Gerard Adriaan Hoekveld (Baarn, 7 mei 1934 - Baarn, 3 februari 2011) was een Nederlands sociaal geograaf en hoogleraar "regionale geografie" aan de Universiteit Utrecht. Hij is mede bekend door de ontwikkeling van zijn bollenkubus: een conceptuele schema om ingewikkelde relaties tussen de menselijke activiteiten en de ruimtelijke omgeving inzichtelijk te maken.
Biografie Studietijd Gerard Hoekveld is geboren en getogen in Baarn. Zijn ouders verhuisden van Amsterdam naar Baarn, waar hij op 7 mei 1934 werd geboren. Na het behalen van zijn HBS-a examen in 1951, ging hij sociale geografie studeren in Utrecht. Eigenlijk had hij geschiedenis willen studeren, maar zijn vooropleiding belette dit (in die jaren kon een universitaire studie geschiedenis alleen gevolgd worden met een diploma van het gymnasium). De studierichting sociale geografie bood in die jaren wel de mogelijkheid met een verzwaard bijvak geschiedenis een eerstegraads onderwijsbevoegdheid geschiedenis te halen. Hoekveld koos voor deze combinatie. Hoekveld volgde colleges bij Adriaan de Vooys. Van grote invloed op zijn wetenschappelijk ontwikkeling waren de colleges van Chris van Paassen. Van Paassen doceerde toegepaste geografie en planologie. Hoekveld deed het kandidaatsexamen bij De Vooys, maar studeerde in de doctoraalfase hoofdzakelijk bij Van Paassen. Hij had meer affiniteit met diens theoretische opvattingen over het wezen van de sociale geografie. Opmerkelijk voor een sociaal-geograaf was dat hij een tijd student-assistent was bij Jacoba Hol die in Utrecht fysische geografie doceerde.
Leraar en promotie Na het doctoraal examen voldeed Hoekveld van 1957-1958 aan zijn dienstplicht. Hij was ingedeeld bij de luchtmacht en hield zich daar bezig met terugtrekkingsstrategieën. In 1958 kreeg hij een aanstelling als leraar aardrijkskunde in Amstelveen. Bovendien gaf hij les aan de M.O.-opleiding in Utrecht. In de vrije tijd werkte hij aan zijn dissertatie over de ontwikkeling van Baarn. Op 6 maart 1964 promoveerde hij bij Prof. De Vooys. Op uitnodiging van Piet Kouwe aanvaardde hij in 1965 een positie bij de Stichting Interuniversitair Instituut voor Sociaal-Wetenschappelijk Onderzoek in Amsterdam. Hij werd er ‘subcoördinator voor planologie’ en verrichtte er literatuuronderzoek naar de ontwikkeling van stadsgewesten.
Vrije Universiteit In 1967 kreeg Hoekveld een benoeming als lector aan de Vrije Universiteit van Amsterdam. Gezien zijn ervaringen bij het SISWO wilde hij bij deze relatief jonge opleiding sociale geografie graag actief zijn op het terrein van de stadsgeografie, maar de Vrije Universiteit wilde eigenlijk iemand die de lerarenopleiding aardrijkskunde vorm ging geven. Marcus Willem Heslinga (de eerste hoogleraar voor de in 1961 begonnen studierichting sociale geografie) – zie ook Sociale geografie VU Amsterdam 1960 - ± 1970 - slaagde erin om na langdurig onderhandelen de stadsgeografie in de leeropdracht opgenomen te krijgen. In 1970 werd het lectoraat omgezet in een ordinariaat. De officiële omschrijving luidde: ‘sociale geografie in het bijzonder de urbane en rurale geografie der westerse landen’. Wel kreeg hij een extra opdracht om de onderwijsgeografie van een goede basis te voorzien. In 1976 kwam er een afzonderlijke leeropdracht voor de onderwijsgeografie, vervuld door Hans van Westrhenen.
Direct na zijn benoeming als lector vertrok hij in 1967 met onbetaald verlof voor drie maanden naar de Verenigde Staten. Hij wilde zich met deze reis op de hoogte stellen van de nieuwste ontwikkelingen op het gebied van de geografie. De zogenaamde ‘kwantitatieve revolutie’ in de geografie had er geleid tot de introductie van theorieën, modellen en statistische technieken op neopositivistische grondslag. In zijn oratie ‘Geleding en ontleding van de stad’, uitgesproken op 29 januari 1971 is de invloed van zijn ervaringen in de Verenigde Staten goed terug te vinden.
Naast zijn activiteiten op het gebied van de stadsgeografie manifesteerde Hoekveld zich ook nadrukkelijk op het gebied van de onderwijsgeografie. Vanaf 1968 gaf hij met anderen nascholingscursussen voor onderwijzers en leraren (onder andere in de vorm van mavo-applicatiecursussen). De daarvoor ontwikkelde colleges werden uitgebracht in een serie boeken onder de naam ‘Geografische Verkenningen’. In Deel 1 schreef hij ‘De geografische beschouwingswijze’. De daar gepresenteerde begrippenstructuur had veel invloed in de schoolaardrijkskundemethoden.
TVC In het begin van de jaren tachtig werd het universitaire onderwijs getroffen door bezuinigingen onder de naam ‘Taakverdeling en Concentratie’. Elke studierichting werd aangeslagen voor het realiseren van een bepaald bezuinigingsbedrag. Tientallen kleinere opleidingen werden opgeheven en dit lot trof ook de opleiding sociale geografie aan de Vrije Universiteit. Op 21 februari 1983 werd het besluit gepubliceerd. Het grootste deel van studenten en wetenschappelijke staf werd overgeplaatst naar het Sociaal-Geografisch Instituut van de Universiteit van Amsterdam. Hoekveld verkoos echter naar de Universiteit van Utrecht te gaan. Hoekveld over deze gebeurtenissen:
‘Toen ik terugkwam in Utrecht gaf dat een gevoel van heerlijk-om-weer-thuis-te-zijn. De opheffing van het instituut aan de VU daarentegen was een traumatische ervaring. Wat ons nog het meest dwars zat, was de opmerking van de toenmalige voorzitter van het College van Bestuur van de VU, Brinkman: “We kappen alleen wat dor hout weg’. Alsof de VU-geografie minder goed zou zijn. Van de tien medewerkers van mijn vakgroep……..zijn er inmiddels vijf hoogleraar geworden en hebben de anderen allen een reputatie als expert op hun specialisatieterrein’ (Joost Hauer, 1998).
Universiteit van Utrecht In 1985 aanvaardde Hoekveld een leerstoel in de ‘regionale geografie en geografie voor educatie’. Het eerste deel van zijn leeropdracht kreeg zijn grootste aandacht. Voor het tweede deel was Hoekveld weliswaar formeel verantwoordelijk, maar het inhoudelijke werk werd gedaan door Rob van der Vaart. Hoekveld was onder andere voorzitter van een door de minister benoemde commissie die in het begin van de jaren negentig voorstellen moest ontwikkelen voor de kerndoelen van de basisvorming aardrijkskunde (onder gelijktijdige reductie van het aantal lesuren). Hoekveld slaagde erin het concept ‘eigen omgeving’ in het programma te laten opnemen, waardoor de relatie tussen sociale en fysische geografie werd versterkt. Dat was een lang gekoesterde wens. In 1990 sprak hij zijn oratie uit: ‘De Gelderse Vallei: een regionaal-geografische benadering’. Met zijn vrouw, de geografe Gerda Hoekveld-Meijer ontwikkelde hij een begrippenkader voor de nieuwe regionale geografie. Naast de regionale geografie nam hij in Utrecht initiatieven voor een afstudeerrichting bestuursgeografie. Zijn afscheidscollege op 5 juni 1998 droeg als titel: ‘Burgers, bestuur en een ringweg: bestuursgeografische beschouwing van een ruimtelijk conflict in Baarn.
Emeritus Na zijn emeritaat is Hoekveld zich gaan bezighouden met de ethische aspecten van de geografie-beoefening. In 2005 verscheen ‘Het hoogste doel. Over de verhouding tussen toegepaste sociale geografie en ethiek’. In 2003 ontving Hoekveld als waardering voor zijn wetenschappelijk werk de Plancius medaille van het Koninklijk Nederlands Aardrijkskundig Genootschap
Hij was getrouwd met Gerda Hoekveld-Meijer, eveneens geograaf en voormalig gemeenteraadslid te Baarn.
Werk Baarn Hoekveld promoveerde in 1964 op een proefschrift over de ontwikkeling van Baarn. ‘Deze studie beoogt een beeld te geven van Baarns opkomst en groei als uitvloeisel van een verstedelijkingsproces, dat hier voorlopig wordt aangeduid als suburbanisatie. De ontwikkeling van Baarn zal steeds vanuit de relaties met grotere eenheden onderzocht worden, omdat Baarn een element is van een grootstedelijk of metropolitaans nederzettingenpatroon’ (Hoekveld, 1964, 11). In 1998 keek Hoekveld kritisch terug op de dissertatie. De toen gehanteerde historisch-genetische benadering vond hij nauwelijks meer aanvaardbaar: ‘Ik heb mij toen gericht op de afgrenzing van begrippen en op de ontwikkeling van een typologie van ontwikkelingsstadia van nederzettingen die liggen binnen een grootstedelijke invloedssfeer. De theorie bleef echter volledig impliciet. Ook het vergelijkende aspect ontbreekt en de ligging in de nabijheid van Amsterdam is, achteraf bezien, te weinig uitgewerkt’ (Joost Hauer, 1998, 34).
Onderwijsgeografie en schoolaardrijkskunde Eind jaren zestig aan de Vrije Universiteit zorgde Hoekveld voor de aansluiting bij de ontwikkelingen in de Angelsaksische geografie (meer aandacht voor kwantitatieve technieken, modellen en theorievorming). In 1967 schreef hij een preadvies voor de onderwijsdag van het Koninklijk Aardrijkskundig Genootschap onder de titel ‘Oude wijn in nieuwe zakken, de onderwijsgeografie en de Mammoetwet’. Een van de conclusies was dat er sprake was van een groeiende kloof tussen de academische geografie en de onderwijsgeografie. De snelle veranderingen in kennis en inzicht hadden geen vertaling gevonden in de onderwijsgeografie en ook niet in de schoolaardrijkskunde. Hij liet het niet bij deze constateringen. De nieuwe inzichten uit de academische geografie werden door Hoekveld en zijn staf verwerkt in een serie bijscholingscursussen, de zogenaamde mavo-applicatiecursussen voor aardrijkskundeleraren. Dit resulteerde in de publicatie van de serie Geografische Verkenningen. In Deel 1 (1971) geeft Hoekveld zijn ideeën weer over de theorie van de sociale geografie. Het begrip handelingsverband werd dankzij de populariteit van deze serie een begrip in de schoolaardrijkskunde. Handelingsverbanden waren organisaties waar mensen deel van uitmaakten en van waaruit mensen handelen (huishoudens, bedrijven en instellingen). Het geheel in een bepaald gebied vormde de sociaal-ruimtelijke structuur. Hoekveld visualiseerde dit met zijn befaamde bollenkubus. thumb|320px|De bollenkubus, een conceptuele schema om de relaties tussen de menselijke activiteiten en de ruimtelijke omgeving inzichtelijk te maken. Hoekveld gaf dus in de jaren zestig en zeventig krachtige impulsen voor een vernieuwing van de onderwijsgeografie en de schoolaardrijkskunde. Dat heeft lange tijd gewerkt, maar in 2009 toonde hij zich andermaal bezorgd over het uit elkaar groeien van de academische geografie en de praktijk in het voortgezet onderwijs.
Stadsgeografie en de bollenkubus In de periode 1930-1960 stond in de Nederlandse stadsgeografie de studie van de bestaansbronnen voorop. Direct na de Tweede Wereldoorlog besteedde men ook veel aandacht aan het ontwerpen van classificaties van steden. De opkomst van de ‘nieuwe geografie’ in de Verenigde Staten zorgde ervoor dat de Nederlandse geografen nieuwe wegen insloegen. De aandacht ging nu meer naar theorievorming en modelbouw om meer grip te krijgen op de groeiende complexiteit van de stad.
In zijn overzicht van de ontwikkeling in de Nederlandse stadsgeografie tussen 1950 en 1975 constateert Willem Heinemeijer dat Van Paassen het stedelijk geheel als een oecologisch complex beschouwt om aan te geven ‘hoe een verzameling van functionele handelingsverbanden zich in elkaars nabijheid rangschikt op basis van hun nabijheidsbehoefte………..Met name Hoekveld heeft deze gedachtegangen verder uitgewerkt in beschouwingen over sociaal-ruimtelijke structuren die gestalte krijgen in artefactieel-morfologische structuren. Het geheel van ruimtehuishoudingen van bedrijven, instituties en gezinshuishoudens bestaande uit gecompliceerde sociale netwerken en patronen, gevlochten binnen een materieel milieu, is op te vatten als een beweeglijke orde, door Hoekveld kortweg de geografische structuur genoemd’ (Heinemeijer, 1977, 263).