De Brits-Russische expeditie naar Noord-Holland, ook Den Helderexpeditie genoemd, was een expeditie door Britse en Russische troepen van 27 augustus tot 19 november 1799, tijdens de Tweede Coalitieoorlog tegen revolutionair Frankrijk. De geallieerde Britten en Russen vielen het schiereiland Noord-Holland binnen, dat destijds in de Bataafse Republiek lag, een vazalstaat van Frankrijk in het huidige Nederland.

De veldtocht had verschillende strategische doelen: de Bataafse oorlogsvloot uitschakelen voordat deze gebruikt kon worden voor een Franse invasie van Groot-Brittannië Amsterdam veroveren en een antirevolutionaire opstand in Nederland ontketenen om de Bataafse Republiek ten val te brengen en het Huis Oranje-Nassau te herstellen als stadhouders.

Voor de Britten en Russen verliep de expeditie in eerste instantie met succes. Na de landing bij Callantsoog (ten zuiden van Den Helder) op 27 augustus viel de Bataafse vloot in handen van de geallieerden. De Brits-Russische troepen vestigden een bruggenhoofd in de Zijpe-polder en namen Alkmaar in na overwinningen in de Slag bij Krabbendam (10 september) en de Slag bij Alkmaar (2 oktober). Wel wisten de Frans-Bataafse verdedigers de geallieerden te verslaan in de Slag bij Bergen op 19 september.

Op 6 oktober leden de geallieerden een gevoelige nederlaag in de Slag bij Castricum, en op 10 oktober tekenden de strijdende partijen de Conventie van Alkmaar waarbij de geallieerde troepen zich terug mochten trekken uit Noord-Holland met behoud van hun buit, en zonder herstelbetaling te hoeven doen. Op 19 november waren alle geallieerde troepen weg uit Noord-Holland.

In het Huis met de Kogel aan Dorpsstraat 61 in Castricum is nog steeds een kanonskogel te zien die tijdens de veldslag daar in de muur is ingeslagen. Ook namen als de Doodelaan in Castricum en de Russenweg in Bergen herinneren nog aan de strijd. In Bergen staat het Russisch Monument (1901). De Franse overwinning wordt vermeld op de Arc de Triomphe in Parijs als Alkmaer.

Achtergrond In 1792 verklaarde de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden de oorlog aan Frankrijk, waar drie jaar eerder de Franse Revolutie was uitgebroken. Franse revolutionaire troepen onder bevel van generaal Jean-Charles Pichegru vielen in 1795 de republiek binnen. Stadhouder Willem V vluchtte naar Engeland en Nederlandse patriotten riepen de Bataafse Republiek uit.Schama, pp. 190–192

thumb|300px|De Zeeslag bij Camperduin in 1797

Voor Nederland was de oorlog hiermee niet afgelopen; de Nederlanders waren alleen naar de andere kant overgegaan. Frankrijk, dat niet genoeg vlootsterkte had om de Britten op zee te kunnen verslaan, had de Nederlandse vloot hard nodig.Schama, p. 235 In 1796 begonnen de Nederlanders hun verzwakte vloot opnieuw op te bouwen. Het bemannen van de nieuwe schepen was echter een probleem omdat veel van de marineofficieren Oranjegezind waren. Zo weigerde Jan Hendrik van Kinsbergen, de "held van de Slag bij de Doggersbank", dienst te nemen in de Bataafse vloot. Veel van de officieren van de nieuwe vloot, zoals Jan Willem de Winter, waren daarom wel van de juiste politieke kleur maar hadden weinig militaire ervaring. Dit resulteerde in pijnlijke nederlagen voor de Bataven, zoals de capitulatie in de Saldanhabaai in 1796 en de Zeeslag bij Camperduin in 1797. In de Zeeslag bij camperduin wist de Bataafse vloot redelijk stand te houden, maar door het verlies van schepen moest de vlootreconstructie weer van voren af aan beginnen.Schama, pp. 282, 292 De Bataafse vlootreconstructie vorderde echter vlot en al snel begonnen de Britten zich zorgen te maken over de substantiële bijdrage die deze vloot kon leveren aan een Franse invasie van Groot-Brittannië of Ierland.In 1797 waren er al vergevorderde plannen voor een Franse invasie van Ierland, waarbij de Franse troepen door Bataafse oorlogsschepen verscheept zouden worden; Schama, pp. 278–279, 281

De Eerste Coalitie tegen Frankrijk viel uit elkaar in 1797. De Britten vonden echter al snel een nieuwe bondgenoot in tsaar Paul I van Rusland. In 1799 brak de Tweede Coalitieoorlog uit, en de nieuwe bondgenoten wisten een aantal overwinningen tegen de Fransen te behalen, vooral in de Cisalpijnse Republiek en de Helvetische Republiek, Franse vazalstaten in respectievelijk Italië en Zwitserland. De Britten, waaronder premier Grenville, wilden het geallieerde momentum behouden door de Fransen ook elders aan te vallen. De Bataafse Republiek leek geschikt voor een dergelijke aanval. De Prins van Oranje, in ballingschap in Engeland, eiste militaire actie om de Oranjes te herstellen in Nederland; het Oranjegezinde kamp in Londen gaf de Britten hierbij de stellige indruk dat een Britse inval in Nederland een massale opstand tegen de Fransen zou ontketenen.

Een andere motivatie voor de inval was dat een dergelijke expeditie een van de bepalingen was van het Brits-Russische alliantieverdrag op 28 december 1798.Schama, p. 390 Nadat er eerder in de maand al op 19 december 1798 de nodige volmachten door de prins waren getekend, stelde Tsaar Paul I in dat verdrag 45.000 troepen ter beschikking van de coalitie, in ruil voor Britse financiële steun. Aanvankelijk was het plan dat het Koninkrijk Pruisen mee zou doen in een Pruisisch-Russische invasie met Britse financiële steun, in verband met het gebrek aan troepen die de Britten toen hadden. Toen de Pruisische Koning echter weigerde om hulp te verlenen na een lange aarzeling, veranderde het plan en participeerde de Britten alsnog militair in het plan in mei 1799. In een vervolgafspraak op 22 juni van dat jaar werd afgesproken hoe de invasie precies zou plaatsvinden en waar. De Russische Tsaar stelde 17 infanteriebataljons, twee artilleriecompagnieën, een compagnie van de genie en een eskadron van huzaren beschikbaar voor de expeditie naar Noord-Holland. In totaal ging het om 17.593 Russische soldaten. In ruil hiervoor gaven de Britten 88.000 pond aan financiële steun aan de Russen, en een verdere 44.000 pond per maand zolang de expeditie voortduurde. De Britten zouden zelf 13.000 troepen bijdragen en namen de gehele marinecomponent op zich, waaronder de troepenverscheping en -bevoorrading.Campaign, p. 2; Schama, p. 390 Dankzij een onverwacht sterke opkomst van vrijwilligers, groeide het aantal Britse troepen op den duur zelfs naar 25.000 troepen.

Vanaf het begin werd er rekening mee gehouden dat de Brits-Russische expeditie niet alleen een militaire component zou hebben. De Britse premier Grenville ging ervan uit dat de Nederlandse bevolking, net als de Italianen en Zwitsers, de geallieerden met veel enthousiasme zou binnenhalen. "Hij schijnt gedacht te hebben dat het Bataafse leger tot de laatste man naar de coalitie zou overgaan zodra de prinsenvlag gehesen werd, en dat de republiek onder de minste druk uit elkaar zou vallen," volgens de Britse geschiedkundige Simon Schama.Once the Orange standard had been raised, he seems to have believed that the Batavian army would go over to the forces of the Coalition to the last man and that its Republic would collapse under the barest pressure., Schama, p. 391

Verloop thumb|upright|19e-eeuwse kaart van Noord-Holland

Voorbereidingen De Britse troepen hadden zich verzameld nabij Canterbury, onder bevel van generaal Ralph Abercromby. Het waren voornamelijk militievrijwilligers die kort daarvoor toestemming hadden gekregen om zich bij de reguliere troepen te voegen. Een Britse transportvloot onder commando van admiraal Popham zeilde naar Reval om het Russische contingent op te halen. Het verzamelen van de Britse troepen liep zo gesmeerd dat de Britten besloten om niet op de Russische troepen te wachten maar alvast een divisie onder bevel van Abercromby naar Noord-Holland te sturen om daar een bruggenhoofd op te zetten, om zo de landing van het Russische contingent en de rest van de Britse troepen (waaronder de Brits-Russische opperbevelhebber Frederik van York) te vergemakkelijken.Campaign, p. 4–6

De vraag was waar zo'n amfibische landing het best kon plaatsvinden. Verschillende plaatsen langs de Nederlandse kust werden overwogen. Een aantal strategen vond de monding van de Maas of de omgeving van Scheveningen het geschiktst, omdat van hieruit de bevoorradingslijnen van de Franse en Bataafse troepen in Nederland makkelijk afgesneden konden worden.Campaign, p. 4 Het nadeel van deze Zuid-Hollandse locaties was dat de zandbanken voor de Nederlandse kust een landing hier zeer gevaarlijk zou maken. Bij een landing in het uiterste noorden van Noord-Holland was er geen gevaar van zandbanken. Ook werd dit gebied licht verdedigd en lag een groot deel van de Bataafse vloot hier voor anker. Het vlakke landschap van Noord-Holland leek zich ook te lenen voor een snelle opmars naar Amsterdam. Een gebied ten zuiden van Den Helder werd daarom gekozen als landingsplaats.Campaign, pp. 4–5

De Britten maakten geen geheim van hun voorbereidingen voor de expeditie. De Franse en Bataafse regeringen waren daarom op de hoogte van de plannen. De landingsplaats was echter niet bekend bij de Fransen en Bataven, waardoor ze gedwongen waren om hun troepen uit te smeren over de hele kust.

Het Bataafse leger bestond op dat moment uit twee divisies, ieder bestaande uit ongeveer 10.000 man. De ene divisie stond onder bevel van generaal Daendels, generaal Dumonceau voerde de andere aan. Daendels was gelegerd in het noordelijke deel van Noord-Holland, met zijn hoofdkwartier in Schagen, terwijl Dumonceau posities had ingenomen in Friesland en Groningen om een landing op de Noord-Nederlandse kust of een invasie vanuit Duitsland te kunnen onderscheppen.

De Franse troepen in de Bataafse Republiek bestonden uit 15.000 man – veel minder dan de 25.000 Franse troepen die volgens het Verdrag van Den Haag in de republiek gelegerd hadden moeten zijn. De Franse troepen waren verdeeld over Zeeland en het binnenland, verspreid tussen de kust en Nijmegen. De Franse generaal Guillaume Brune kreeg het opperbevel over de Frans-Bataafse verdedigingstroepen.Campaign, pp. 5–6

Voor de landing De Britse admiraal Adam Duncan zeilde al op 13 augustus naar Den Helder met Abercromby en een eerste korps van 12.000 man, met als doel de Bataafse vloot te vernietigen of onschadelijk te maken en daarna de aanval te openen op Amsterdam. Na zeven dagen bereikte dit korps echter pas de stad vanwege een storm. Een aantal dagen voor de landing naderde de Engelse vloot op 20 augustus met 15 grote schepen en 50 fregatten en een deputatie van drie parlementairs om, eenmaal aan boord van zijn schip, namens de heer Duncan de overgave van de Bataafse vloot te eisen in naam van de Prins van Oranje. Ondanks de 'opruiende proclamatiën' die de deputatie bij zich had, weigerde viceadmiraal Samuel Story en kolonel Gilquin de overgave.

Landing bij Callantsoog en overgave van de Bataafse vloot thumb|350px|De landing van Britse troepen bij Callantsoog, schilderij uit 1799 door Dirk Langendijk

De invasie begon goed voor de geallieerden. De verzwakte Bataafse vloot, onder bevel van viceadmiraal Samuel Story, vermeed een treffen met de Britse vloot, waardoor de ontscheping van Britse troepen op 27 augustus, op het strand tussen Petten en Callantsoog, zonder problemen verliep. Generaal Daendels werd verslagen in de Slag bij Callantsoog toen hij probeerde te voorkomen dat Abercromby een bruggenhoofd rond Callantsoog zou vestigen. De reden van Daendels nederlaag was dat hij zijn troepen moest opdelen vanwege het moeilijke landschap, een duinenrij met een strand aan de ene kant en een kwelderachtig gebied (het Koegras) aan de andere kant. Zijn rechtervleugel nam nooit serieus deel aan de veldslag, terwijl de linkervleugel in kleine groepen uiteen viel. De Britten maakten goed gebruik van hun vloot om dicht op de kust de Bataafse troepen onder vuur te nemen, waarbij de Bataven zware verliezen leden.Krayenhoff, pp. 58–76