaten in de Rijksdag meerdere regionale partijen en partijen van minderheden, belangenpartijen en kleine partijen van antisemieten.
Vanaf 1917 namen Zentrum-leden, links-liberalen en (vanaf 1918) sociaaldemocraten deel aan de rijksregering. In de Weimarrepubliek van 1919 konden de partijen meestal geen constructieve meerderheid in het parlement vormen. De grotere partijen uit het Keizerrijk bleven grotendeels bestaan. Diverse nieuwe belangen- en extremistische partijen verschenen ten tonele, zoals de links-extremistische Kommunistische Partei Deutschlands (KPD) en de rechts-extremistische Nationalsozialistische Deutsche Arbeiterpartei (NSDAP). De laatste nam in 1933 de macht over en maakte alle andere partijen illegaal.
thumb|Federaal partijcongres van de liberale FDP, 1980 in Freiburg Na de Tweede Wereldoorlog waren in de westerse bezettingszones en vervolgens in de Bondsrepubliek (vanaf 1949) vooral twee grote partijen toonaangevend: de christendemocratische CDU en de sociaaldemocratische SPD. Na een eerste periode met enkele andere kleinere partijen kwam in 1961 alleen nog de liberale FDP in de Bondsdag. Rond 1980 deed de ecologisch-alternatieve partij Die Grünen haar intrede in het politieke bestel.
In de Duitse Democratische Republiek ontstond na de gedwongen vereniging van de KPD en de SPD in 1946 de Sozialistische Einheitspartei Deutschlands (SED). Ze liet zogeheten blokpartijen bestaan om haar één-partijen-dictatuur te camoufleren. Na 1990 ging die partij door als Partei des Demokratischen Sozialismus (PDS, sinds 2007: Die Linke). Duitsland heeft sindsdien op federaal niveau een stelsel dat in wezen uit vijf partijen bestaat, CDU/CSU, SPD, FDP, Linke en Grüne. Verder bestonden en bestaan er op deelstaatniveau en in de gemeenten nog andere partijen.
Partijen vóór de oprichting van het Rijk van 1871 thumb|De Rijksdag in 1675: links de bank van de wereldlijke, rechts van de geestelijke vorsten. In de voorgrond de banken van de rijkssteden, achter de keizer zitten de keurvorsten. thumb|Het Hambacher Fest van 1832 geldt als een van de hoofdgebeurtenissen van de nationale beweging in de tijd van de Vormärz.
De opkomst van politieke partijen hangt nauw samen met de aanwezigheid van afgevaardigden in parlementen. Parlementen in de moderne zin van het woord kennen de meeste landen van de wereld pas sinds de 19e eeuw. De Rijksdag van het Heilige Roomse Rijk bijvoorbeeld was een vertegenwoordiging van staten, niet van kiezers. Zelfs op stedelijk niveau waren de leden van gemeenteraden normaliter de vertegenwoordigers van sociale groepen, zoals bepaalde ambachtsorganisaties (gilden). Men heeft het dan over een zogeheten standen-constitutie (ständische Verfassung).
Zuid-Duitse parlementen Afgezien van eerdere ontwikkelingen in het tijdperk van Napoleon begon de Duitse parlementaire geschiedenis na 1815 (het jaar waarin de Duitse Bond werd opgericht en de Bondsakte in werking trad) in Zuid-Duitsland, waar Baden, Württemberg en Beieren al vroeg grondwetten en parlementen met elk twee kamers hadden. De opperhuizen waren kamers van de adellijken, net als de volkshuizen die volgens standen waren samengesteld. Zij die grondbezit hadden of veel belastinggeld betaalden, mochten stemmen. De verkiezingen waren indirect: als Urwähler koos men degenen die op hun beurt de afgevaardigden kozen. In Baden en Württemberg ging 15 resp. 17 procent van de inwoners stemmen.Thomas Nipperdey: Deutsche Geschichte 1806–1866. vol. 1: Bürgerwelt und starker Staat. Beck: München 1983, p. 344, p. 346/347.
De kamers hadden weinig rechten en waren eerder plaatsen voor discussies. De afgevaardigden kwamen uit de bezittende en hoog opgeleide sociale klassen (Besitzbürger en Bildungsbürger), uit kringen van landbouw en handel, alsmede uit de academisch opgeleide ambtenarij. Sommige afgevaardigden stonden aan de kant van de regering, anderen, zoals de liberalen, vormden de oppositie. Juist de woordvoerders van de liberalen waren vaak ambtenaren, schreef de historicus Thomas Nipperdey: "Het blijft een van de meest eigen karakteristieken van het vroege parlementarisme in Duitsland dat de dienaren van de regeringen tegelijkertijd de kern van de oppositie tegen die regeringen waren."Thomas Nipperdey: Deutsche Geschichte 1806–1866. vol. 1: Bürgerwelt und starker Staat. Beck: München 1983, p. 347/348. „Es bleibt eines der eigentümlichen Charakteristika des frühen Parlamentarismus in Deutschland, dass die Diener der Regierungen zugleich der Kern der Opposition gegen diese Regierungen waren."
De traditionele opdeling in links en rechts bij politieke partijen is nog ouder. Ze is voortgekomen uit de Franse Revolutie. De monarchisten / conservatieven zaten vanuit het oogpunt van de Kamervoorzitter rechts, de revolutionairen zaten links.
Vormärz 1830-1848 Vormärz heet in Duitsland de tijd vóór de liberale revolutie van maart 1848. Toen bestonden er al voorlopers van een modern partijenstelsel. Maar er was nog geen parlement voor geheel Duitsland. Politieke partijen waren verboden, een geheime politisering gebeurde binnen verenigingen.Karl Rohe: Entwicklung der politischen Parteien und Parteiendemokratie in Deutschland bis zum Jahre 1933. In: Oscar W. Gabriel e.a. (red.): Parteiendemokratie in Deutschland, Bonn 1997, p. 39-58, hier p. 41/42. Vaak stonden conservatieven en liberalen tegenover elkaar, de krachten van het behouden en de krachten van de verandering.Karl Rohe: Entwicklung der politischen Parteien und Parteiendemokratie in Deutschland bis zum Jahre 1933. In: Oscar W. Gabriel e.a. (red.): Parteiendemokratie in Deutschland, Bonn 1997, p. 39-58, hier p. 42.
Partijen vormden zich langzaam, vaak door middel van tijdschriften. Ze waren geen dragers van macht maar hadden een ideologische basis (Weltanschauungsparteien). Het woord Partei had indertijd een negatieve connotatie. De liberalen identificeerden zich met het volk en richtten zich tegen partijen, maar ook tegen de gouvernementalen (degenen die loyaal aan de regering waren), de klerikalen (kerkelijken) en de demagogen (verleiders van het volk).Thomas Nipperdey: Deutsche Geschichte 1806–1866. Vol. 1: Bürgerwelt und starker Staat. Beck: München 1983, p. 378.
Liberalen en radicalen thumb|„De vrijheid leidt het volk“, schilderij van Eugène Delacroix uit 1830, over de julirevolutie in Frankrijk. Liberalen en radicalen gingen verschillende wegen onder meer vanwege de vraag of geweld in de politieke strijd gerechtvaardigd is. De liberalen waren de erfgenamen van de ideeën van de Franse Revolutie van 1789. Ze vonden dat de ongelijkheden tussen mensen het gevolg waren van de verschillen in talent en prestatie. De ongelijkheid moest op allerlei manieren zo veel mogelijk worden weggewerkt, bijvoorbeeld door middel van belastingen (bijvoorbeeld op erfenissen) en het voor iedereen toegankelijk maken van opleidingen.
Rond 1840 scheidden de radicalen zich van het liberalisme af. Zij zagen gelijkheid als een voorwaarde voor vrijheid, en bij twijfel vonden ze het eerste zwaarder wegen dan het laatste. Ze wilden de staatsmacht noch de scheiding der machten aan banden leggen. In plaats daarvan pleitten ze voor de heerschappij van het parlement en misschien elementen van de directe democratie (referenda). Ze wilden de soevereiniteit van het volk er via het algemeen kiesrecht doorheen drukken, en voelden zich tegenstanders van zowel het oude systeem als van de liberale burgers.Thomas Nipperdey: Deutsche Geschichte 1806–1866. Vol. 1: Bürgerwelt und starker Staat. Beck: München 1983, p. 388/389.
In filosofisch opzicht kwamen de radicalen van de kant van de linkse hegelianen. Ze wilden de emancipatie van de mens via het "wapen van het verstand" bereiken. De kritiek op de religie, zoals David Friedrich Strauß en Ludwig Feuerbach het verwoordden, leidde tot een revolutionaire kritiek op zowel de staat als de maatschappij.Thomas Nipperdey: Deutsche Geschichte 1806–1866. Vol. 1: Bürgerwelt und starker Staat. Beck: München 1983, p. 389.
De radicalen schaarden zich onder meer rond de Hallesche Jahrbücher für deutsche Wissenschaft und Kunst (sinds 1838; vanaf 1841 Deutsche Jahrbücher geheten). Belangrijk was ook de Rheinische Zeitung (1842/1843).Thomas Nipperdey: Deutsche Geschichte 1806–1866. Vol. 1: Bürgerwelt und starker Staat. Beck: München 1983, p. 344, p. 389/390. Naast de intellectuelen waren er onder de radicalen ook populisten, vooral in het zuidwesten van Duitsland, en een religieuze richting: christelijk maar verlicht. Op een bijeenkomst in Offenburg in 1847 stemden de radicalen voor het gelijke kiesrecht, een leger gebaseerd op het militie-stelsel, gelijke kansen in de opleiding, een progressieve belasting op inkomsten en een nieuwe verhouding tussen kapitaal en werk. Het laatste richtte zich ook tegen de liberalen.Thomas Nipperdey: Deutsche Geschichte 1806–1866. Vol. 1: Bürgerwelt und starker Staat. Beck: München 1983, p. 390/391.
Arbeidersbeweging links|thumb|De kleermaker Wilhelm Weitling, een van de weinige vroege socialisten van lage komaf, was een voordenker van het communisme. Zijn Bond der Rechtvaardigen stond symbool voor het belangrijkste probleem van de arbeidersbeweging van die tijd, want hij kon alleen in ballingschap worden opgericht. Zoals de radicalen zich losmaakten van de liberale beweging, zo maakte de arbeidersbeweging zich los van de radicale beweging. De activisten van de arbeidersbeweging wilden het leven van de loonarbeiders en ambachtslieden verbeteren en eisten politieke rechten voor hen op. Het waren nog niet per se socialisten, en het was in het begin ook nog geen beweging van de onderlaag van de bevolking - die was sowieso van de politiek buitengesloten. Ze waren volgens Nipperdey ook nog geen klasse: "het socialistisch idee van het fabrieksproletariaat voldeed nog lange tijd niet aan de realiteit van de verarmde massa's in Duitsland". Veeleer betrof het een verbond van intellectuelen en ambachtsgezellen in het buitenland (in de ballingschap). Daar bestond vrijheid van meningsuiting, die voor discussies met een theoretische achtergrond kon worden gebruikt.Thomas Nipperdey: Deutsche Geschichte 1806–1866. Vol. 1: Bürgerwelt und starker Staat. Beck: München 1983, p. 391/392. Citaat: „die sozialistische Idee vom Fabrikproletariat entsprach der Realität der verarmten Massen in Deutschland lange Zeit noch durchaus nicht.“