Justus de Harduwijn (ook: Hardwijn, Herdewijn, Harduyn of Harduijn) (Gent, 11 april 1582 – Oudegem, 21 juni 1636) was een 17de-eeuws rooms-katholiek priester en dichter uit de Zuidelijke Nederlanden.
Afkomst en familie Justus de Harduwijns grootvader, Thomas de Harduwijn (?-1571), bekleedde een hoge functie bij Lodewijk van Vlaanderen. Thomas was in totaal drie keer getrouwd: hij overleefde zijn echtgenotes Joanna Hauweel en Marie Boele, hij trouwde een derde keer met Anna Van Laeken. Hij werd begraven in de Sint-Michielskerk in Gent.
Vader François de Harduwijn (1530?-1609?) bracht volgens Sanderus als jongeman tijd door in Parijs, waar hij volgens hem kennismaakte met Adrianus Turnebus en Gallandus. In 1580 trouwde hij met de adellijke Livina Tayaert, met wie hij een zoon (Justus) en een dochter (ook Livina genoemd) kreeg. Hij was 'deurwaerder' van de Raad van Vlaanderen. Op 23 juni 1584 werd François door het calvinistische bestuur van Gent gevangengezet. Hij werkte als corrector bij Plantin-Moretus in Antwerpen. Dichter Jan van der Noot vernoemt François de Harduwijn in zijn Ode aan Jean Vencenti Fossa. Van François de Harduwijn zijn verspreide Latijnse lof- en rouwgedichten bewaard gebleven, alsook een ode. Volgens Sanderus vertaalde François de Oden van Anacreon in het Nederlands.
De oom van Justus, Dionysius de Harduwijn (1560?-1604), was vermoedelijk professor en gaf les in Brugge vooraleer hij naar Parijs en Italië trok. Hij bekleedde een aanzienlijk ambt in Cassano, in Calabrië – wat door zijn grafmonument bevestigd wordt. Met zekerheid is vast te stellen dat hij in Gent verscheidene ambten uitoefende (advocaat bij de Raad van Vlaanderen, ontvanger, substituut van de procureur-generaal, krijgsauditeur en bestendige deken van Sint-Baafs) en dat hij er in 1591 of 1592 trouwde met Jacoba Pieters. Hij schreef geschiedkundige werken in het Latijn en maakte ook een overzicht van Vlaamse schilders en schrijvers (Elenchus illustrium scriptorum Flandriae). Dionysius stierf op 30 december 1604 en werd zoals zijn vader Thomas begraven in de Sint-Michielskerk. Uit het Register van Acten en Contracten voor Schepenen van Gedeele is af te leiden dat Justus zijn hele bibliotheek erfde, ter waarde van vijf- tot zeshonderd gulden.
De zus van François en Dionysius, Josyne, trouwde met de Gentse stadssecretaris en dichter Maximiliaan De Vriendt (1559-1614). De Vriendt werkte net zoals Justus Lipsius mee aan Kiliaans Etymologicum Teutonicae Linguae (1599). Hij beschreef de blijde intrede van Albrecht en Isabella in Gent (1602), volgens Sanderus samen met François. De Vriendt was literair actief en wijdde enkele gedichten aan zijn neef en zwager, waarin hij zich een 'tweede vader' van Justus noemt.
Justus de Harduwijn was een verre verwant van Daniël Heinsius (1580-1655), met wie hij een overgrootmoeder deelde. Rechtstreeks contact tussen de auteurs is niet ontdekt. Nog een verre verwant was dichter Jacob van Zevecote (1596-1642), wiens vader de grootoom was van Heinsius’ moeder, Elisabeth Navegeer. In een elegie maakt Van Zevecote een allusie op De Harduwijn.
Leven Opleiding Over de vroege jeugd van Justus de Harduwijn zijn geen bronnen bekend.
De oorkonde waarin hij tot pastoor wordt benoemd in 1607 vermeldt dat hij baccalaureus in de beide rechten was, wat erop wijst dat hij hoger onderwijs heeft gevolgd. Verdere concrete informatie ontbreekt, maar door Dambre zijn wel enkele hypothesen geformuleerd: Volgens Dambre is een buitenlandse studie uitgesloten, waaruit hij concludeert dat De Harduwijn ofwel in Leuven, ofwel in Dowaai (Douai) heeft gestudeerd. Ook al ontbreekt De Harduwijns naam in de registers van de Leuvense Facultus Artium, toch neemt Dambre aan dat hij er studeerde omdat De Harduwijn correspondeerde met Justus Lipsius die in Leuven hoogleraar was. Verder vermoedt Dambre ook dat De Harduwijn aan het seminarie van Dowaai zijn priesteropleiding volgde. Hij brengt als argument aan dat priesterstudenten uit Dowaai door het kapittel van Kamerijk een functie werden toegewezen na hun studie. De Harduwijns latere parochies Oudegem en Mespelare vielen onder jurisdictie van dat kapittel. Verdere bewijzen zijn er daarvoor niet.
Pastoor van Oudegem en Mespelare miniatuur|287x287px|Onze-Lieve-Vrouw Hemelvaartkerk in Oudegem Uit de schenkingsakte van François de Harduwijn van 7 maart 1607 blijkt dat Justus op dat moment al kanunnik van Middelburg was en zich tot voorbereidde op het priesterschap. Op 21 of 22 september 1607 werd Justus de Harduwijn door bisschop Petrus Damant tot priester gewijd. Eind dat jaar werd hij benoemd tot pastoor in de parochies Oudegem en Mespelare.
Als pastoor van Oudegem en Mespelare had De Harduwijn drie bronnen van inkomsten volgens brieven uit het bisschoppelijke archief, namelijk het innecommen van de Cure van Oudeghem, dit van de capellanie van O.L.Vrouwe en dat van de deserviture van Mespelaere, wat we kunnen afleiden uit twee brieven uit het bisschoppelijk archief. In 1608 werd een taimelycke woonplaetse voor de pastoor gebouwd in Oudegem. Het gebouw werd vergroot in 1627 en in het derde kwart van de 18de eeuw.
De Harduwijns moeder Livina Tayaert en zijn ‘metere’ Joosinken Wauters woonden bij hem in. Zijn zus Livina de Harduwijn kwam er wonen na het overlijden van haar echtgenoot Ghislenus de Ridder, samen met haar dochter Clara de Ridder. Haar zoon Franciscus de Ridder was eerder al overleden en in de kerk van Oudegem begraven. De Harduwijns moeder Livina Tayaert werd ook in de kerk van Oudegem begraven. Het was Justus' wens bij hen te worden begraven en een eerlic gedinckteecken op zijn graf te krijgen met een opschrift ende de wapenen van vader ende moeder. links|miniatuur|257x257px|Sint-Aldegondiskerk in Mespelare, met een gedenkplaat voor Justus de Harduwijn op de voorgrond Onder De Harduwijn kreeg de kerk van Oudegem in 1614 een nieuwe toren. Pastoor De Harduwijn hield zich bezig met de uitbreiding van de verering voor de heilige Aldegonde. Hij bestelde bij Dendermondse schilder Jan van Zwaervelde een tafereel met de legende van Sint-Aldegonde. De Harduwijn slaagde erin relikwieën van Sint-Aldegonde vanuit de abdij van Maubeuge naar zijn parochie te laten komen. Enkele jaren na De Harduwijns overlijden werd een Broederschap van de H. Aldegonde opgericht in Mespelare, waarvan onder andere zijn zus Livina en haar dochter Clara de Ridder lid werden.
De Harduwijn was lid van de rederijkerskamer de Catharinisten van Aalst.
Ziekte en dood In een notariële akte is te lezen dat Justus de Harduwijn op 2 april 1636 ziek te bed ligt.
In het manuale van pastoor Keerstok, pastoor in 1753 in Oudegem, is te lezen dat jaarlijks op 21 juni een mis moet worden gebeden voor de overleden Justus de Harduwijn en zijn moeder Livina Tayaert. In 1952 werden in Oudegem voor het jaargetijde voor De Harduwijn en zijn moeder, samengevoegd met 27 andere jaargetijden, nog steeds vijf gelezen en één gezongen mis gebeden. 21 juni 1636 is de waarschijnlijke sterfdatum van Justus de Harduwijn, wat blijkt uit de benoemingsbrieven van zijn opvolgers die op 27 en 30 juni 1636 werden opgemaakt.
Zijn rijke bibliotheek doneerde De Harduwijn na zijn dood aan de karmelieten in Aalst[ karmelieten in Aalst www.oar.be, op voorwaarde dat er dadelijk honderd missen werden gelezen en dat na zijn overlijden een hoogmis ‘met drie heren’ zou worden opgedragen en jaargetijden worden gecelebreerd.
Werk Justus de Harduwijn was zijn leven lang ook literair actief, voornamelijk als vertaler en navolger van ander werk. links|miniatuur|353x353px|Titelblad van het enige bewaarde exemplaar van De Weerliicke Liefden tot Roose-mond (1613)
De Weerliicke Liefden tot Roose-mond (1613) De Harduwijns debuutbundel De Weerliicke Liefden Tot Roose-mond met renaissancistische liefdeslyriek werd in 1613 ‘anoniem’ uitgegeven door De Harduwijns gildebroeders van de Aalsterse Catharinistenkamer, voornamelijk onder impuls van Guillaum Caudron. Moeilijk wordt het de lezer echter niet gemaakt om te ontdekken wie de auteur is: een lofdicht in de bundel van David van der Linden heeft het over ‘J. de H. van Ghendt’ en het slotsonnet van F. vander Beken is een acrostichon op ‘Joost de Hardvin’.
Uit de ondertitel Eensdeels naerghevolght de Griecksche Latijnsche ende Franchoysche Poëten blijkt waar De Harduwijn zijn inspiratie haalde voor deze liefdespoëzie. De voornaamste bron waren de Franse dichters van de Pléiade: De Harduwijn kiest in mindere mate voor het boegbeeld Ronsard, maar vooral voor dichters als Du Bellay, Belleau en bovenal Desportes.
Inhoudelijk bezingt deze liefdeslyriek in vijftig gedichten de liefde van een lyrisch ik tot Roose-mond. Als voornaamste literair motief gelden de ogen en het haar van Roose-mond, als bronnen van betovering, teleurstelling en hunkering.
In veel literatuurgeschiedenissen wordt dit werk als de eerste volledige Nederlandstalige sonnettenkrans genoemd, maar strikt genomen is de Roose-mond een cyclus en geen krans, aangezien de sonnetten niet in elkaar gevlochten zijn en er geen sprake is van een meestersonnet.
Goddelicke Lof-Sanghen tot vermaeckinge van alle gheestighe liefhebbers (1620) De Goddelicke Lof-Sanghen (1620) is een contrareformatorische geestelijke liedbundel. In deze bundel maakt De Harduwijn de overstap van de liefdeslyriek naar poëzie in de geest van de contrareformatie. Ook enkele van zijn Franse voorbeelden (Desportes, Bertaut) hadden een gelijkaardige evolutie doorgemaakt. In 1614 al schreef hij Lof-Sanck des Heylich Cruys, een vertaling van een werk van zijn dekenale visitator Henricus Calenus. Uit het voorwerk blijkt dat De Harduwijn de Goddelicke Lof-Sanghen schreef onder mecenaat van de Gentse bisschop Jacobus Boonen. Zijn werk werd ook aanvaard door het bisdom Gent als catechetisch zang- en leerboek.
Tien sonnetten van de Goddelicke Lof-Sanghen zijn terug te voeren op de eerdere bundel Roose-mond. De Harduwijn vergeestelijkt zijn eigen eerdere werk dat hij wegzet als 'Venus-ghejancksel'. In sonnet XXXIX kust het lyrisch ik bijvoorbeeld niet langer ‘Mijn lief’ uit Roose-mond, maar het ‘Cruys’: +Roose-mond (1613)Goddelicke Lof-Sanghen (1620)Mijn lief, als ick u cuss Verwerd’ ick dan aldus In uwe lipkens root/ En in u halsken bloot Al bleve ick daer dan doot T’waer cleyn voor my Bleve ick voor al u, mijn liefste, by.Ha Cruys! als ick u kuss’ / Verwerd’ ick dan aldus / Tusschen de aerems bloot / Van mijnen Schepper groot / Al wierd’ick daer in doot / ‘Twaer cleyn voor my / Bleve ick maer slechts hem, mijnen Schepper, by. Naast zijn eigen eerdere poëzie, is ook deze bundel voornamelijk geïnspireerd op andere voorbeelden (deze keer religieuze voorbeelden, en geen minnelyriek). Zijn voornaamste voorbeeld blijft Desportes, gevolgd door Bertaut en 'enkele Dowaaise devote liedbundels.'